Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BK3196

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
09 / 1083 WW44 N1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

"Bouwvergunning voor varkensstallen. Twee dagen nadat de bouwvergunning was verleend, is het bestemmingsplan vernietigd waarop de bouwvergunning was gebaseerd. De schijn bestaat dat het besluit over de bouwvergunning opzettelijk naar voren is gehaald. Uit nader onderzoek moet blijken of dit echt zo is. Intussen wordt de bouwvergunning geschorst wegens strijd met het fair play-beginsel."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 09 / 1083 WW44 N1 V

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

[naam verzoekers],

wonende te [plaats A], verzoekers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, werkzaam bij Milieu-adviesbureau Middelkamp te Almelo,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hof van Twente, verweerder.

Derde partij:

[vergunninghoudster] BV, gevestigd te [plaats A], vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 september 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2009 heeft verweerder een reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een varkensstal en het vergroten/vernieuwen van een varkensstal op het perceel [adres en huisnr.] in [plaats A]

Op 9 juli 2009 hebben verzoekers bezwaar ingediend tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit van 7 september 2007 heeft verweerder de bezwaren van [verzoekster A] en de heer [verzoeker B] niet-ontvankelijk verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 15 oktober 2009 op nader aan te voeren gronden, beroep ingesteld bij deze rechtbank. Gelijktijdig is door verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende het zo spoedig mogelijk stilleggen van de bouw.

Bij tussenuitspraak van 16 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter besloten dat er op dat moment geen spoedeisend belang aanwezig was om, vooruitlopende op de verdere behandeling van het verzoek, een voorlopige voorziening te treffen. Vergunninghoudster had toegezegd de werkzaamheden te staken en gestaakt te houden totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 4 november 2009, waar verzoekers zijn verschenen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigden door mr. S. Boonstra. Tevens is vergunninghoudster daar verschenen in persoon van [namen verzoekers], bijgestaan door haar gemachtigde.

3. Overwegingen

Het geschil

3.1.1. Verzoekers keren zich tegen het besluit van 7 september 2009. In dit besluit heeft verweerder het bezwaar van twee personen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende zijn. Verder heeft hij zijn eerdere besluit gehandhaafd om vergunninghoudster een bouwvergunning te verlenen. Aan dit besluit heeft verweerder, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de aanvraag voor de bouwvergunning voldoet aan alle vereisten, met name ook in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. De bouwvergunning moet daarom volgens verweerder worden verleend.

3.1.2. Verzoekers voeren hiertegen aan, dat [verzoekster A] en [verzoeker B] wel degelijk belanghebbende zijn. Verder stellen zij dat verweerder hun belangen heeft geschaad door opzettelijk versneld op het bezwaar te beslissen. Daardoor is beslist voordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het op dat moment geldende bestemmingsplan vernietigde en vergunningverlening niet meer mogelijk was.

De beoordeling van het geschil

3.2. Volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. Bij de beoordeling van dit verzoek wordt nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat ook de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.3.1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de onderstaande feiten als vaststaand worden aangenomen.

3.3.2. Op 29 augustus 2008 heeft verweerder de bouwaanvraag ontvangen die verweerder op 27 mei 2009 heeft ingewilligd. Op dat moment gold voor de locatie waarvoor de bouwaanvraag is gedaan een bestemmingsplan waarmee de bouwaanvraag niet in overeenstemming was (hierna: het bestemmingsplan).

3.3.3. Op 2 april 2009 is voor deze locatie het bestemmingsplan “Buitengebied 1997, herziening [adres en huisnr.] te [plaats A] -1e herziening” (hierna: het herziene plan) in werking getreden. Het bouwplan is wel in overeenstemming met dit bestemmingsplan.

3.3.4. Verzoekers hebben bij de AbRS beroep ingesteld tegen het herziene plan. De mondelinge behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 2 juli 2009.

3.3.5. Vrijdag 4 september 2009 heeft de bezwaarschriftencommissie van verweerders gemeente schriftelijk advies uitgebracht over het bezwaar van verzoekers tegen de bouwvergunning. Maandag 7 september 2009 heeft verweerder in zijn vergadering beslist het bezwaar ongegrond te verklaren. Nog dezelfde dag is het bestreden besluit verstuurd.

3.3.6. Op woensdag 9 september 2009 heeft de AbRS het herziene plan vernietigd (LJN BJ7185).

3.7.1. Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt, voor zover van belang, dat de reguliere bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan. Deze bepaling bevat een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Als geen van deze situaties zich voordoet, moet de bouwvergunning worden verleend.

3.7.2. Onder toepassing van AbRS 21 december 1999, LJN AA4296 op de thans geldende Wet ruimtelijke ordening en Woningwet, geldt daarbij nog het volgende. In de periode tussen de inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan en de vernietiging van dit plan, is in beginsel dit nieuwe plan het toetsingskader voor de beslissing omtrent het verlenen van bouwvergunning. Wordt tegen die beslissing bezwaar gemaakt, dan volgt uit artikel 7:11 van de Awb dat bij de beslissing op dit bezwaar het alsdan geldende recht moet worden toegepast. Bij een beslissing op bezwaar die ná de vernietiging van het goedkeuringsbesluit wordt genomen, dient het bouwplan derhalve (alsnog) te worden getoetst aan het oude bestemmingsplan. Is de beslissing op bezwaar onder vigeur van het nieuwe plan genomen, en waren burgemeester en wethouders daarom dwingendrechtelijk gehouden bij die beslissing de voorschriften van het nieuwe plan toe te passen, dan behoort daarop in beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter niet te worden teruggekomen.

3.7.3. Alleen als de belanghebbende bij een bouwvergunning, tegelijk met de indiening van het bezwaarschrift tegen de bouwvergunning bij burgemeester en wethouders, een verzoek om schorsing van de goedkeuring van het nieuwe bestemmingsplan indient bij de voorzitter van de AbRS, ligt het in de rede dat burgemeester en wethouders niet op het bezwaar beslissen voordat de voorzitter zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken. Ook kan dan het peilmoment voor het toepasselijke recht niet worden gelegd op een vroeger tijdstip dan dat waarop de voorzitter over de schorsing van het goedkeuringsbesluit heeft beslist. Schorst de voorzitter (alsnog) het bestemmingsplan, dan geldt bij de beslissing op bezwaar het oude plan als toetsingskader. Is de beslissing op bezwaar reeds genomen, dan zal de bestuursrechter in dit geval, anders dan in het algemeen, toch aan het oude plan moeten toetsen.

3.7.4. In het hier berechte geval was ten tijde van de beslissing op bezwaar het herziene plan nog niet vernietigd. Verzoekers hadden geen voorlopige voorziening ingediend tegen dit plan. Zij hadden een dergelijke voorziening gevraagd tegen een ander, vrijwel gelijkluidend plan, maar dit verzoek was door de voorzitter van de AbRS afgewezen. Verweerder diende daarom bij de beslissing op bezwaar te toetsen aan het herziene plan. Omdat het bouwplan in overeenstemming was met het herziene plan en zich ook overigens geen van de in artikel 44 bedoelde weigeringsgronden voordoen, was verweerder op zichzelf gehouden het bezwaar ongegrond ter verklaren.

3.8.1. Het bovenstaande neemt echter niet weg dat het bestreden besluit ook in overeenstemming dient te zijn met het overige geschreven en ongeschreven recht. Onder andere dient bij besluitvorming het zogenoemde fair play-beginsel te worden aangehouden. Dit beginsel houdt onder andere in dat een bestuursorgaan een burger zorgvuldig bejegent, wat kan betekenen dat het bestuursorgaan door het tijdstip van besluitvorming een burger niet onredelijk benadeelt.

3.8.2. In een geval als dit zal het fair play-beginsel niet makkelijk worden overtreden. Zoals overwogen onder 3.7. zijn burgemeester en wethouders gehouden een bouwvergunning te toetsen aan het geldende bestemmingsplan, ook als daartegen beroep aanhangig is. Zij dienen deze vergunning te verlenen als het bouwplan in overeenstemming is met dit plan. Het moment waarop burgemeester en wethouders beslissen zal behalve van wettelijke beslistermijnen ook vaak afhankelijk zijn van vele toevallige factoren. Dit zal de ene keer in het voordeel van de aanvrager van de bouwvergunning uitvallen en de andere keer in het voordeel van degenen die zich tegen de bouwvergunning verzetten. Daar komt bij dat de tegenstanders van de bouwvergunning besluitvorming over de bouwvergunning kunnen tegenhouden door een voorlopige voorziening te vragen tegen het bestemmingsplan.

3.8.3. Het fair play-beginsel kan echter in het geding komen als burgemeester en wethouders, in de verwachting dat een bestemmingsplan zal worden vernietigd en de bouwvergunning niet meer kan worden verleend, opzettelijk de beslissing naar voren halen. Dan bevoordelen burgemeester en wethouders immers de vergunningaanvrager boven de tegenstanders van deze vergunning. Daarvoor bestaat geen reden. De nadruk ligt bij de beoordeling immers op de rechtmatigheid van het bestemmingsplan en daarmee op de rechtmatigheid van het bouwplan, niet op een belangenafweging van burgemeester en wethouders. De bevoordeling van de vergunningaanvrager ligt nog minder in de rede als wordt bedacht dat na vernietiging van het bestemmingsplan, de tegenstanders van de bouwvergunning materieel in hun recht blijken te hebben gestaan.

3.8.4. Als het gaat om overtreding van het fair play-beginsel, heeft verweerder de schijn tegen.

Verweerder heeft één werkdag na de ontvangst van het advies van de bezwaarschriftencommissie zowel op het bezwaar beslist als de beslissing verzonden. Hoewel verweerder op de zitting heeft beweerd dat dit vaker gebeurt, is dit niet nader onderbouwd. Naar algemene ervaringsregels is een dergelijk snelle behandeling van een advies in de bestuurspraktijk ongebruikelijk. Een goede verklaring voor de snelle behandeling is niet gegeven. De termijn voor de beslissing op het bezwaarschrift liep eerst af op 3 oktober 2009. Dat vergunninghoudster aan de geldende milieunormen dient te voldoen is niet zonder meer een verklaring voor de haast. Het is niet inzichtelijk dat dit een zodanig groot belang is of dat vertraging zodanige consequenties zou hebben, dat het bezwaar binnen één werkdag had moeten worden afgehandeld. Was dit wel het geval geweest, dan is niet te begrijpen dat vergunninghoudster niet eerder met de bouw is begonnen. Het bezwaar van verzoekers had immers geen schorsende werking. Ook de gestelde omstandigheid dat verschillende handhavingsverzoeken tegen vergunninghoudster waren ingediend, verklaart de snelheid van werken niet.

Daar komt bij dat verweerder normaliter op dinsdag en niet op maandag vergadert. Op de zitting kon niet worden vastgesteld of slechts dit onderwerp op maandag is afgehandeld of dat de hele vergadering van dinsdag naar maandag is verplaatst. Evenmin is een verklaring gegeven voor een dergelijke verplaatsing.

Verweerder heeft zijn beslissing genomen slechts twee dagen vóór de vernietiging van het bestemmingsplan. Hij heeft met deze vernietiging rekening kunnen houden. De AbRS doet haar uitspraken op woensdag. De uitspraaktermijn in de zaak van het bestemmingsplan was al eenmaal verlengd, zodat de uitspraak ieder moment te verwachten was. Verzoekers hebben er verder op gewezen dat iedere maandag bekend wordt welke uitspraken de volgende woensdag worden gedaan. Ten slotte is op de zitting van de AbRS op 2 juli 2009 ook het punt aan de orde gesteld dat uiteindelijk de reden is geweest voor de vernietiging van het bestemmingsplan. Ook daarmee heeft verweerder dus rekening kunnen houden.

3.8.5. De voorzieningenrechter acht daarom voorshands aannemelijk dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het fair play-beginsel. In de nog volgende bodemprocedure zal dit definitief moeten worden vastgesteld.

3.9.1. De voorzieningenrechter ziet reden het bestreden besluit en het besluit tot verlening van de bouwvergunning te schorsen. Mocht het komen tot een vernietiging van het bestreden besluit, dan zal verweerder in beginsel een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Op dit moment geldt weer het bestemmingsplan waarmee de bouwvergunning strijd is. Op dit moment bestaat daarom de verwachting dat de bouwvergunning niet in stand kan blijven. Omdat om deze reden al tot schorsing wordt overgegaan, hoeven de overige gronden van het verzoek niet meer te worden behandeld.

3.9.2. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter verder reden verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers hebben moeten maken voor de behandeling van dit verzoek. Dit zijn de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. In dat kader wordt één punt toegekend voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting, bij een zaak van gemiddelde zwaarte.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo, recht doende:

- wijst het verzoek toe;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 874,-- door verweerder te betalen aan verzoekers;

- verstaat dat verweerder aan verzoekers het griffierecht ad € 150,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M.E. van Wees, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009

Afschrift verzonden op 12 novermber 2009

IL