Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BK3556

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
99208 / HA ZA 09-35
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbaar handelen Saxion door aan studenten bij voltooiing van de Hbo-opleiding Master of Arts Health Care and Social Work ten onrechte de graad Master of Arts toe te kennen, dan wel in het vooruitzicht te stellen. Dwaling. Schending mededelingsplicht Saxion. Vernietiging studieovereenkomsten. Saxion is gehouden de schade, waaronder het betaalde studiegeld, te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 5

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 99208 / HA ZA 09-35

datum vonnis: 18 november 2009 (lm)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [Eiseres],

wonende te Dedemsvaart,

2. [Eiseres],

wonende te Dedemsvaart,

3. [Eiseres],

wonende te Delft,

4. [Eiseres],

wonende te Gemert,

5. [Eiser],

wonende te Hengelo,

6. [Eiseres],

wonende te Zutphen,

7. [Eiseres],

wonende te Apeldoorn,

8. [Eiseres],

wonende te Lichtenvoorde,

9. [Eiseres],

wonende te Lichtenvoorde,

10. [Eiseres],

wonende te Borculo,

11. [Eiseres],

wonende te Urk,

12. [Eiser],

wonende te Almelo,

13. [Eiser],

wonende te Amersfoort,

14. [Eiser],

wonende te Deventer,

15. [Eiseres],

wonende te Wageningen,

[Eisers] in conventie,

gedaagden in voorwaardelijke reconventie,

hierna ook gezamenlijk te noemen [Eisers],

advocaat mr. A.J.A. van Dijk te Amsterdam,

tegen

de stichting Stichting Saxion,

statutair gevestigd te Rijssen-Holten,

gedaagde in conventie,

[Eiseres] in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen Saxion,

advocaat mr. F.J. van der Vaart te Enschede.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie met producties;

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in voorwaardelijke reconventie met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in voorwaardelijke reconventie met producties;

- de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie met producties;

- de akte uitlating producties aan de zijde van Saxion.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Saxion biedt vanaf februari 2002 de hbo masteropleiding “Master of Arts Health Care and Social Work” aan, een tweejarige deeltijdopleiding verzorgd door de Saxion Hogescholen met vestigingen in Deventer en Enschede. [Eisers] zijn allen student of ex-student aan deze door Saxion aangeboden opleiding en gestart met de opleiding in de periode van 2002 tot en met 2004.

2.2. In de door Saxion uitgegeven en voor aanvang van de studie door [Eisers] ontvangen informatiebrochure over voornoemde opleiding staat onder meer het volgende vermeld:

“Als afgestudeerde in Master of Arts Health Care and Social Work beschikt u over een academisch denk- en werkniveau (…).”;

“In de masteropleiding verwerft u beroepscompetenties in samenhang met academische competenties. Deze academische competenties duiden het niveau aan waarop men mag verwachten dat u als afgestudeerde functioneert.” en

“Een aansprekende titel

De opleiding leidt op tot Master of Arts. Als afgestudeerde heeft u recht op de titel MA.”.

In de studiegids 2003-2004 staat onder meer vermeld: “Afgestudeerde studenten mogen de titel Master of Arts (MA) voeren.”.

In de studiegids 2004-2005 staat onder meer: “Afgestudeerde studenten mogen op grond van de kandidaatsregistratie van de DVC voor drie cohorten (2002, 2003 en 2004) de titel Master of Arts (MA) voeren. Maar vanwege de nieuwe wetgeving en de komst van de NAO staat dit ter discussie. De titel zou dan kunnen worden: (professional) Master of Health Care/Social Work.

2.3. [Eisers] sub 1 tot en met 12 hebben de opleiding met succes afgerond en hebben daarvoor een getuigschrift/diploma uitgereikt gekregen. In dat getuigschrift/diploma staat onder meer het volgende:

“Ingevolge de registratie in het kandidaatsregister van de Dutch Validation Council verleent het College van Bestuur van Saxion Hogescholen aan de geëxamineerde de graad Master of Arts Health Care and Social Work. Dit geeft betrokkene het recht de graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. Ook mag betrokkene de titel Master of Arts voeren, afgekort tot MA achter de naam.”.

[Eisers] sub 13 tot en met 15 staan op dit moment nog ingeschreven aan de opleiding en hebben nog geen getuigschrift/diploma ontvangen.

2.4. Op 22 maart 2005 neemt de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO, in mei 2003 door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC&W) ingesteld naar aanleiding van de per 1 september 2002 in het Nederlands hoger onderwijs ingevoerde bachelor-masterstructuur), het besluit strekkende tot positieve beoordeling van de aanvraag Toets nieuwe opleiding hbo-master Health Care and Social Work van Saxion Hogescholen.

2.5. Zowel de afgestudeerde [Eisers] als de (nog) niet afgestudeerde [Eisers] ontvingen in respectievelijk mei 2008 en september 2008 een brief waarin Saxion hen onder meer het volgende mededeelt:

“Wij zijn onlangs geconfronteerd met wat de wet voorschrijft rondom graadverstrekking, hetgeen betekent dat het ons niet is toegestaan om de genoemde graad van Master of Arts te verstrekken bij diplomering.”

In de brief van mei 2008 wordt aan de betrokken niet-afgestudeerde [Eisers] medegedeeld dat bij diplomering een getuigschrift met daarop vermeld de graad Master of Health Care & Social Work zal worden verstrekt. In de brief van september 2008 wordt aan de betrokken reeds afgestudeerde [Eisers] eenmalig de mogelijkheid geboden het reeds verstrekte getuigschrift om te wisselen voor een getuigschrift met de graad Master Health Care and Social Work.

2.6. Op 8 oktober 2008 vindt vervolgens een bijeenkomst plaats tussen Saxion en

[Eisers] waarin met elkaar van gedachten wordt gewisseld over de ontstane problematiek met betrekking tot de Master of Arts titel.

2.7. [Eisers] heeft bij brief van 12 november 2008 aan Saxion verzocht om uiterlijk

19 november 2008 duidelijkheid te verschaffen over het standpunt van de minister. Op

5 december 2008 beantwoordt minister Plasterk van OC&W vragen van kamerlid Besseling over de kwestie. Op de vraag of de minister alsnog erkenning wil realiseren van de afgegeven diploma’s aan de groep studenten bij Saxion antwoordt hij als volgt: “Nee. In de gevallen bij andere hogescholen heb ik niet ingegrepen. Dat zal ik hier evenmin doen. De wet is vanaf de invoering van de bamastructuur en accreditatie duidelijk geweest over wat deze inhielden voor de instellingen en de opleidingen. Ingeval van ingrijpen van mijn kant zou dat precedentwerking hebben en zou onduidelijkheid ontstaan over het niveau van wo-masters. Ook zijn enkele hogescholen al veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding; er is ten aanzien van deze studenten van Saxion geen sprake van een unieke situatie.”.

2.8. [Eisers] hebben zich vervolgens tot de rechtbank gewend om een uitspraak in het tussen hen en Saxion ontstane geschil te verkrijgen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [Eisers] vorderen samengevat - primair:

- de studieovereenkomsten tussen Saxion en [Eisers] te vernietigen onder opheffing van de daaruit voor [Eisers] voorvloeiende verplichting om het genoten onderwijs en ontvangen getuigschriften en diploma’s aan Saxion terug te leveren;

- Saxion te veroordelen tot terugbetaling aan ieder van [Eisers] het per eiser aan Saxion betaalde studiegeld ad € 12.300,=;

en subsidiair:

- de studieovereenkomst tussen Saxion en [Eisers] te ontbinden;

- Saxion te veroordelen tot terugbetaling aan ieder van [Eisers] het per eiser aan Saxion betaalde studiegeld ad € 12.300,=;

alsmede primair:

- voor recht te verklaren dat Saxion onrechtmatig jegens [Eisers] heeft gehandeld en dat Saxion gehouden is de uit dat onrechtmatig handelen ontstane, door [Eisers] geleden en nog te lijden, schade aan [Eisers] te vergoeden;

- Saxion te veroordelen tot betaling aan [Eisers] van de door [Eisers] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- Saxion te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. Saxion voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.3. Saxion vordert, voor het geval in conventie de primaire vordering tot vernietiging of de subsidiaire vordering tot ontbinding wordt toegewezen, veroordeling van [Eisers] tot betaling van een bedrag gelijk aan het door Saxion te restitueren studiegeld, met veroordeling van [Eisers] in de kosten van het geding in reconventie.

3.4. [Eisers] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [Eiseres] sub 2, heeft bij conclusie van repliek haar vordering

tegen Saxion ingetrokken, zodat enkel de vordering van [Eiseres] sub 1 en [Eisers] sub 3 tot en met 15 nog inhoudelijk dient te worden beoordeeld. Waar hierna gesproken wordt over

[Eisers] en [Eisers] zal daarom niet langer ook [Eiseres] sub 2 worden bedoeld.

4.2. Kern van het geschil is of Saxion verwijtbaar heeft gehandeld jegens [Eisers] door aan hen bij voltooiing van de opleiding Master of Arts Health Care and Social Work de graad Master of Arts (verder te noemen MA) toe te kennen, dan wel in het vooruitzicht te stellen, en Saxion gelet daarop gehouden is om de door [Eisers] gestelde materiële en immateriële schade te vergoeden.

4.3. [Eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat Saxion niet bevoegd was de graad MA toe te kennen aan studenten die de opleiding Master of Arts Health Care and Social Work volgden. Saxion wist dat, althans behoorde dat reeds in 2002 te weten. Zoals ook na 22 maart 2005 toen Saxion wist dat zij [Eisers] nog slechts een hbo-mastertitel kon verlenen. Saxion heeft de op haar dienaangaande rustende informatieplicht geschonden.

4.4. De opleiding Master of Arts Health Care and Social Work is een postinitiële masteropleiding op hbo-niveau.

4.5. Artikel 7.3b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) luidt als volgt:

“Naast de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, worden binnen het hoger onderwijs onderscheiden:

a. postinitiële masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, en

b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.”

4.6. Artikel 7.10a van de WHW, zoals dat vanaf 1 september 2002 luidt, bepaalt over het verlenen van graden en toevoegingen het volgende:

“1. Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd "of arts" dan wel "of science".

2. Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd.

3. Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a of b, heeft afgelegd.

4. Het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, voegt aan een graad toe de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.”

4.7. In de Memorie van Antwoord, ontvangen op 8 mei 2002, bij het op 1 oktober 2001 ingediende wetsvoorstel inzake de wijziging van onder meer de WHW (Kamerstukken I, 2001-2002, 28 024, nr. 232c) staat op pagina 39 onder meer het volgende vermeld:

“Artikel 7.10a. Verlening van graden

De leden van de CDA-fractie vragen of het juist is dat de hbo-instellingen zelf mogen bepalen welke graden zij gaan verlenen aan hun afgestudeerden en het accreditatieorgaan zal beoordelen of de vlag de lading wel dekt. (…)

Het is juist dat de hogescholen in beginsel zelf binnen het kader van het voorgestelde artikel 7.10a aangeven welke benaming zij voor een graad gebruiken. De instelling voegt aan de graad de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld toe waarop de opleiding betrekking heeft.” De toevoegingen «of arts» en «of science» zijn evenwel voorbehouden aan wetenschappelijke bachelor- en masteropleidingen.”

4.8. Artikel 1.12a van de WHW bepaalt het volgende:

“Aan de met goed gevolg afgelegde examens van opleidingen als bedoeld in artikel 7.3b, verzorgd door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.”

4.9. Vaststaat tussen partijen dat Saxion bij de start van de opleiding Master of Arts Health Care and Social Work aan [Eisers] in het vooruitzicht heeft gesteld dat de opleiding opleidt tot Master of Arts en dat na afstuderen de titel MA door hen mag worden gevoerd. Voorts staat vast tussen [Eisers] sub 1 en 3 tot en met 12 en Saxion dat Saxion hen bij de voltooiing van de opleiding Master of Arts Health Care and Social Work de graad MA heeft toegekend.

4.10. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1.12a, 7.3b en 7.10a van de WHW is het Saxion tenminste sedert 1 september 2002 niet toegestaan om de toevoeging “of Arts” vast te stellen voor de door haar te verlenen Mastergraad. Alleen in het wetenschappelijk onderwijs kan aan een graad “of Arts” worden toegevoegd. Uit artikel 1.12a van de WHW blijkt dat die bevoegdheid evenmin bestaat nadat aan de door Saxion verzorgde postinitiële masteropleidingen accreditatie is verleend of voormelde opleidingen positief zijn beoordeeld in het kader van de toets nieuwe opleiding als bedoeld in de WHW. Dat artikel verwijst immers naar artikel 7.10a van de WHW waaruit volgt dat enkel in het wetenschappelijk onderwijs aan een graad “of Arts” kan worden toegevoegd. In dit kader is ook van belang de brief van de HBO-raad van 27 juni 2002 ( zie productie 29 bij conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie) waarin de HBO-raad alle hogescholen in Nederland heeft bericht dat toevoegingen aan de graad op het getuigschrift of science en of arts niet zijn toegestaan en dat het onrechtmatig voeren van deze titels strafbaar is (zie ook de rechtbank Utrecht in haar uitspraak van 25 april 2007, LJN: BA7812).

4.11. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat Saxion wist, althans behoorde te weten dat zij in ieder geval sedert september 2002 niet bevoegd is de graad MA toe te kennen aan studenten, zodat zij deze graad niet in het vooruitzicht kon en mocht stellen aan [Eisers]. De aan [Eisers] sub 1 en 3 tot en met 12 verleende MA graad is dan ook niet rechtsgeldig. De aan [Eisers] sub 13 tot en met 15 in het vooruitzicht gestelde MA graad kan eveneens niet rechtsgeldig worden verleend.

4.12. Saxion heeft betoogd dat de datum 22 maart 2005 (datum accreditering NVAO) als waterscheiding dient te worden gehanteerd, in die zin dat volgens haar eerst vanaf die datum duidelijk is dat het Saxion niet is toegestaan bij voltooiing van de door haar aangeboden opleiding de graad MA toe te kennen, maar enkel de graad Master. Dat betoog van Saxion kan, mede gelet op de hiervoor aangehaalde wetgeving die reeds geldt vanaf 2002, niet slagen. De rechtbank is met [Eisers] van oordeel dat het moment van 22 maart 2005 slechts het moment markeert waarop Saxion gerechtigd is aan de opleiding een hbo-master te verlenen, hetgeen niets afdoet aan het feit dat Saxion nimmer gerechtigd is geweest een MA titel te verlenen. Dat de wetgeving reeds vanaf 2002 helder is en dat er nadien geen wijziging is opgetreden in het al dan niet mogen verlenen van Master of Arts graden blijkt eveneens uit de beantwoording van één van de aan minister Plasterk van OC&W gestelde kamervragen: Op de vraag van kamerlid Besseling “Kunt u uiteenzetten op welke wijze hier het overgangsrecht geregeld is voor studenten die vóór het ingaan van mogelijke wijzigingen al studeerden op een erkende opleiding welke oorspronkelijk wel gerechtigd was om dergelijke universitaire masterdiploma’s af te geven?” antwoordt de minister als volgt: “Er is geen sprake van een wijziging in het systeem. In 2002 is de bachelor-masterstructuur ingevoerd. Vanaf dat moment is de graad Master of Arts voorbehouden aan het wetenschappelijk onderwijs. Voor die tijd had de graad Master of Arts geen wettelijke status en werd deze verleend aan een veelheid aan opleidingen. Er was geen sprake van overgangsrecht in de wet. Daaraan bestond geen behoefte omdat er tot de invoering van de bamastructuur geen mastergraden in de zin van de WHW bestonden.”.

4.13. Tussen Saxion en ieder van [Eisers] afzonderlijk is een studieovereenkomst tot stand gekomen. Saxion heeft, als onderwijsaanbiedende instelling, [Eisers] immers een aanbod zoals vermeld in de informatiebrochure gedaan, welk aanbod door [Eisers] is aanvaard. [Eisers] mochten er, in tegenstelling tot hetgeen Saxion betoogt, gelet op de inhoud van de door Saxion uitgegeven informatiebrochure en de studiegids, zoals hiervoor weergegeven onder 2.2., gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij door het volgen van de opleiding academische competenties zouden verwerven en dat hen na voltooiing van de studie de titel MA zou worden toegekend. Saxion heeft daarmee de indruk gewekt dat zij wetenschappelijk onderwijs aanbiedt dan wel bevoegd is om de universitaire graad MA te verlenen aan [Eisers]. Het stelselmatig refereren aan de kwaliteitsoordelen van de Dutch Validation Council (DVC) benadrukt die vermeende bevoegdheid bovendien. Saxion heeft overigens aan [Eisers] sub 1 en 3 tot en met 12 ook daadwerkelijk de titel MA toegekend. Aan een aantal [Eisers] bovendien na 22 maart 2005, in ieder geval blijkens de bij dagvaarding overgelegde producties aan [Eiseres] sub 3 (15 december 2006) en aan [Eiseres] sub 4 (22 februari 2008). Het verweer van Saxion dat het in dit geval gaat om Nederlandse studenten die weten van de hoed en de rand in Nederlands onderwijsland, kan haar niet helpen daar waar zij als onderwijsinstelling zelf de zorgplicht heeft correcte informatie te verschaffen over de inhoud en de vorm van het onderwijs dat zij aanbiedt en de aard van het te behalen diploma. Vanzelfsprekend mag van Saxion als onderwijsinstelling, meer dan van [Eisers] als studenten, worden verwacht op de hoogte te zijn van het Nederlandse onderwijssysteem.

4.14. [Eisers] stellen voorts dat zij mochten verwachten met de MA graad een wetenschappelijke titel te hebben verworven dan wel te verwerven in die zin dat zij na het voltooien van de opleiding de titel doctorandus, afgekort drs., mochten gaan voeren.

4.15. Uit artikel 7.19a en 7.20 lid 1 sub c WHW volgt dat degene die gerechtigd is de graad MA in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, tevens gerechtigd is tot het voeren van de titel drs.. [Eisers] mochten er dan ook vanuit gaan dat zij na toekenning van de graad MA, de titel drs. konden gaan voeren. Anders dan door Saxion betoogd, heeft zij met haar handelen wel degelijk gepretendeerd een wetenschappelijke titel te kunnen verlenen aan [Eisers]

4.16. [Eisers] vorderen primair vernietiging van de studieovereenkomsten die zij elk afzonderlijk met Saxion hebben gesloten omdat deze volgens hen onder invloed van bedrog of dwaling tot stand zijn gekomen. Saxion betwist dat er sprake is van bedrog. Er kan sprake zijn van bedrog als komt vast te staan dat Saxion de onbevoegdheid tot verlening van de titel MA, daar waar zij dat had moeten melden aan [Eisers], opzettelijk heeft verzwegen met de bedoeling om [Eisers] tot het aangaan van de studieovereenkomst te bewegen. Vaststaat dat Saxion onjuiste mededelingen heeft gedaan aan [Eisers] Zij heeft immers ten onrechte aan [Eisers] medegedeeld dat zij bevoegd is om hen bij de voltooiing van de opleiding Master of Arts Health Care and Social Work de graad MA te verlenen. Uit de stellingen van [Eisers] kan echter niet worden afgeleid dat Saxion willens en wetens die onjuiste mededelingen heeft gedaan teneinde [Eisers] ertoe te bewegen de opleiding te gaan volgen. Het beroep op bedrog kan dan ook niet slagen.

4.17. De tweede grondslag voor de gevorderde vernietiging van de studieovereenkomsten slaagt wel. De studieovereenkomsten zijn door [Eisers] gesloten onder invloed van dwaling. [Eisers] verkeerden ten onrechte in de veronderstelling dat zij na een succesvolle afronding van de door Saxion aangeboden opleiding Master of Arts Health Care and Social Work de titel MA zouden mogen gaan voeren. Aannemelijk is hun stelling dat zij bij een juiste voorstelling van zaken de studieovereenkomsten niet zouden hebben gesloten met Saxion. [Eisers] stellen dat de dwaling te wijten is aan (onjuiste) mededelingen van Saxion. Saxion betwist dat. Zoals hiervoor reeds overwogen in 4.13. is de rechtbank van oordeel dat Saxion als onderwijsinstelling de zorgplicht heeft correcte informatie te verschaffen over de inhoud en de vorm van het onderwijs dat zij aanbiedt en de aard van het te behalen diploma. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een niet mis te verstane verantwoordelijkheid. Immers, aspirant-studenten maken op grond van het opleidingenpakket dat onderwijsinstellingen aanbieden hun keuze voor een opleiding, welke keuze de basis vormt van hun toekomstperspectief. Het diploma en in samenhang daarmee de titel die na het succesvol afronden van de studie gevoerd mag worden, maakt van dat toekomstperspectief wezenlijk onderdeel uit en is van belang voor de kansen op de arbeidsmarkt. [Eisers] mochten afgaan op de juistheid van de door Saxion gedane mededelingen. Dat Saxion over meer kennis van zaken terzake het door haar aangeboden onderwijs beschikt, dan wel behoort te beschikken, dan [Eisers] is hiervoor reeds overwogen. Saxion heeft haar mededelingsplicht geschonden, althans heeft zij onjuiste mededelingen gedaan die tot dwaling hebben geleid als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder a BW. Zo er al sprake is van een onderzoeksplicht aan de zijde van [Eisers], hetgeen overigens uiterst summier is gesteld door Saxion, dan is deze ondergeschikt aan de mededelingsplicht van Saxion. Overigens valt op dat Saxion ook na 22 maart 2005, aan welke datum zij zelf naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte een belangrijke betekenis wil toekennen, niet onmiddellijk [Eisers] heeft geïnformeerd.

Het verweer van Saxion dat het in dit geval gaat om een teleurgestelde toekomstverwachting en dat [Eisers] daarom geen succesvol beroep kunnen doen op dwaling, treft geen doel. De dwaling betreft immers de status van de opleiding bij het aangaan van de studieovereenkomst en niet de toekomstige vraag of de studie met succes kan worden afgerond.

4.18. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de tussen [Eisers] en Saxion gesloten studieovereenkomsten vernietigen.

Uit die vernietiging vloeit voort dat Saxion, conform de vordering van [Eisers] gehouden is het betaalde studiegeld te retourneren. Het verweer van Saxion dat in geval van vernietiging aan haar de waarde moet worden vergoed van het door [Eisers] in ieder geval genoten onderwijs, wijst de rechtbank af. Naar het oordeel van Saxion moet die waarde worden gesteld op de omvang van het betaalde collegegeld. Aldus zouden [Eisers] via een omweg en ondanks de vernietiging van de studieovereenkomst toch het collegegeld betalen voor een studie die zij naar de rechtbank aannemelijk acht niet zouden hebben willen volgen als zij niet onder invloed van dwaling tot het volgen van juist deze studie zouden zijn gekomen. De rechtbank oordeelt dat voor de door Saxion gewenste waardevergoeding onder de omstandigheden van deze zaak geen redelijkheidsbasis aanwezig is (zie artikel 6:210 lid 2 BW.)

4.19. [Eisers] hebben gevorderd om te worden ontheven van de verplichting om het genoten onderwijs terug te leveren. De rechtbank overweegt dat het genoten onderwijs een niet stoffelijk product is dat naar zijn aard niet teruggegeven kan worden, ongeacht de vraag of daartoe al dan niet een verplichting zou bestaan. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering reeds op die grond niet toewijsbaar is. Evenzeer acht de rechtbank niet toewijsbaar de vordering van [Eisers] om te worden ontheven van de verplichting om getuigschriften en diploma’s terug te leveren. De vordering van [Eisers] is nu juist gebaseerd op de stelling dat aan hen ten onrechte een diploma is uitgereikt dat de titel MA met zoveel woorden verleent. De uitgereikte getuigschriften zijn derhalve in zoverre onjuist en voor [Eisers] onbruikbaar. Door het gebruik zouden [Eisers] ten onrechte de indruk wekken over een rechtsgeldige MA titel te beschikken. Zoals Saxion gehouden is een juist geformuleerd diploma uit te reiken, zo zijn [Eisers] gehouden om het onjuist geformuleerde diploma te retourneren.

4.20. Nu de primaire vordering tot vernietiging van de studieovereenkomst wordt toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de subsidiaire vordering tot ontbinding van die overeenkomst en de gevolgen daarvan.

4.21. [Eisers] vorderen ook op grond van hun stelling dat Saxion onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Vooreerst overweegt de rechtbank dat een vordering uit onrechtmatige daad zelfstandig kan bestaan naast een vordering uit hoofde van dwaling, nu de onrechtmatige daad, indien aanwezig, onder omstandigheden tot andere vorderingen ter wegneming van de gevolgen kan leiden dan de vordering uit hoofde van dwaling.

De rechtbank oordeelt dat het handelen van Saxion onder de omstandigheden als geschetst tevens onrechtmatig jegens [Eisers] is, en dat dit handelen en die gedragingen aan Saxion kunnen worden toegerekend. Saxion heeft bij [Eisers] de indruk gewekt dat zij als onderwijsinstelling bevoegd is om de MA graad te verlenen en de MA graad in het vooruitzicht van [Eisers] gesteld, alsmede de MA graad onbevoegd aan [Eisers] sub 1 en 3 tot en met 12 toegekend, waarmee [Eisers] sub 1 en 3 tot en met 12 in het bezit zijn van een niet-rechtsgeldige MA graad. Ook jegens [Eisers] sub 13 tot en met 15 is het handelen en het gedrag van Saxion onrechtmatig, nu ook zij, net zoals de overige [Eisers], in hun studie tijd en geld hebben geïnvesteerd onder invloed van onzorgvuldig handelen van Saxion bestaande uit het niet verstrekken van juiste informatie aan [Eisers] omtrent de status van die studie en de daarmee te behalen graad. Saxion dient de schade die [Eisers] als gevolg van dit onrechtmatig handelen lijden, te vergoeden.

4.22. Voor toewijzing van de vordering tot schadevergoeding nader op te maken bij staat is het voldoende dat [Eisers] de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk maken. Dat hebben [Eisers] gedaan. Reeds het enkele feit dat een universitaire graad in de maatschappij anders wordt gewaardeerd dan een hbo-graad, roept de mogelijkheid van schade in het leven (zie in dat verband ook de rechtbank ’s Hertogenbosch in haar uitspraak van 15 april 2009, die als productie 27 is gevoegd bij de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie). De vordering tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, is dan ook toewijsbaar. Het spreekt vanzelf dat in die procedure de schade per individuele eiser moet worden bepaald.

4.23. Saxion heeft zich in conventie beroepen op ongerechtvaardigde verrijking waarvan sprake zou zijn indien en voor zover op [Eisers] geen ongedaanmakingsverplichting zou rusten. De rechtbank oordeelt dat in het midden kan blijven de vraag of de uitsluitend geestelijke verrijking van [Eisers] die zich uiteindelijk door aan Saxion te verwijten nalatigheid niet heeft vertaald in de in het vooruitzicht gestelde wetenschappelijke titel, als een ongerechtvaardigde verrijking zou kunnen worden aangemerkt, nu immers, zelfs als daarvan sprake zou zijn, de redelijkheid die zijn basis vindt in het bepaalde in artikel 6:212 lid 1 BW aan toewijzing van de vordering tot verrekening van Saxion in de weg zou staan. De rechtbank acht de toe te passen redelijkheidstoets binnen de bijzondere context van deze zaak in dit geval niet anders dan de toets die heeft geleid tot haar oordeel zoals dat met betrekking tot de toepassing van het bepaalde in artikel 6:210 lid 2 BW is neergelegd onder 4.18. van dit vonnis.

4.24. De stelling van Saxion dat [Eisers] geen belang meer bij hun vorderingen zouden hebben doordat Saxion aan alle studenten een aanbod heeft gedaan tot restitutie van het betaalde collegegeld, het verstrekken van een nieuw getuigschrift en het faciliteren van een aanvullende studie via de universiteit van Birmingham, gaat niet op. Niet staat op voorhand vast dat dit aanbod de mogelijke individuele schade van de studenten dekt of dat alle studenten de mogelijkheid zouden hebben om hun studie via de universiteit van Birmingham te continueren. Bovendien is het voorstel van Saxion gekoppeld aan een tijdslimiet die per 1 februari 2009 verstreek.

4.25. De rechtbank oordeelt derhalve dat de vorderingen in conventie toewijsbaar zijn op de wijze en tot een omvang als hierna te formuleren. Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient Saxion te worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie.

in voorwaardelijke reconventie

4.26. Nu de studieovereenkomsten tussen [Eisers] en Saxion worden vernietigd en in conventie niet wordt geoordeeld tot het bestaan van een toewijsbare ongedaanmakingsverplichting aan de zijde van [Eisers], is de voorwaarde voor de eis in reconventie ingetreden. Saxion stelt dat [Eisers] de waarde van het door [Eisers] genoten onderwijs aan Saxion dienen te vergoeden en vordert veroordeling van [Eisers] tot betaling van een bedrag gelijk aan het door Saxion te restitueren studiegeld.

4.27. De rechtbank neemt hier over hetgeen zij in conventie heeft overwogen met betrekking tot het aldaar door Saxion op dezelfde rechtsgronden geformuleerde beroep op verrekening ( zie met name onder 4.18.) De rechtbank acht (derhalve) ook in reconventie geen gronden aanwezig voor toewijzing van de vordering van Saxion. De vordering kent onder de specifieke omstandigheden van deze zaak, waarin het collegegeld is betaald voor een wetenschappelijke studie waarmee naar zeggen van Saxion een academische graad zou kunnen worden behaald, geen redelijkheidsbasis.

4.28. De vordering in reconventie is derhalve niet voor toewijzing vatbaar. Saxion dient als in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure in reconventie te dragen.

5 De beslissing

De rechtbank:

In conventie

5.1. vernietigt de tussen ieder van [Eisers] en Saxion gesloten studieovereenkomsten met betrekking tot de opleiding Master of Arts Health Care and Social Work;

5.2. veroordeelt Saxion tot betaling aan ieder van [Eisers] van het door hen betaalde

studiegeld ad € 12.300,00 (twaalfduizenddriehonderd euro), dan wel een zodanig lager bedrag als door een of meer van [Eisers] daadwerkelijk uit hoofde van studiegeld is betaald;

5.3. verklaart voor recht dat Saxion jegens ieder van [Eisers] onrechtmatig heeft

gehandeld;

5.4. veroordeelt Saxion tot vergoeding van de daardoor ontstane schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.5. veroordeelt Saxion in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [Eisers] begroot op een bedrag van € 4.145,44 aan verschotten (griffiegeld en dagvaardingskosten) en een bedrag van € 2.842,00 aan het salaris van de advocaat;

in reconventie

5.6. wijst af de vorderingen van Saxion;

5.7. veroordeelt Saxion in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [Eisers] begroot op een bedrag van € 2.842,00 aan het salaris van de advocaat;

in conventie en in reconventie

5.8. bepaalt dat Saxion na volledige betaling van de uit hoofde van de in dit vonnis

onder 5.5. en 5.7. genoemde door haar verschuldigde bedragen aan één van [Eisers] jegens de anderen van [Eisers] zal zijn gekweten;

5.9 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.10. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Vermeulen en op 18 november 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.