Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BK4760

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
08-710875-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een jonge vrouw, is schuldig bevonden aan kinderdoodslag, meermalen gepleegd. De rechtbank Almelo heeft haar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1,5 jaar en en TBS met verpleging (van overheidswege).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/710875-08

datum vonnis: 30 november 2009

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[VERDACHTE],

geboren op [1985] in [GEBOORTEPLAATS],

wonende in [WOONPLAATS],

nu verblijvende in de PI Overijssel, PIV Zwolle.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen

van 6 maart 2009, 15 mei 2009, 4 augustus 2009, 21 augustus 2009 en 16 november 2009. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman

mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte primair wordt verweten dat zij, al dan niet op grond van een eerder genomen besluit, vanwege vrees voor ontdekking van haar (aanstaande) bevalling, haar twee kinderen bij de geboorte opzettelijk van het leven heeft beroofd. Subsidiair heeft de officier van justitie ten laste gelegd dat verdachte, al dan niet met voorbedachte raad, haar twee kinderen opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 30 november

2006, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met

1 september 2007, te Enschede, althans in Nederland, als moeder, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, althans onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet bij dat kind bij of kort na de geboorte de keel en/of hals en/of mond dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of samengedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of dichtgeknepen gehouden en/of samengedrukt gehouden, althans (verstikkend) geweld op de keel en/of de hals en/of de mond uitgeoefend, ten gevolge waarvan dat kind is overleden;

art 291 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 30 november

2006, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met

1 september 2007, te Enschede, althans in Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade haar (pasgeboren) kind van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, bij dat kind de keel en/of hals en/of mond dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of samengedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of dichtgeknepen gehouden en/of samengedrukt gehouden, althans (verstikkend) geweld op de keel en/of de hals en/of de mond uitgeoefend, ten gevolge waarvan dat kind is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 4 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 20

april 2008 tot en met 31 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van

1 september 2007 tot en met 1 juli 2008, te Enschede, althans in Nederland,

als moeder, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de

ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, althans onder de

werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet nagelaten bij dat kind bij of kort na de geboorte de navelstreng die zich tijdens en/of na de geboorte om de keel en/of hals bevond te verwijderen en/althans de ademweg van/voor dat kind vrij te maken, althans (verstikkend) geweld op de keel en/of de hals en/of de mond

uitgeoefend, ten gevolge waarvan dat kind is overleden;

art 291 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 4 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van

20 april 2008 tot en met 31 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van

1 september 2007 tot en met 1 juli 2008, te Enschede, althans in Nederland,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade haar (pasgeboren) kind van

het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet

na kalm beraad en rustig overleg, nagelaten bij dat kind bij of kort na de geboorte de navelstreng die zich tijdens en/of na de geboorte om de keel en/of hals bevond te verwijderen

en/althans de ademweg van/voor dat kind vrij te maken, althans (verstikkend)

geweld op de keel en/of de hals en/of de mond uitgeoefend, ten gevolge waarvan

dat kind is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair in de tweede plaats en feit 2 primair in de tweede plaats zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van

1,5 jaar en oplegging van de maatregel van TBS met verpleging. Verder vordert de officier van justitie dat de inbeslaggenomen voorwerpen met de nrs. 1, 6, 7, 8, 9 zullen worden teruggegeven aan verdachte en de inbeslaggenomen voorwerpen met nrs. 2, 3, 4, 5, 10 zullen worden onttrokken aan het verkeer.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.1 Toepasbaarheid van de artikelen 291 en 290 van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank overweegt ten aanzien van de toepasbaarheid van de artikelen 291 en 290 Sr,

te weten kindermoord, respectievelijk kinderdoodslag het navolgende. Genoemde artikelen worden, volgens literatuur en jurisprudentie, toegepast in alle gevallen waarin de vrouw vrees voor ontdekking van haar aanstaande bevalling koesteren kan en onder de werking van die vrees heeft gehandeld. Het is volkomen onverschillig waardoor deze vrees is opgewekt. Verdachte spiegelde haar sociale omgeving een schijnwereld voor. Uit zowel haar eigen verklaringen als de verklaringen van haar ouders, zus, (ex-)vriend en vriendinnen blijkt dat ze, vanaf het moment dat zij wist dat ze zwanger was van [SLACHTOFFER 1] in februari 2006, naar de buitenwereld toe ontkende dat er sprake was van een zwangerschap. Ogenschijnlijk zette ze haar gewone studentenleven voort. Ook de zwangerschap van [SLACHTOFFER 2] in 2007/2008 heeft verdachte geheim gehouden en tegenover anderen ontkend. Wat de beweegredenen hiertoe waren, is naar het oordeel van de rechtbank gezien het bepaalde in artikel 290/291 Sr niet relevant. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte heeft gehandeld onder de werking van vrees voor ontdekking van de (aanstaande) bevalling.

5.2 Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie en de verdediging zijn van oordeel dat verdachte van de telkens primair in de eerste plaats tenlastegelegde kindermoord dient te worden vrijgesproken.

5.3 Kindermoord of kinderdoodslag

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Bij de beoordeling of er sprake is van kindermoord of kinderdoodslag is beslissend of verdachte voor de bevalling, het besluit heeft genomen haar kind van het leven te beroven.

Feit 1

Verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank met betrekking tot de zwangerschap van [SLACHTOFFER 1] verklaard dat op het moment dat ze erachter kwam dat ze zwanger was er ook meteen het besluit was dat niemand het mocht weten. Nadat op 19 november 2006 de vliezen waren gebroken, is verdachte weer gaan slapen. Uit niets is gebleken dat ze toen of daarvoor bezig was met het idee dat ze moest gaan bevallen. Pas toen het kind geboren was en begon te huilen, is ze in paniek geraakt en heeft ze, in een eerste paniekreactie, haar hand op zijn mond en neus heeft gelegd. Daarna heeft ze een kussen gepakt en dat in plaats van haar hand op zijn neus en mond gelegd tot hij niet meer bewoog. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verdachte al in een eerder stadium het besluit had genomen de baby na de bevalling van het leven te beroven. De rechtbank komt tot de conclusie dat er sprake is van kinderdoodslag en acht kindermoord niet bewezen.

Feit 2

Met betrekking tot de zwangerschap van [SLACHTOFFER 2] heeft zij verklaard dat ze datzelfde paniekgevoel als bij [SLACHTOFFER 1] had. Ze heeft verklaard dat het besluit eigenlijk al was genomen, niemand mocht het weten. Er zijn wel momenten geweest dat ze zich heel bewust was van het feit dat ze ongewenst zwanger was en geprobeerd heeft op alternatieve manieren de zwangerschap te beëindigen. Ook heeft ze een afspraak gemaakt bij de Bloemenhovenkliniek om daar een abortus te ondergaan maar daar is ze uiteindelijk niet naar toe gegaan. Op de vraag of zij ooit heeft overwogen [SLACHTOFFER 2] in leven te laten heeft zij geantwoord: “nee, ik heb nooit een toekomst gezien van mezelf als moeder of moeder van dat specifieke kindje. Ook de tweede keer, ook de zwangerschap van [SLACHTOFFER 2] ben ik niet bezig geweest met de bevalling of met wat er de eerste keer was gebeurd. Dat is geen moment in me opgekomen”. Naar het oordeel van de rechtbank was er in het tweede geval wel een aantal malen sprake van een moment van bezinning maar daarmee is niet bewezen dat zij toen ook het besluit heeft genomen haar kind van het leven te beroven. De rechtbank komt ook hier tot de conclusie dat er sprake is van kinderdoodslag en acht kindermoord niet bewezen.

5.4 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair in de eerste plaats en onder feit 2 primair in de eerste plaats is tenlastegelegd, te weten kindermoord, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat feit 1 primair in de tweede plaats en feit 2 primair in de tweede plaats wettig en overtuigend is bewezen, met dien verstande dat:

Feit 1 primair in de tweede plaats.

zij in de periode van 1 november 2006 tot en met 30 november 2006, te Enschede, als moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, haar kind kort na de geboorte opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte bij dat kind kort na de geboorte de mond dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden, ten gevolge waarvan dat kind is overleden;

Feit 2 primair in de tweede plaats.

zij op 4 mei 2008, te Enschede, als moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, haar kind bij de geboorte opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet nagelaten bij dat kind bij de geboorte de navelstreng die zich tijdens en na de geboorte om hals bevond te verwijderen en de ademweg van dat kind vrij te maken, ten gevolge waarvan dat kind is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair in de tweede plaats en feit 2 primair in de tweede plaats meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 290 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair in de tweede plaats en feit 2 primair in de tweede plaats:

telkens het misdrijf: “kinderdoodslag”.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op het rapport van 3 juli 2009, opgemaakt door klinisch psycholoog mw. C.W. van Deutekom en psychiater A.C. Bruijns, beiden vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht en de toelichting op dat rapport die de psychiater en de psycholoog als getuige-deskundigen hebben gegeven ter zitting van respectievelijk 16 november 2009 en 21 augustus 2009. Daaruit komt naar voren dat verdachte een jonge vrouw is die in intellectueel opzicht zeer begaafd is maar die in haar dagelijks functioneren gehinderd wordt door een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Er is tevens sprake van forse traumatisering, dysthymie en alcoholmisbruik. Kenmerkend voor de stoornis is een sterke vervreemding van zichzelf en haar omgeving, een zwakke identiteit, een negatief zelfbeeld en een gestoorde gevoelshuishouding. Dit komt onder meer naar voren in ernstige gevoelens van vervreemding en een geneigdheid om met dissociatie te reageren op hevige gemoedsbewegingen, een gebrekkige gewetensvorming en een geneigdheid om impulsief te reageren. Ze is in staat om zich oppervlakkig aan te passen aan haar omgeving waardoor het zicht op haar problematiek ontnomen wordt. Door haar krachtige vermogens om te intellectualiseren en te rationaliseren loopt ze in het mes van haar intelligentie, draait ze zichzelf en de omgeving een rad voor ogen en maakt ze zich ongrijpbaar. De conclusie van de deskundigen luidt dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar was.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusie en neemt deze over.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair in de tweede plaats en feit 2 primair in de tweede plaats, te weten kinderdoodslag, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman wijst op het ingrijpende karakter van terbeschikkingstelling met verpleging. Het betreft de zwaarste modaliteit waarin de gedwongen behandeling juridisch vorm kan krijgen. Hij verzoekt de rechtbank de zaak aan te houden teneinde de mogelijkheden van

een TBS met voorwaarden of een klinische opname bij bijzondere voorwaarde te onderzoeken. Hij betoogt dat nu de omgeving van verdachte zeer alert is, verdachte volledige openheid van zaken heeft gegeven en bovendien zeer gemotiveerd is voor behandeling, het recidivegevaar beperkt is en ook zou kunnen worden weggenomen door een minder verstrekkende maatregel, zoals een behandeling in een voorwaardelijk kader in combinatie met een strakke begeleiding.

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de bepaling van de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de onderzoeken op de terechtzittingen en over haar persoon opgemaakte en ter terechtzitting nader door de getuige-deskundigen toegelichte rapport. Ook is over verdachte een vroeghulprapport en een voorlichtingsrapport opgemaakt door mevrouw Belshof, rapporteur bij het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering. De rechtbank heeft hiervan kennis genomen.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Feiten

Verdachte heeft in november 2006 uit vrees voor ontdekking van de bevalling haar pasgeboren kind, dat zij [SLACHTOFFER 1] heeft genoemd, om het leven gebracht door met haar hand en een kussen zijn mondje en neusje dicht te drukken waardoor hij is gestikt. In mei 2008 heeft zij een tweede pasgeboren kindje, dat zij [SLACHTOFFER 2] heeft genoemd, uit vrees voor ontdekking van de bevalling van het leven beroofd, door met opzet na te laten de navelstreng, die zich tijdens de geboorte om hals van [SLACHTOFFER 2] bevond, te verwijderen, waardoor hij is overleden. Het gaat hier om ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft twee pasgeborenen die volledig van haar afhankelijk waren van het leven beroofd. Zij heeft de kinderen geen enkele kans gegeven. De onderhavige feiten hebben een schok veroorzaakt, niet alleen voor familieleden en degenen die de lijkjes hebben gevonden, maar ook in ruimere zin in de samenleving, die ontdaan heeft gereageerd.

Straf

Hoewel de feiten een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, houdt de rechtbank er sterk rekening mee dat doodslag gepleegd door een moeder uit vrees voor de ontdekking van de bevalling door de wetgever, gelet op het daarop gestelde strafmaximum van zes jaren, als aanzienlijk minder strafwaardig wordt beschouwd dan doodslag als bedoeld in artikel 287 Sr.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze blijken uit de inhoud van het rapport van de deskundigen en uit hetgeen ter terechtzitting aan de orde is geweest. Voorts blijkt dat verdachte voor beide feiten verminderd toerekeningsvatbaar is en dat behandeling van de ernstige persoonlijkheidsproblematiek noodzakelijk is. Het behoeft geen betoog dat het de voorkeur verdient dat met die behandeling zo spoedig mogelijk wordt begonnen. Daarbij geldt dat de op te leggen TBS met verpleging mogelijk langdurige beperking van de vrijheid van verdachte met zich brengt. Ook dat leidt tot beperking van de duur van een gevangenisstraf. Ten slotte is van belang dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank ziet in al deze omstandigheden redenen om een gevangenisstraf op te leggen als door de officier van justitie gevorderd. Met deze gevangenisstraf kan echter niet worden volstaan.

Maatregel

De beide deskundigen adviseren aan verdachte een terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen.

Volgens de deskundigen was er bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis, met bijkomende antisociale kenmerken. De ziekelijke stoornis wordt gevormd door het langdurig en ernstig misbruik van alcohol.

Ook bestaat er volgens de deskundigen gevaar voor recidive, met name op de middellange en lange termijn. Zij baseren dit op de ernstige onderliggende persoonlijkheidsstoornis. Verdachte kan zichzelf en anderen een rad voor ogen draaien en is verbaal erg sterk. Het zal moeilijk zijn om tot haar door te dringen. Haar copingsstijl is dat ze haar gevoelens niet tot zich door laat dringen De eenzaamheid van de bevallingen en het gedood hebben van de kinderen, is een ernstige beschadiging voor iemand die al een persoonlijkheidsstoornis heeft. Ook tijdens de onderzoeken is gebleken dat verdachte dissociatief reageert. Volgens de deskundigen zal alleen de maatregel van TBS met verpleging afdoende zijn om het recidiverisico te beperken en een adequate behandeling te garanderen.

Verdachte dient te worden opgenomen in een kliniek om, ook op momenten dat de motivatie wegvalt, continuering van de behandeling te garanderen. Een minder vergaande maatregel, zoals TBS met voorwaarden achten zij, in verband met de ernst van de stoornis en de maximale behandelduur van vier jaar, niet afdoende om het recidivegevaar te beperken.

De rechtbank is, gelet op het advies van de deskundigen, van oordeel dat er een reëel gevaar is dat verdachte zonder adequate behandeling weer eenzelfde misdrijf zal begaan. Hoewel het recidivegevaar niet acuut is en naar het oordeel van de rechtbank gerelateerd is aan (zwangerschap en) moederschap in de toekomst, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van verdachtes persoonlijkheidsstoornis, de behandeling van verdachte geruime tijd in beslag zal nemen. De rechtbank is van oordeel dat, nu de inschatting is dat het recidivegevaar niet binnen vier jaar tot aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht en een adequate en duurzame behandeling zoveel mogelijk moet worden gegarandeerd, niet kan worden volstaan met bijzondere voorwaarden of een TBS met voorwaarden en een intramurale behandeling in het kader van een TBS met verpleging dient te volgen. Aangezien voldaan is aan de wettelijke voorwaarden van de artikelen 37a en 37b, telkens onder lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, zal de rechtbank de terbeschikkingstelling gelasten en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd. Dit impliceert dat het verzoek van de raadsman om de zaak aan te houden, om de mogelijkheden van een TBS met voorwaarden of een klinische opname bij bijzondere voorwaarde, te onderzoeken wordt afgewezen.

9. Het beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een matras, een hoeslaken, een AH plastic tas, een kledinghanger en breinaalden

(nrs. 2, 3, 4, 5 en 10) met behulp waarvan het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De inbeslaggenomen brieven, USB-stick, foto en enveloppe (nrs. 1, 6, 7, 8, 9) dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 36c, 37a, 37b, 57, 290 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair in de eerste plaats en onder feit 2 primair in de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 primair in de tweede plaats en onder feit 2 primair in de tweede plaats tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair in de tweede plaats en onder feit 2 primair in de tweede plaats meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair in de tweede plaats en feit 2 primair in de tweede plaats:

telkens het misdrijf “ kinderdoodslag”

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 primair in de tweede plaats en

feit 2 primair in de tweede plaats bewezenverklaarde.

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld;

- beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Beslag

- Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen met de nrs. 1, 6, 7, 8, 9, te weten;

- twee brieven,

- een USB-stick,

- een foto

- een enveloppe;

- Gelast onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen met de

nrs. 2, 3, 4, 5 en 10, te weten:

- een matras,

- een hoeslaken,

- een AH plastic tas,

- een kledinghanger,

- breinaalden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.M. Bordenga, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. S. Taalman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier en

is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2009.