Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BR1517

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
08.710028-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van en doodslag op het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer met één klap weerloos geslagen. Vervolgens heeft hij meermalen met een vuist zo hard tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen en tegen het lichaam getrapt, dat het slachtoffer hersenletsel en botbreuken in het gezicht heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft in coma in het ziekenhuis gelegen alwaar hij precies een maand later is overleden. De rechtbank is van oordeel dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs als gevolg van het uitgeoefende geweld aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarbij de rechtbank één strafbepaling heeft toegepast nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van eendaadse samenloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/710028-09

datum vonnis: 15 december 2009

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1975] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in het huis van bewaring “De Karelskamp”

in Almelo.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 april 2009, 7 juli 2009, 29 september 2009 en 1 december 2009. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. P. Benders, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in feit 1 wordt verweten dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. In feit 2 wordt verdachte verweten dat hij [slachtoffer] van het leven heeft beroofd dan wel dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht met de dood tot gevolg dan wel dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld met de dood tot gevolg.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Enschede ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd, [slachtoffer],

van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, -

terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - (met kracht) (met gebalde vuist(en))

in/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of

geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Enschede aan een persoon, genaamd

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere breuken in zijn

gezicht), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] opzettelijk - meermalen, althans

eenmaal - terwijl die [slachtoffer] op grond lag - (met kracht) (met gebalde vuist(en))

in/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt en of geschopt/getrapt;

2.

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Enschede opzettelijk [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen,

althans eenmaal, - terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - (met kracht) (met gebalde

vuist(en)) in/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam, heeft

gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Enschede aan een persoon genaamd

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere breuken in het gezicht),

heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, -

terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - (met kracht) (met gebalde vuist(en))

in/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of

geschopt/getrapt, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Enschede opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal -terwijl die [slachtoffer] op de

grond lag- (met kracht) (met gebalde vuist(en)) in/tegen het hoofd/gezicht,

althans het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt,

tengevolge waarvan deze is overleden;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het sub 1 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Daarnaast vordert de officier van justitie dat verdachte voor het sub 1 subsidiair en het sub 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Ten aanzien van het beslag vordert de officier van justitie dat de inbeslaggenomen goederen worden teruggegeven aan verdachte.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen .

Verdachte heeft op 14 januari 2009 [slachtoffer] met kracht met gebalde vuisten meermalen tegen het hoofd gestompt en heeft hem meermalen tegen het lichaam getrapt. [Slachtoffer] is op 14 februari 2009 in het ziekenhuis overleden.

5.2 Vrijspraak feit 1 primair

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het sub 1 primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

5.3 Opzet met betrekking tot feit 1 subsidiair en feit 2 primair

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat uit de stukken op geen enkele wijze blijkt dat verdachte het opzet heeft gehad om het slachtoffer te doden, waardoor zowel doodslag als poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte wilde het slachtoffer een lesje leren.

Ten aanzien van de zware mishandeling stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte niet de opzet op het zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. Hij voert daartoe aan dat verdachte slechts wenste dat het slachtoffer ophield met zijn gedragingen richting de verdachte. Voorafgaand aan het voorval heeft verdachte aan het slachtoffer medegedeeld slechts met hem naar buiten te willen om te vechten. Daarmee heeft hij enkel zijn ongenoegen over het slachtoffer en zijn gedrag als medebewoner kenbaar gemaakt.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het geweld ongeveer 10 minuten heeft geduurd en dat het er behoorlijk hard en heftig aan toe ging. Hij heeft het slachtoffer geslagen, gestompt en geschopt. Verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf volkomen beheerste en dat hij precies wist wat hij deed. Doordat verdachte meer weerstand had verwacht van het slachtoffer, [slachtoffer], gelet op diens postuur, sloeg en schopte verdachte door, ook al was die [slachtoffer] naar het zich liet aanzien na de eerste klap al weerloos. Verdachte verklaarde er zeker van te willen zijn dat [slachtoffer] hem fysiek niet meer zou kunnen aanvallen.

M. Evers heeft een geneeskundige verklaring opgesteld waarin staat dat [slachtoffer] op 14 januari 2009 op de intensive care is opgenomen met aangezichtletsels met diverse breuken van de gelaatsbotten, mogelijk een oogletsel en een kneuzing van een long. Hij was diep comateus en moest beademd worden.

De rechtbank overweegt dat, mede gelet op de uitlatingen van verdachte over de duur en de mate van het door hem toegepaste geweld jegens [slachtoffer], alsmede het daardoor ontstane letsel, bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel hem van het leven te beroven. Door bewust langdurig met kracht tegen het hoofd van iemand te slaan en te stompen, bestaat de aanmerkelijke kans dat die persoon daarbij zwaar lichamelijk letsel oploopt in de vorm van botbreuken en hersenletsel dan wel dat die persoon het leven laat. Uit verdachte’s verklaring ter terechtzitting kan worden afgeleid dat hij die aanmerkelijke kans welbewust heeft aanvaard.

5.4 Causaal verband tussen het uitgeoefende geweld en de dood

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een causaal verband tussen het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld en de uiteindelijke dood van het slachtoffer. Hij voert daartoe aan dat uit de verklaringen van het ziekenhuis blijkt dat het slachtoffer bewusteloos is binnengebracht en diverse breuken in het gelaat had. Hieruit blijkt dat verdachte harde klappen uit heeft gedeeld. Het slachtoffer was in een coma en is in een coma gebleven. Door de cascade van letsel en de coma is uiteindelijk een longinfectie ontstaan. Uit het sectierapport blijkt dat deze longinfectie de doodsoorzaak is. Het causaal verband dient te worden bepaald aan de hand van de redelijke toerekening, HR 13 juni 2006, LJN: AV8535 en het “Letale longembolie-arrest”. Daarbij is de mate van voorzienbaarheid van belang. Doordat verdachte tenminste 7 keer met grote kracht op het hoofd van het slachtoffer heeft gestompt, waardoor breuken zijn ontstaan en bewusteloosheid is ingetreden, is het slachtoffer op de intensive care opgenomen en kunstmatig beademd. Longinfectie is een complicatie die niet ongebruikelijk is bij personen die kunstmatig worden beademd. Nu het slachtoffer aan een zodanige infectie is overleden moet dit gevolg in redelijkheid worden toegerekend aan de geweldshandelingen van verdachte, zonder welke het slachtoffer immers niet afhankelijk zou zijn geworden van kunstmatige beademing. Dat het slachtoffer door zijn slechte lichamelijke conditie wellicht dieper en langer in een coma is geraakt en als gevolg daarvan langer moest worden beademd, maakt dit niet anders.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het overlijden van het slachtoffer niet aan verdachte kan worden toegerekend. De raadsman voert daartoe aan dat voorafgaand aan het voorval gekeken dient te worden naar de situatie van het slachtoffer en of het slachtoffer ook een longinfectie zou hebben gekregen als het voorval niet zou hebben plaatsgevonden, HR NJ 2004, 512. De raadsman stelt dat het evident is dat de gezondheidssituatie van het slachtoffer ronduit slecht was. Als hij een longinfectie had opgelopen had hij ook alsdan dit niet overleefd, aldus de raadsman. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat gekeken dient te worden naar de termijn gelegen tussen het voorval en het overlijden.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

C.J.M. Soethoudt heeft een geneeskundige verklaring opgesteld waarin is staat dat de ernstige longinfectie niet aanwezig was bij de opname van [slachtoffer], maar is ontstaan tijdens de ziekenhuis opname vanwege het onvermogen om goed op te hoesten. De bewustzijnsstoornis waarmee het slachtoffer het ziekenhuis is binnengekomen was een coma met een EMV-score van 1-1-1.

De arts-patholoog die sectie op het lichaam van het slachtoffer heeft verricht, concludeert in haar rapport , voor zover hier van belang, als volgt:

“Het intreden van de dood was het gevolg van een ernstige longinfectie. Een dergelijke infectie treedt vaak op bij comateuze en bedlegerige patiënten en is een verwikkeling van het coma. Het slachtoffer had een verhoogd risico op verwikkelingen indien hij bijvoorbeeld een trauma opliep, omdat hij bekend was met een aantal ernstige (deels infectieuze) aandoeningen die de natuurlijke afweer verminderen. Uit de ontvangen radiologische onderzoeken, met name die aan het begin van de ziekenhuisopname werden gemaakt, valt op te maken dat het slachtoffer een zeer ernstig hoofdtrauma heeft opgelopen, gezien o.a. de multiple breuken van aangezichtsbeenderen. Ervan uitgaande dat het gegeven juist is dat het slachtoffer direct of snel na het oplopen van de letsels in coma was, kan tevens worden geconcludeerd dat er op dat moment ook sprake was van een substantieel hersentrauma. Een dergelijk hersen-/schedelletsel leidt tot zeer veel lichamelijke stress met uitstoot van stresshormonen en leidt veelal tot sterke vochtophoping in de longen (neurogeen longoedeem). Het is verder bekend dat lichamelijke stress de afweermechanismen van het lichaam negatief beïnvloedt en dat longoedeem (ook neurogeen longoedeem) de longfunctie negatief beïnvloedt en de kans op longinfectie verhoogt. Hieruit kan men concluderen dat het oplopen van het hersen-/schedelletsel zeker een bijdrage heeft geleverd aan de slechte klinische toestand van het slachtoffer tijdens de ziekenhuisopname en daardoor aan het overlijden. Het is zeer waarschijnlijk dat het slachtoffer niet deze ernstige en uiteindelijk dodelijke longinfectie zou hebben ontwikkeld, indien hij niet de traumatische letsels zou hebben opgelopen (gegeven de correctheid van dit scenario). Het feit dat de directe doodsoorzaak een ernstige longinfectie blijkt te zijn en dat het slachtoffer preëxistent al vatbaarder was voor infecties doet niet af aan deze bijdrage.”

De rechtbank stelt vast dat, gelet op de geneeskundige verklaring van Soethoudt, de bewustzijnsstoornis waarmee het slachtoffer het ziekenhuis binnen is gekomen een coma was. Gelet hierop gaat de rechtbank uit van de juistheid van het scenario van de arts-patholoog dr. B. Kubat, zoals hiervoor weergegeven.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen de gedraging en het gevolg te gebeuren aan de hand van de maatstaf van de “redelijke toerekening”. Beoordeeld dient te worden of de dood van het slachtoffer redelijkerwijs als gevolg van het uitgeoefende geweld aan verdachte kan worden toegerekend. Niet is vereist dat de dood uitsluitend het gevolg is van het door het geweld ontstane letsel. Evenmin is vereist dat andere, minder waarschijnlijke oorzaken volledig kunnen worden uitgesloten . Het uitoefenen van het geweld door verdachte op het slachtoffer en het daardoor ontstane zeer ernstige hoofdtrauma kan als de oorzaak van de dood van het slachtoffer worden beschouwd. Aan dit oordeel doet niet af dat het uitgeoefende geweld niet rechtstreeks tot de dood heeft geleid en de dood uiteindelijk is ingetreden als het gevolg van een longontsteking die als complicatie was voortgekomen uit het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen door het geweld.

Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer het letsel heeft opgelopen door meerdere stompen van verdachte tegen zijn hoofd op 14 januari 2009 en dat de dood van het slachtoffer op 14 februari 2009 door een longinfectie als een redelijkerwijs te verwachten gevolg van die geweldshandelingen kan worden beschouwd zodat de dood van [slachtoffer] in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend. De omstandigheid dat de algehele weerstand van het slachtoffer verminderd was, gelet op zijn medische voorgeschiedenis (tuberculose, hepatitis B, levercirrose), en dat hij daardoor vatbaarder was voor infectie en het lichaam deze ook minder goed kon afweren, kan aan dit oordeel niet afdoen. Ook tijdsverloop tussen het letsel veroorzakend handelen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer doet aan dit oordeel niet af. De toepassing van de maatstaf van de redelijke toerekening leidt tot de conclusie dat er causaal verband bestaat tussen het toebrengen van het letsel bij het slachtoffer en zijn overlijden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

5.5 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1 subsidiair en sub 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair.

hij op 14 januari 2009 te Enschede aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere breuken in zijn gezicht), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] opzettelijk - meermalen - terwijl die [slachtoffer] op grond lag - met kracht met gebalde vuist in/tegen het gezicht heeft gestompt;

2.

hij op 14 januari 2009 te Enschede opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen - terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - met kracht met gebalde vuist tegen het hoofd gestompt/geslagen en tegen het lichaam geschopt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 subsidiair en sub 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 287 en 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: zware mishandeling

feit 2 primair

het misdrijf: doodslag

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en zal derhalve één strafbepaling toepassen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte heeft voor onderzoek in het Pieter Baan Centrum verbleven. Hij heeft de psychiater en de psycholoog daar te kennen gegeven niet te willen meewerken aan het onderzoek. Ten gevolge van deze weigering hebben zowel de psychiater als de psycholoog onvoldoende onderzoek kunnen verrichten naar de geestvermogens van verdachte, zodat niet gebleken is dat verdachte geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar was op 14 januari 2009. Er zijn ook verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte ten volle strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van en doodslag op het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer met één klap weerloos geslagen. Vervolgens heeft hij meermalen met een vuist zo hard tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen en tegen het lichaam getrapt, dat het slachtoffer hersenletsel en botbreuken in het gezicht heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft in coma in het ziekenhuis gelegen alwaar hij precies een maand later is overleden. Met zijn handelen heeft verdachte het kostbaarste bezit, het leven, van het slachtoffer ontnomen.

Door een delict als het onderhavige is de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf allereerst rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen de vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover die voor onderhavige feiten zijn vastgesteld. Ten aanzien van de doodslag zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld, zodat de rechtbank de strafoplegging in vergelijkbare zaken in haar overwegingen zal betrekken. In vergelijkbare zaken variëren de opgelegde straffen van een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk tot een gevangenisstraf van 5 jaar en 6 maanden onvoorwaardelijk.

De rechtbank houdt te nadele van verdachte rekening met het feit dat hij buitensporig geweld op het slachtoffer heeft uitgeoefend, ook terwijl het slachtoffer tengevolge hiervan reeds weerloos was. Daarmee heeft verdachte op een buitengewoon schokkende en volstrekt misplaatste wijze zijn woede en frustratie geuit. Daarnaast houdt de rechtbank ten nadele van verdachte ook rekening met het feit dat hij eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.

De rechtbank houdt geen rekening met het feit dat bij het slachtoffer enige mate van “medeschuld” zou hebben bestaan, zoals door de raadsman is betoogd. Ook als het slachtoffer vervelende opmerkingen jegens verdachte heeft gemaakt, rechtvaardigt dit op geen enkele wijze de gedragingen van verdachte.

Gelet op de strafoplegging in vergelijkbare zaken acht de rechtbank de eis van de officier van justitie niet passend. Alle omstandigheden afwegend is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren dient te worden opgelegd.

8.2 Het beslag

Nu het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van de aan het slachtoffer toebehorende en onder hem inbeslaggenomen Koran en het notitieblok, zal de rechtbank de teruggave hiervan aan het slachtoffer gelasten.

Daarnaast is onder verdachte een mes inbeslaggenomen. Nu verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van dit mes, behoeft de rechtbank hierover geen nadere beslissing te nemen.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 55, 287 en 302 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het sub 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1 subsidiair en sub 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 subsidiair en sub 2 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: zware mishandeling;

feit 2 primair

het misdrijf: doodslag

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1 subsidiair en sub 2 primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave van de inbeslaggenomen Koran en het notitieblok aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bloebaum, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. S. Taalman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2009.