Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BK6421

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
08 / 1184 WIA A1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitsluitingsgrond volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Hiertoe is vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. In dit verband acht de rechtbank van belang dat blh is gaan werken in WSW-verband in een dienstverband waarvoor zij vier maanden daarvoor geschikt is geacht. Bovendien blijkt dat de verzuimbegeleider urenuitbreiding op enig moment tijdens het dienstverband haalbaar achtte, terwijl uit de verzuimregistratie blijkt dat ook verzuim vanwege andere klachten dan de klachten waarmee blh uiteindelijk is uitgevallen, heeft plaatsgevonden. Verweerder mag niet zonder meer afgaan op de mondelinge informatie van werkgever dat blh eigenlijk nooit heeft gefunctioneerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 08 / 1184 WIA A1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[Eiseres],

wonende te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. J.W.M. Melief, advocaat te Enschede,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

locatie Hengelo, verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 16 oktober 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft verweerder eiseres met ingang van 2 september 2008 geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend omdat de uitsluitingsgrond van volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid en artikel 43, sub c, van de WIA van toepassing is.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 18 juni 2008 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft bij schrijven van 10 november 2008 tegen dit besluit beroep ingesteld, aangevuld bij schrijven van 12 december 2008 en 8 april 2009.

Verweerder heeft op 8 januari 2009 de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend, aangevuld bij schrijven van 4 mei 2009.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 10 november 2009, waar eiseres is verschenen, samen met haar gemachtigde voornoemd en vergezeld van haar persoonlijk begeleider [persoonlijk begeleider] en haar contactpersoon, [contactpersoon] terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.A. Verbeek.

3. Overwegingen

Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden met ingang van 2 september 2008 aan eiseres geen uitkering ingevolge de WIA heeft toegekend omdat de uitsluitingsgrond van volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid en artikel 43, sub c, van de WIA van toepassing is.

Hoewel zulks in het bestreden besluit niet is opgenomen, heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat met het primaire besluit van 10 december 2007 reeds het standpunt aan eiseres kenbaar is gemaakt dat eiseres bij aanvang van de verzekering op 28 juli 2003, volledig arbeidsongeschikt was. Aangezien eiseres geen bezwaar heeft ingesteld tegen deze beslissing, is hiermee volgens verweerder in rechte komen vast te staan dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering, zodat dat aspect in dit geding niet meer aan de orde kan komen.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de vraag of, gelet op de in kracht van gewijsde gegane besluit van 10 december 2007, tussen partijen als vaststaand aangenomen dient te worden dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering, door haar ambtshalve beoordeeld dient te worden, zodat de omstandigheid dat verweerder zich in het bestreden besluit hieromtrent geen mening heeft gevormd, hieraan niet af doet.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat met het besluit van 10 december 2007 geen beslissing is genomen over de vraag of eiseres bij het bereiken van het einde van de wachttijd in het kader van de WIA in aanmerking kan komen voor een uitkering. In het besluit van 19 december 2007 staat expliciet vermeld dat eiseres op dat moment, zijnde 4 januari 2008, geen WIA-uitkering kan krijgen. Weliswaar staat vermeld dat eiseres op 28 juli 2003, toen zij begon met werken bij haar werkgever, al dezelfde gezondheidsklachten had als de klachten waardoor zij nu niet kan weken en zal het voor een persoon met kennis van de sociale verzekeringswetten misschien duidelijk kunnen zijn dat dit ook betekent dat bij einde wachttijd geen uitkering wordt toegekend, doch zulks betekent niet dat eiseres hiermee bekend is geweest of had moeten zijn. In ieder geval is in genoemd besluit niet aan haar meegedeeld dat dit ook betekent dat aan haar na een wachttijd van 104 weken om dezelfde reden geen uitkering kan worden toegekend.

Het bovenstaande betekent dat in dit geding in volle omvang de vraag voorligt of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat aan eiseres ingaande 2 september 2008 geen WIA-uitkering kan worden toegekend omdat reeds bij aanvang van de verzekering sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid.

Tussen partijen is niet in geschil dat de, in het bestreden besluit opgenomen motivering, volstrekt ondeugdelijk is. Dit betekent dat het bestreden besluit reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

Aangezien uit de, aan het bestreden besluit gehechte medische bijlage, blijkt op grond waarvan verweerder van mening is dat het bezwaar ongegrond verklaard dient te worden, zal de rechtbank beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij overweegt daartoe het volgende.

Artikel 43 van de WIA luidt, voor zover van belang:

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:

(…)

c. volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid;

(…).

In artikel 46, tweede lid, aanhef en onder a, van de WIA is, voor zover van belang, bepaald dat artikel 43, onderdeel c, van toepassing is indien er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering (...) .

In artikel 124 van de Wet WIA is, voor zover van belang, bepaald dat indien een persoon op de dag voorafgaand aan de verzekering op grond van deze wet verzekerd was op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, in artikel 46 wordt gelezen voor:

a. aanvang van de verzekering: aanvang van de verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

(...).

Ten aanzien van de toepassing van artikel 43 van de WIA overweegt de rechtbank dat, anders dan ten aanzien van artikel 30 van de WAO, waarin voor het Uwv een bevoegdheid is neergelegd, in artikel 43 van de WIA uitsluitingsgronden voor het recht op uitkering zijn opgenomen. In geval een uitsluitingsgrond van toepassing is, ontstaat geen recht op uitkering.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 43 van de WIA heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een uitspraak van 28 januari 2009 (LJN: BH2844) afgeleid dat de wetgever voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c. inhoudelijk geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WAO. Dit brengt naar het oordeel van de CRvB mee dat de door hem gevormde jurisprudentie over deze laatste bepaling ook voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c en artikel 46 van de Wet WIA haar gelding blijft houden.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer de uitspraak van 17 mei 2006, LJN: AX4595) is voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid.

Voor de aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag gelegde artikelen 43, aanhef en onder c en 46 van de Wet WIA zal de rechtbank derhalve bezien of aan deze voorwaarden is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat dit in casu niet het geval is. Zij overweegt daartoe het volgende.

Uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat met name de informatie van de werkgever over het functioneren van eiseres van groot belang is geweest bij de besluitvorming. Weliswaar blijkt uit de medische anamnese, opgenomen in de rapportage van de primaire verzekeringsarts D.J. Muller van 19 november 2007, dat eiseres sedert 1990 periodiek onder behandeling is bij Mediant, zij in 2002/2003 drie halve dagen in de week bij Het Perron is geweest, waar zij confectiewerk heeft verricht en dat zij in 2003, gelet op het medicatiegebruik, kennelijk depressieve klachten heeft, doch hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer de conclusie getrokken worden dat eiseres bij aanvang van de verzekering in juli 2003 reeds volledig arbeidsongeschikt was voor de maatgevende arbeid van administratief medewerkster in WSW-verband gedurende 20 uren per week.

Hiertoe acht de rechtbank in de eerste plaats de informatie van de huisarts van oktober 2008 van belang, daar waar hij schrijft dat hij eiseres inmiddels zes jaar kent en moet constateren dat haar belastbaarheid de laatste jaren afneemt en haar lijdensdruk toeneemt.

Voorts kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voorbij gaan aan de omstandigheid dat eiseres eind maart 2003, derhalve vier maanden voor aanvang van de verzekering, beoordeeld is door de indicatiecommissie sociale werkvoorziening, bestaande uit een arts, psycholoog, arbeidsdeskundige en arbeidsmarktdeskundige, welke commissie tot de conclusie is gekomen dat eiseres in staat moet worden geacht tot werkzaamheden in WSW-verband gedurende maximaal vier uren per dag in een beschutte, helder gestructureerde werkomgeving, waar zij niet onder druk hoeft te presteren en waarbij de voorkeur uitgaat naar administratief werk. Aangezien eiseres op 28 juli 2003 in dergelijk werk in WSW-verband is gaan werken, kan de rechtbank het standpunt van verweerder dat er op neer komt dat zulks voor de onderhavige beoordeling geen relevantie heeft, niet volgen.

Ook ten aanzien van de mededelingen van de werkgever dat eiseres nauwelijks heeft gefunctioneerd in haar functie en veel verzuimd heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hiervan niet zonder meer uit had mogen gaan. Uit de onder de gedingstukken aanwezige verzuiminformatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat niet alle verzuim is toe te schrijven aan de psychische problematiek, doch ook sprake is van een ongeval buiten werktijd, zoals kneuzing na valpartij en griep. Voorts acht de rechtbank van belang dat in juli 2004 een urenuitbreiding akkoord bevonden is door de verzuimbegeleider, hetgeen niet voor de hand lijkt te liggen indien vanaf het begin sprake zou zijn geweest van disfunctioneren van eiseres. Ten slotte lijkt uit de in het dossier aanwezige verzuimregistratie die ook verweerder blijkens mededelingen van de gemachtigde ter zitting aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, de conclusie getrokken te kunnen worden dat eiseres van 28 oktober 2005 tot 13 juni 2006 geen (noemenswaardig) verzuim heeft gekend.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat in de situatie van eiseres onvoldoende omstandigheden zijn gebleken die tot de duidelijke indicatie zouden moeten leiden dat sprake is een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Dit betekent dat ook de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Verweerder zal derhalve met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw dienen te beslissen op het bezwaar van eiseres.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; € 322,-- per punt; wegingsfactor 1; totaal € 644,--) en reiskosten voor het verschijnen ter zitting ad € 7,70 (retour Enschede-Almelo).

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het bezwaarschrift van eiseres;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 651,70, door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad € 39,- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gedaan door mr. A.M.S. Kuipers, rechter, en door deze en mr. A.C.M. Heerdink, griffier ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

Afschrift verzonden op 16 december 2009

AW