Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BK3214

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
315116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek van werknemer/leraar. Verzoek heeft, zo is overwogen, karakter van een schadevergoedingsactie ex artikel 7: 681 BW. De leraar heeft tegen de beslissing hem te ontslaan beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep. Deze commissie moet nog beslissen. Ingegaan wordt op het verband tussen de voorwaardelijke ontbindingsbeslissing van de kantonrechter en op de nog te nemen beslissing van het Commissie van Beroep. De kantonrechter acht het oordeel over de stelling van de werkgever/schoolbestuur dat de leraar disfunctioneerde voorbehouden aan de Commissie van Beroep.Indien het ontslag geen stand houdt wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden en aan de werknemer een vergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2010, 19
AR-Updates.nl 2009-0852
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector kanton * locatie Almelo

Zaaknummer 315116 EJ VERZ 09 – 1521

Beschikking 5 november 2009 (jho)

Beschikking

van de kantonrechter te Almelo in de rechtbank Almelo in de zaak van

wonende te …

verzoeker, hierna ook wel verzoeker te noemen

gemachtigde mr F.J van der Vaart, advocaat te Enschede

en

Stichting QUO VADIS

statutair gevestigd te Deventer

verweerster, hierna ook wel Quo Vadis, Toermalijn, de school of de werkgeefster te noemen

gemachtigde mr J.A. Keijser van de Besturenraad te Voorburg

Het procesverloop

1. Op 24 augustus 2009 is ter griffie van de sector kanton ingekomen het verzoekschrift met bijlagen van verzoeker, houdende verzoek ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek tot ontbinding van der partijen arbeidsovereenkomst.

2. Op 11 september 2009 is daarna binnengekomen de brief van mr Van der Vaart namens verzoeker waarbij aanvullende producties in het geding worden gebracht.

3. Het op 11 september 2009 gedateerde verweerschrift van Quo Vadis komt die dag per fax binnen, waarna op 15 september 2009 het origineel wordt ontvangen. Bij brief van

15 september 2009 heeft de gemachtigde van Quo Vadis aanvullende producties toegezonden ten behoeve van de behandeling.

4. De mondelinge behandeling heeft op 18 september 2009 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader mondeling toegelicht en door hun gemachtigden doen bepleiten. Mrs Van der Vaart en Keijser hebben zich daarbij bediend van pleitaantekeningen. Deze zijn gehecht aan de van de behandeling gemaakte aantekeningen, evenals de door verzoeker ter zitting voorgedragen schriftelijke verklaring.

5. Naar aanleiding van het behandelde ter zitting hebben partijen zich nog even met elkaar verstaan omtrent een regeling in der minne. Met zijn brief van 22 september 2009 (ontvangen op 23 september 2009) heeft mr Van der Vaart vervolgens beschikking verzocht, te wijzen voor 1 oktober 2009.

6. De kantonrechter heeft daarna bij brief van 29 september 2009 via de griffier aan partijen doen weten dat het voor hem onmogelijk is voor 1 oktober 2009 beschikking te wijzen. Bij brief van 30 september 2009 heeft mr Van der Vaart namens verzoeker vervolgens verzocht alsnog beschikking te wijzen na 1 oktober 2009, waarbij wordt verzocht het verzoekschrift nader aan te merken als een voorwaardelijk verzoekschrift.

7. De inhoud van alle voormelde processtukken geldt als hier ingelast en herhaald.

8. De beschikking is uiteindelijk op vandaag bepaald. Door werkdruk kwam de kantonrechter er werkelijk niet eerder aan toe.

De beoordeling van het verzoek, zoals dat na wijziging luidt, en de motivering van de beslissing

1. De kantonrechter zal het verzoek alsnog aanmerken als een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een billijke vergoeding. Hij is zich ervan bewust dat de wens van verzoeker om alsnog voorwaardelijk te beslissen verband houdt met het feit dat het niet gelukt is om de beschikking in deze zaak op het oorspronkelijk verzoek (ruim) voor 1 oktober 2009 te geven en uit te spreken. In de brief van de griffier van 29 september 2009 is uitgelegd waarom dat niet mogelijk was.

2. Krachtens na te noemen Ontslagbesluit van de school zou de arbeidsovereenkomst per

1 oktober 2009 eindigen, behoudens nadere, andersluidende beslissing van de Commissie van Beroep voor het Protestants Christelijk Basis-, Speciaal en Voortgezet Speciaal Onderwijs in Leidschendam. Verzoeker heeft tegen het Ontslagbesluit van 29 juni 2009 beroep ingesteld bij die Commissie. Uit mededelingen van partijen begrijpt de kantonrechter dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de behandeling bij de Commissie zou plaatsvinden voor de aangezegde ontslagdatum 1 oktober 2009. Verzoeker heeft uitstel van behandeling verzocht en voorts of vervolgens het onderhavige verzoekschrift ex artikel 7:685 BW bij de kantonrechter ingediend. De behandeling door de Commissie voor Beroep zal plaatsvinden op 11 november 2009, zo meent de kantonrechter te hebben begrepen. Volgende week dus.

3. Omdat het niet is gelukt om voor 1 oktober 2009 deze beschikking uit te spreken is de ontslagdatum een feit geworden. Het gehandhaafde ontbindingsverzoek is daarom als voorwaardelijk aan te merken. Immers kan na te melden beslissing, mits het verzoek door verzoeker niet alsnog zou worden ingetrokken op uiterlijk na te noemen datum, slechts effect sorteren indien door de Commissie van Beroep het beroep van verzoeker gegrond zou worden verklaard en het Ontslagbesluit van 29 juni 2009 zou worden vernietigd. In dat geval zou de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht herleven, althans zou de school gehouden zijn om op dezelfde condities een nieuwe overeenkomst met verzoeker aan te gaan. Voor die situatie verzoekt verzoeker mitsdien nu de ontbinding door de kantonrechter.

4. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) gemotiveerd weersproken zomede door de inhoud van producties het navolgende genoegzaam vast. Verzoeker is op 12 januari 1951 geboren. Hij is sinds 1973 werkzaam in het onderwijs en heeft blijkens zijn curriculum Vitae tijdens zijn carrière functies bekleed als leerkracht, adjunct-directeur, directeur en leerkracht op verschillende scholen. In april 1998 is hij in dienst getreden van Stichting Quo Vadis, dan wel de rechtsvoorganger van die stichting, als leerkracht. Feitelijk is hij te werk gesteld bij de basisschool voor speciaal onderwijs Toermalijn in Almelo.

5. Tussen april 1998 en heden heeft verzoeker in totaal ongeveer vijf jaar niet gewerkt. Meestal wegens ziekte. Vanaf oktober 2008 is hij door de school vrijgesteld van werkzaamheden in verband met het onderhavige arbeidsconflict. Aanvankelijk werkte verzoeker als groepsleerkracht. Vanaf 2006 is hij ingezet als onderwijsassistent. Tussen partijen is al geruime tijd sprake van discussie omtrent de vraag of verzoeker wel of niet naar behoren zou (kunnen) functioneren als leerkracht in het speciaal onderwijs. In verband daarmee heeft verzoeker een aantal onderzoeks- en begeleidingstrajecten aangeboden gekregen en geaccepteerd. Zoals uit de stukken en de toelichting daarop blijkt gaat het daarbij achtereenvolgens – onder mogelijk nog meer – om het coachingstraject door Bakker (Expertis), een persoonlijkheidsonderzoek HSK (om persoonlijkheidsproblematiek uit te sluiten), het zogeheten Vervangingsfonds (heer Wind), Flageolet (coaching) en Impuls (mevrouw Brouwer) voor beoordeling in de klas tijdens lessen.

6. Op de in het Ontslagbesluit van 29 juni 2009 (productie 1 bij verzoekschrift) nader uiteengezette gronden is de school verkort zakelijk weergegeven van mening dat het functioneren van verzoeker in een klas met speciaal onderwijskinderen onvoldoende is en dat ondanks alle gesprekken, onderzoeken en begeleidingsvormen geen verbetering tot een acceptabel niveau te bereiken valt. Zij acht verzoeker als groepsleerkracht ongeschikt voor het speciaal onderwijs en ook voor het reguliere onderwijs. Daarnaast of subsidiair is zij onder verwijzing naar voorbeelden (punt 9 verweerschrift) van oordeel dat het onvoldoende functioneren een gewichtige omstandigheid is die een zelfstandige grond voor het ontslag vormt als bedoeld in artikel 3.8 sub 7 van de CAO voor personeel in het onderwijs (PO) . Nader stelt de school dat zij veel heeft geïnvesteerd in gesprekken en trajecten die het niveau van verzoeker op een hoger, acceptabel plan zouden kunnen brengen. Over de kritiekpunten is regelmatig gesproken. Zij memoreert dat verzoeker ondanks pogingen daartoe in de afgelopen zes jaar er niet in geslaagd is om de tweejarige opleiding speciaal onderwijs (OSO) met succes af te ronden; hij is intussen van verdere deelname uitgesloten. Een diploma bedrijfshulpverlening (BHV) is vervallen omdat hij geen herhalingslessen heeft gevolgd.

7. De kantonrechter stelt vast dat de breuk tussen partijen in volle omvang zichtbaar is geworden toen de heer …, directeur van Toermalijn, naar aanleiding van observaties van mevrouw Brouwer van het Bureau Impuls Organisatieadvies in de periode vanaf 30 september 2008 in de klas van verzoeker, aan het bestuur van Quo Vadis heeft aangegeven dat volgens mevrouw Brouwer sprake was van een pedagogisch onveilig klimaat voor de kinderen in de klas van verzoeker. Het bestuur heeft verzoeker daarop op non-actief gesteld, waarna besprekingen zijn begonnen over een vertrek van verzoeker in het kader van een regeling in der minne. Quo Vadis meende dat een dergelijke regeling op 10 december 2008 bereikt was na mondelinge accordering van een vaststellingsovereenkomst met daarin een financiële paragraaf:

€ 20.000,00 bruto en daarnaast op declaratiebasis € 5.000,00 inclusief BTW voor outplacement. Vanaf 26 maart 2009 laat verzoeker zich bijstaan door een andere gemachtigde dan die van CNV Onderwijs die hem tot het gesprek op 10 december 2008 had begeleid. Zijn huidige gemachtigde heeft de school laten weten dat verzoeker alsnog niet akkoord gaat met de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, waarna de school de procedure leidende tot het Ontslagbesluit van 29 juni 2009 is begonnen.

8. Verzoeker betwist zeer gemotiveerd en gedetailleerd de kritiek van de school op zijn functioneren en de daaraan door de school gekoppelde conclusie omtrent zijn ongeschiktheid voor speciaal en regulier onderwijs en de gewijzigde omstandigheid. Daarvan getuigen het uitvoerige verzoekschrift, de bijgevoegde producties en zijn statement ter zitting. Het steekt verzoeker in het bijzonder dat ingezette trajecten nooit volledig zijn afgerond en dat de spelregels en uitgangspunten voor die trajecten niet duidelijk zijn gemaakt. Met betrekking tot de laatste fase, de beoordeling door Impuls in de klas, vindt hij het niet terecht, zo begrijpt de kantonrechter zijn standpunt, dat al na drie klassenbezoeken is gestopt. Bij het HSK traject zou verzuimd zijn om aanvullend nog een sterkte – zwakte analyse (SZA) te maken en dat traject beschouwt hij als niet afgemaakt. Daarbij voelt hij zich op achterstand gezet omdat hij de proeflessen moest doen na een periode van vijftien maanden waarin hij als leerkracht geen eindverantwoordelijkheid in de klas had gehad, terwijl hij er voorts op wijst dat het afmaken van de OSO hem moeilijk, zo niet onmogelijk is gemaakt omdat hij op school geen leerkracht meer mocht zijn maar als ‘slechts’ onderwijsassistent werd ingezet.

9. Voorop zij gesteld dat naar het oordeel van de kantonrechter de echte inhoudelijke discussie over de feiten en omstandigheden die verband houden met het antwoord op de vraag of naar onderwijsmaatstaven wel of niet sprake was van een zodanig disfunctioneren dat de kwalificatie onbekwaam en of ongeschikt voor het speciaal en het regulier onderwijs op zijn plaats is, bij de Commissie van Beroep behoort te worden gevoerd. Het is niet voor niets dat voor onderwijspersoneel ingevolge de CAO gewerkt wordt met Ontslagbesluit en toetsing van zo’n besluit door een deskundige beroepscommissie uit datzelfde onderwijs. Verzoeker heeft ervoor gekozen twee wegen te bewandelen, waarbij het zijn voorkeur had gehad dat de kantonrechter eerder dan de Commissie van Beroep zijn oordeel zou geven omtrent het gerezen geschil. Afhankelijk van de beslissing van die rechter zou hij dan de keuze kunnen maken de beslissing van de rechter te accepteren, waardoor langs die weg via ontbinding in plaats van ontslag per 1 oktober 2009 een eind aan de arbeidsrelatie zou komen.

10. Met de school is de kantonrechter wel de mening toegedaan dat de strategie van verzoeker, gevoegd bij de inhoud van zijn verzoekschrift en het petitum daarvan in het licht van de in gang gezette beroepsprocedure waarin – kennelijk – voor toekenning van een additionele vergoeding naar billijkheid, vergelijkbaar met de ontbindingsvergoeding in een 7:685 BW procedure in verband met de gevolgen van het ontslag geen ruimte is, meer het karakter heeft van een vordering ex artikel 7:681 BW wegens kennelijk onredelijk ontslag dan een rechttoe-rechtaan 7:685 BW ontbindingsprocedure. Immers verzoekt verzoeker beëindiging van het dienstverband via ontbinding van de overeenkomst en daarmee verschilt de hoofdinzet van het geding niet van het genomen Ontslagbesluit. De pijn bij verzoeker zit hem in het feit dat aan het Ontslagbesluit geen additionele vergoeding is gekoppeld, terwijl hij het eerder in het kader van minnelijke regeling aangeboden bedrag te laag vindt. Hij zou bij acceptatie daarvan de komende jaren teveel nadeel lijden. Het verzoek is gericht op toekenning van een billijke vergoeding analoog aan de vergoeding die in een artikel 7:681 BW procedure aan de orde zou kunnen komen.

11. Hoezeer het verzoekschrift ook meer het karakter van een kennelijk onredelijk ontslag vordering heeft, het kan een werknemer niet worden belet om een ontbindingsverzoek aan de kantonrechter voor te leggen zolang aan de arbeidsovereenkomst formeel nog geen einde is gekomen. Het verzoek is op 24 augustus 2009 binnengekomen en daarmee is verzoeker formeel ontvankelijk en behoort inhoudelijk (nader) te worden overwogen en beslist. De beperking van een ontbindingsprocedure als de onderhavige is dat, anders dan bij 7:681 BW, geen plaats is voor een gedegen feitenonderzoek, zo nodig en mogelijk met bewijslevering door getuigen en met mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter in zo’n bodemprocedure. In een dergelijke procedure kan ook de procespositie van de school beter uit de verf komen omdat het ook haar de mogelijkheid biedt om getuigenbewijs te leveren omtrent haar standpunt.

12. Als de opties de revue passeren dan ontstaat het volgende beeld. Door het Ontslagbesluit is er ontslag per 1 oktober 2009. De Commissie van Beroep behandelt op 11 november 2009 het beroep. Haar beslissing kan een ongegrondverklaring van het beroep zijn en dan “kleeft” het ontslag volgens het Ontslagbesluit. Ziet de kantonrechter het goed dan staat voor verzoeker vervolgens de meergenoemde 7:681 BW procedure ten dienste. De Commissie kan het beroep gegrond verklaren en in dat geval herleeft de arbeidsovereenkomst. Als overwogen heeft een beslissing in de onderhavige procedure slechts effect indien laatstgenoemde optie zich voordoet. Maar het effect is er wel als verzoeker de kantonrechterbeslissing accepteert door het rekest niet in te trekken. De vraag is echter of hij in dat geval wel werkelijk wil wat hij nu vraagt. Materieel zegt hij het met beëindiging van het dienstverband niet eens te zijn en nog een kans te willen bij een school onder de vlag van Quo Vadis. Hij zet in op ongedaanmaking van de kwalificatie “ongeschikt of onbekwaam voor speciaal en regulier onderwijs”. Met een geaccepteerde ontbinding, welke in voorwaardelijke vorm zal volgen nu de werknemer die wenst en de werkgeefster zich daarin kan vinden, is het exit in weerwil van een andersluidende beslissing van de Commissie van Beroep. De kantonrechter vraagt zich af of verzoeker over dat gevolg voldoende heeft nagedacht. Mogelijk is dat hij het zich wel realiseert en de beslissing omtrent intrekking af laat hangen van de beslissing omtrent de verzochte vergoeding. In geval van intrekking van het onderhavige rekest bij een gegrondverklaring van het beroep door de Commissie zijn partijen weer helemaal terug bij af.

13. Het karakter en de inzet van deze procedure brengen met zich dat de kantonrechter, wellicht onbevredigend voor verzoeker die blijkbaar prijs stelt op een breed gemotiveerd oordeel van de kantonrechter omtrent alles wat hem – in zijn ogen ten onrechte – wordt verweten, dat grotendeels geabstraheerd behoort te worden van de gronden voor ontslag in het Ontslagbesluit. De kantonrechter moet uitgaan van een situatie waarin de Commissie van Beroep het Ontslagbesluit zal vernietigen, althans het beroep van verzoeker daartegen gegrond zal verklaren, omdat de Commissie kort gezegd niet aannemelijk acht dat sprake is van “onbekwaamheid”, “ongeschiktheid” of “gewichtige omstandigheden”. Er zijn dan onvoldoende gronden voor ontslag. En daarmee in beginsel ook voor ontbinding nu het ook daar gaat om wel of niet disfunctioneren of zodanig gewijzigde omstandigheden dat van de verzoeker niet langer gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst in stand wordt gelaten. In het onderhavige geval ligt dat vanwege de stellingen van verzoeker wat anders. Verkort zakelijk weergegeven zegt hij dat er ontbinding behoort te komen omdat door alles wat gebeurd is de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd, immers zijn de arbeidsverhoudingen verstoord, met name die tussen hem en de directeur … van Toermalijn, dat een vruchtbare samenwerking in de toekomst niet meer mogelijk is. De school betwist dat niet. Op die stellingen zal (voorwaardelijk) worden ontbonden.

14. Als de school volgens de Commissie van Beroep wat de ontslaggronden betreft ernaast zou zitten dan is er reden en ruimte voor toekenning van een vergoeding naar billijkheid. Daarbij zijn de factoren salaris en dienstjaren van belang, maar ook wat er met enige mate van zekerheid kan worden aangenomen omtrent de feiten en omstandigheden die ertoe hebben geleid dat partijen niet meer met elkaar verder kunnen. Veel feiten vallen in de categorie “welles – nietes” en een goed oordeel kan daarover zonder nadere bewijslevering, waarvoor in deze rekestprocedure als gezegd geen plaats kan zijn, niet worden gegeven. Wel is voor de kantonrechter het beeld ontstaan van een leerkracht die in zijn carrière een aantal keren van school is gewisseld. Voor zijn komst bij Toermalijn niet met speciaal onderwijskinderen heeft gewerkt. Een leerkracht die tijdens de elf jaren dienstverband veelvuldig (in totaal zo’n vijf jaar) wegens ziekte is uitgevallen. Verzoeker beschikt nog steeds niet over de juiste onderwijsbevoegdheid voor deze categorie leerlingen. Wat er zij van de voorgeschiedenis, eind september en begin oktober 2008 gaat het hem als verantwoordelijk leerkracht niet goed af tijdens lessen en wordt het niet meer verantwoord gevonden hem dat werk (wederom) te laten doen. Wellicht zou hij als onderwijsassistent verder hebben gekund als hij het gewild had en partijen over het salaris eens hadden kunnen worden. Misschien was een traject richting regulier onderwijs nog een mogelijkheid geweest als verzoeker dat eerder had gewild. In elk geval kan verzoeker van de school niet vergen dat zij hem zonder de speciaal onderwijsakte leerkrachtverantwoordelijkheid blijft geven op de Toermalijn.

15. De school heeft veel geïnvesteerd in begeleidingstrajecten. Anders dan verzoeker meent is de kantonrechter van oordeel dat daarbij de beste bedoelingen hebben voorgezeten. Had de school eerder op een afscheid aangestuurd dan was men bij een leerkracht met zoveel uitval in tien of elf jaar niet doorgegaan tot oktober 2008 met een poging verbetering aan te brengen. Het wil er bij de kantonrechter niet in dat de school al deze trajecten heeft verzonnen om verzoeker aan het lijntje te houden en hem uiteindelijk aan de kant te zetten. Daarvoor zijn die trajecten, naast de doorbetaling van salaris, te kostbaar geweest. Als de Commissie van Beroep echter zou bevinden dat hetgeen verzoeker heeft gepresteerd en nog kan presteren niet het predikaat “onbekwaam” en of “ongeschikt” verdient, waarbij denkbaar zou kunnen zijn dat men hem, gelet op zijn curriculum vitae en op de overige informatie, wel bekwaam en geschikt acht voor het regulier onderwijs, en als die Commissie “gewichtige omstandigheden” evenmin aanwezig acht dan is dat wel een omstandigheid die naar maatstaven van billijkheid van (verhogende) invloed moet zijn op de vergoeding.

16. De kantonrechter gaat er in deze beschikking van uit dat verzoeker na ontbinding in aanmerking komt voor de regeling tot zijn 62e en 65e zoals door de school in het verweerschrift en de pleitaantekeningen is aangegeven. Verzoeker behoort er echter goede nota van nemen dat deze beschikking niet bepalend is voor het in aanmerking komen van hem voor die regeling. Hij zal zich zelf in de periode tot 27 november 2009 behoren te vergewissen van zijn aanspraken na ontbinding in een geval als dit waarbij de ontbinding volgt na een eigen verzoek van de leerkracht.

17. Er moet rekening mee worden gehouden dat verzoeker na het einde van het dienstverband niet makkelijk een andere baan in het onderwijs zal vinden waarmee hij een salaris (nagenoeg) gelijk aan zijn tot 1 oktober 2009 genoten salaris zal kunnen verdienen. Hij zal dus aanmerkelijk nadeel van de ontbinding kunnen ondervinden. Los van het hiervoor omtrent zijn functioneren overwogene en zonder daaraan de kwalificaties “onbekwaam” en of “ongeschikt” te verbinden, is het echter wel een feit dat het nu de werknemer zelf is die ontbinding wil. Dat heeft in dit geval, waarin nog andere opties aanwezig zouden kunnen zijn, een drukkende werking op de billijke vergoeding. Bij ongedaanmaking van het ontslag herleeft de arbeidsovereenkomst en ontstaat in theorie een situatie waarin partijen nog eens met elkaar om tafel zouden kunnen gaan, desnoods met hulp van een ter zake kundige mediator, om te zien of een andere regeling in der minne (zoals leerkracht op een reguliere school binnen het cluster van Quo Vadis of daarbuiten of verdergaan als onderwijsassistent) mogelijk is. In dat geval zou het nadeel er niet zijn of zou het aanmerkelijk kleiner zijn. Kortom: na een voor verzoeker gunstige beslissing van de Commissie van Beroep ontstaat een nieuwe situatie die andere kansen biedt, waarbij overleg en een andere oplossing dan ontbinding niet op voorhand voor onmogelijk moeten worden gehouden.

18. Verzoeker kan echter tot zodanig overleg niet worden gedwongen. Het is niet onbegrijpelijk dat hij na alles wat er is gebeurd en in de procedure rond het Ontslagbesluit in diskwalificerende zin over hem is gezegd en geschreven, niet verder kan met Quo Vadis. Indien de Commissie van Beroep tot gegrondverklaring van het beroep zou beslissen dan moet in de ontbindingsprocedure worden aangenomen dat de school haar leerkracht ten onrechte “onbekwaam” en “ongeschikt” heeft genoemd. Dan is sprake van een onnodige beschadiging van verzoeker. Naast hetgeen hiervoor is overwogen over de tekortkomingen in het functioneren van verzoeker en zijn ontbrekende onderwijsbevoegdheid, is het aandeel van de school in de verstoorde verhouding waarin vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is ook een wegingsfactor van belang.

19. Indien het tot ontbinding komt acht de kantonrechter het met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen billijk dat de school aan verzoeker een vergoeding betaalt groot

€ 75.000,00. Daarbij wordt er, als overwogen, vanuit gegaan dat voor de werknemer de regeling geldt als door Quo Vadis aangegeven.

20. Aan verzoeker wordt de gelegenheid gegeven het verzoek uiterlijk op 27 november 2009 in te trekken. In geval van ontbinding worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Als het verzoek wordt ingetrokken behoort verzoeker de proceskosten te dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

Ontbindt der partijen arbeidsovereenkomst, voorzover deze per heden nog of weer zou bestaan, met ingang van 1 december 2009, tenzij verzoeker het verzoek uiterlijk 27 november 2009 intrekt.

Kent in geval van ontbinding aan verzoeker ten laste van Quo Vadis een billijke vergoeding toe ad

€ 75.000,00 ter fine van suppletie op te ontvangen uitkering of lager inkomen in de toekomst en veroordeelt Quo Vadis om dit bedrag in dat geval aan verzoeker te betalen.

Compenseert in geval van ontbinding de proceskosten tussen partijen met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Veroordeelt verzoeker in de kosten van de procedure indien hij gebruik zou maken van het recht om het verzoek (uiterlijk 27 november 2009) in te trekken. De kosten van Quo Vadis worden tot op deze uitspraak begroot op € 600,00 wegens het salaris van de gemachtigde.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr J.H. Olthof, kantonrechter in de rechtbank Almelo en is in het openbaar uitgesproken op donderdag 5 november 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.