Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BK1581

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
08 / 729 WW44 AQ1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vigerende bestemmingsplan bevat niet alleen een plankaart maar ook een indelingskaart.

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of de indelingskaart juridisch bindend is. Die vraag wordt bevestigend beantwoord, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, en artikel 4, derde lid onder e, van de planvoorschriften.

Blijkens de indelingskaart is het perceel aangewezen voor “Wonen E” en “Groen”. De rechtbank constateert dat het bestemmingsplan geen voorschriften bevat voor gronden met de bestemming “Groen”. Voor de juridische consequentie hiervan zoekt de rechtbank aansluiting bij de jurisprudentie met betrekking tot voorschriften waaraan goedkeuring is onthouden. Gelet hierop dient voor de vaststelling van de reikwijdte van een bestemming bij ontbreken van een (deel van de) voorschriften, aansluiting te worden gezocht bij hetgeen naar algemeen gangbare opvatting daaronder wordt begrepen (de Afdeling 10 juni 2009, LJN BI7272). Aangezien het niet algemeen gangbaar is dat woningen worden gebouwd op gronden met de bestemming “Groen”, heeft verweerder terecht geoordeeld dat het bouwplan, vanwege het deels gesitueerd zijn op gronden met de bestemming “Groen”, in strijd is met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 08 / 729 WW44 AQ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[Eiser],

wonende te Deurningen, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Dinkelland,

verweerder,

Derde-belanghebbenden: [derde-belanghebbenden] , wonende te Deurningen.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 27 mei 2008, verzonden 12 juni 2008.

2. Procesverloop

Op 5 april 2004 heeft eiser een schetsplan bij verweerder ingediend voor de bouw van een woning op het perceel [adres] (hierna: het perceel). Bij brief van 4 mei 2005 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat een woning op het perceel niet op overwegende ruimtelijke bezwaren stuit maar dat aan het beoogde type woning (te weten: een zogenaamde notariswoning ) alsmede aan de beoogde situering op het perceel geen medewerking zal worden verleend. Verweerder heeft hierbij aangegeven welke situering voor hem bespreekbaar is en dat hiervoor een vrijstellingsprocedure doorlopen zal moeten worden.

Bij aanvraag van 16 januari 2006, binnengekomen 10 februari 2006, heeft eiser verweerder verzocht hem een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een (ten opzichte van voornoemd schetsplan gewijzigde) woning op het perceel.

Bij brief van 2 mei 2006 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het bouwplan op een drietal onderdelen in strijd is met het bestemmingsplan alsmede dat er diverse zienswijzen van omwonenden bij hem zijn ingediend.

Bij besluit van 8 mei 2007, verzonden 1 juni 2007 (het primaire besluit), heeft verweerder geweigerd vrijstelling (ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO)) en bouwvergunning te verlenen.

Bij brief van 5 juli 2007, aangevuld bij brief van 13 augustus 2007, heeft eiser hiertegen een bezwaarschrift ingediend. De hoorzitting heeft op 25 september 2007 plaatsgevonden. Op 19 februari 2008 is een tweede hoorzitting gehouden.

Bij besluit van 27 mei 2008, verzonden 12 juni 2008 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser gegrond verklaard (wegens onvoldoende motivering), het primaire besluit herroepen en wederom geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 14 juli 2008 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij fax van 11 september 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 1 december 2008 heeft eiser nadere beroepsgronden ingebracht. Bij brief van 30 juli 2009 heeft verweerder nader verweer gevoerd.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 oktober 2009, waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Rutjes en A. Holtkamp, ambtenaren in dienst van verweerders gemeente. Derde-belanghebbenden [derde-belanghebbenden] zijn in persoon verschenen.

3. Overwegingen

Kern van het geschil

In rechte ligt de vraag voor of het bestreden besluit kan worden gehandhaafd. Bij dit bestreden besluit is het primaire besluit herroepen en heeft verweerder, met een verbeterde motivering, wederom geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel.

Wettelijk kader

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden.

De aanvraag om bouwvergunning is op 10 februari 2006 bij verweerder binnengekomen. Gelet hierop en gelet op het overgangsrecht, zoals dat is neergelegd in artikelen 9.5.1 en 9.1.11 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180), is op het bestreden besluit de Woningwet, zoals die luidde op 10 februari 2006 alsmede het ondertussen vervallen artikel 19 van de WRO van toepassing.

Gronden van beroep

Voor zover van belang en samengevat weergegeven voert eiser het navolgende aan.

Eiser stelt dat hij tijdens de bezwaarschriftenprocedure heeft aangegeven bereid te zijn het bouwplan aan te passen. Hij heeft hiertoe een nieuw schetsplan ingediend, waar negatief op is beslist. Eiser constateert dat verweerder heeft verzuimd deze stukken in het geding te brengen, waarna eiser deze stukken zelf heeft ingebracht.

Eiser stelt dat verweerder het advies van de bezwarencommissie heeft gepasseerd zonder valide argumenten, waardoor verweerder in strijd met de wet heeft gehandeld. Eiser voegt hieraan toe dat de bezwarencommissie heeft geadviseerd de bouwvergunning te verlenen. Eiser stelt dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het hieromtrent gestelde in het advies van de bezwarencommissie.

Eiser stelt dat, zo er al vrijstelling van het bestemmingsplan is vereist, verweerder gehouden is die vrijstelling te verlenen. Dat een woning passend is blijkt uit het positieve, ambtelijke, standpunt van de afdeling VROM. Eiser is zelf ook van mening dat een woning op het perceel passend is. Eiser is, anders dan verweerder, van mening dat de wijk niet ‘af’ is; gaten kunnen worden bebouwd met woningen. Omwonenden kunnen geen rechten ontlenen aan de exploitatietekening voor het gebied, waarin is aangegeven dat de huidige groenstrook zal worden gehandhaafd. Verweerder had aanvankelijk dan ook geoordeeld dat de zienswijzen van de omwonenden ongegrond zijn. Thans blijkt dat de zienswijzen van de omwonenden juist de reden zijn geweest om het aanvankelijk positieve standpunt om te buigen tot een negatieve beslissing. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. In dat kader stelt eiser dat verweerder duidelijk en ondubbelzinnig heeft uitgesproken dat hij een bouwvergunning voor het oprichten van een woning op het perceel zal verlenen. Dat er deels gebouwd zal worden in de groenstrook is een gevolg van het opvolgen van verweerders aanwijzingen ten aanzien van de situering. Dit bouwen in de groenstrook mag niet worden gebruikt om de bouwvergunning te weigeren.

Overwegingen van de rechtbank

De omvang van het geding

In rechte ligt enkel en alleen het bestreden besluit voor, waarbij is geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel, conform de bouwtekeningen die behoren bij het primaire weigeringsbesluit d.d. 8 mei 2007. Het schetsplan, dat eiser hangende bezwaar bij verweerder heeft ingediend, kan dan ook niet aan de orde komen in dit geschil. De rechtbank passeert dan ook alle beroepsgronden die betrekking hebben op dat schetsplan.

Ter informatie van eiser en ter voorkoming van onnodige procedures merkt de rechtbank het volgende op. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) blijkt dat de beslissing van verweerder omtrent een schetsplan geen appellabel besluit is (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2002, AB 2002, 285). Dit betekent dat een (eventueel) bezwaarschrift van eiser tegen verweerders beslissing omtrent een schetsplan resulteert in een niet-ontvankelijk verklaring.

Formele aspecten

De bezwarencommissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaarschrift van eiser gegrond te verklaren wegens een onvoldoende motivering, en in plaats van het bestreden (primaire) besluit een nieuw besluit te nemen. Anders dan eiser stelt heeft verweerder dit advies overgenomen, het primaire besluit herroepen en een nieuwe beslissing genomen. Deze nieuwe beslissing betreft het wederom weigeren vrijstelling en bouwvergunning te verlenen, waarbij de motivering is aangepast. Dat de bezwaarschriftencommissie geadviseerd zou hebben dat verweerder gehouden is om het herroepen primaire besluit te vervangen door een besluit tot het verlenen van bouwvergunning, is niet juist. Dit betreft een foutieve lezing van dit advies door eiser.

Ter informatie van eiser merkt de rechtbank op dat de bezwarencommissie een advies uitbrengt aan verweerder maar dat verweerder uiteindelijk een beslissing neemt op het bezwaarschrift. Hierbij kan verweerder besluiten dit advies niet over te nemen. Verweerder dient hierbij te motiveren waarom hij dit advies niet overneemt (artikel 7:13, zevende lid, van de Awb).

Het inhoudelijke geschil

Eiser stelt dat het bouwplan in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan en verwijst ter onderbouwing naar het advies van de bezwarencommissie. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond is gebaseerd op een foutieve lezing van het advies van de bezwarencommissie. Immers, op pagina 5, onderaan, van het advies constateert de commissie het volgende: “Op grond van het vorenstaande stelt de commissie vast dat uw college op juiste gronden heeft vastgesteld dat het onderhavige bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en dat zich daarmee in beginsel een weigeringsgrond voordoet, als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet.” Dit betekent evenwel niet dat de rechtbank deze beroepsgrond zal passeren. De bevoegdheid (tot het nemen van een beslissing inzake vrijstelling; in casu weigeren van de vrijstelling) is een ambtshalve te toetsen aspect. Nu de bevoegdheid tot het nemen van een vrijstellingsbesluit eerst bestaat nadat is gebleken dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, zal de rechtbank ambtshalve beoordelen of hiervan in casu sprake is. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

De bestemming van het perceel is geregeld in het bestemmingsplan “Deurningen-Eschgaarde” (hierna: het bestemmingsplan).

Onder ‘het plan’ wordt blijkens artikel 1, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: planvoorschriften) verstaan: ‘het onderhavige bestemmingsplan, vervat in de plan- en/of indelingskaart met de bijbehorende verklaring en deze voorschriften’.

Artikel 4 van de planvoorschriften is getiteld ‘Woondoeleinden’.

Artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften is getiteld ‘Beschrijving in hoofdlijnen’.

Artikel 4, derde lid onder e, van de planvoorschriften bepaalt, voor zover van belang, dat bij de uitvoering van het plan of gedeelten daarvan de hoofdstructuur en de indeling van het gebied, zoals op de indelingskaart (blad 2) aangegeven, wordt aangehouden.

Gelet op de bewoordingen van artikel 1, eerste lid, en artikel 4, derde lid onder e, van de planvoorschriften zijn zowel de plankaart als de indelingskaart juridisch bindend en moet er worden gebouwd conform de indelingkaart.

Blijkens de plankaart is het perceel aangewezen voor “Woondoeleinden”. Blijkens de indelingskaart is het perceel aangewezen voor “Wonen E” en “Groen”. De beoogde woning is deels gesitueerd op gronden met de bestemming “Wonen E” en deels op gronden met de bestemming “Groen”.

De rechtbank constateert dat het bestemmingsplan geen voorschriften bevat voor gronden met de bestemming “Groen”. Voor de juridische consequentie hiervan zoekt de rechtbank aansluiting bij de jurisprudentie met betrekking tot voorschriften waaraan goedkeuring is onthouden. Gelet hierop dient voor de vaststelling van de reikwijdte van een bestemming bij ontbreken van een (deel van de) voorschriften, aansluiting te worden gezocht bij hetgeen naar algemeen gangbare opvatting daaronder wordt begrepen (de Afdeling 10 juni 2009, LJN BI7272). Aangezien het niet algemeen gangbaar is dat woningen worden gebouwd op gronden met de bestemming “Groen”, heeft verweerder terecht geoordeeld dat het bouwplan, vanwege het deels gesitueerd zijn op gronden met de bestemming “Groen”, in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft dan ook terecht bezien of deze strijd kan worden opgeheven door het verlenen van vrijstelling.

Verweerder heeft daartoe het standpunt ingenomen dat hij weliswaar bevoegd is om de strijd op te heffen middels het verlenen van vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO maar dat hij hiertoe niet bereid is. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit genoegzaam heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval zijn vrijstellingsbevoegdheid niet wil aanwenden. Dat eiser het hiermee inhoudelijk niet eens is, betekent niet dat verweerder zijn besluit onvoldoende zou hebben gemotiveerd.

Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daartoe stelt hij dat verweerder duidelijk en ondubbelzinnig heeft uitgesproken dat hij een bouwvergunning voor het oprichten van een woning op het perceel zal verlenen, mits eiser voldoet aan de aanwijzingen/opmerkingen in verweerders brief d.d. 4 mei 2005.

De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt. In de bewuste brief van verweerder staat het navolgende aangegeven (onderstrepingen door de rechtbank): “(…). Naar onze mening hoeft in beginsel een extra woning niet op overwegende ruimtelijke bezwaren te stuiten. (…). Bovenstaande randvoorwaarden hebben echter gevolgen voor de planologische situatie en het openbare groen. (…). De voortuin en een deel van de woning zullen in de gemeentelijke groenstrook komen te liggen. Hierdoor ontstaat een afwijking van het bestemmingsplan, immers er is bebouwing in de groenstrook gesitueerd. Aan onze eventuele medewerking tbv het bouwplan verbinden wij de volgende voorwaarden:

- Er zal een vrijstellingsprocedure nodig zijn om bebouwing in de groenstrook mogelijk te maken.

- (…).

In deze brief heeft verweerder, anders dan eiser stelt, geen ondubbelzinnige en duidelijke toezegging gedaan dat de gevraagde bouwvergunning verleend zal worden. Voorts impliceert een vrijstellingsprocedure het inventariseren van belangen van zowel eiser, het algemene belang en de belangen van omwonenden, die tegen elkaar afgewogen moeten worden. De uitkomst van een dergelijke belangenafweging kan niet op voorhand worden gegeven.

Voorts blijkt uit de stukken (onder meer bijlage 4 bij de ambtelijke nota, besproken tijdens verweerders vergadering d.d. 8 mei 2007; gehecht aan gedingstuk B24) dat verweerders ambtenaren, voordat eiser zijn aanvraag om bouwvergunning bij verweerder indiende, gesprekken met hem hebben gevoerd. Tijdens die gesprekken is aangegeven dat niet duidelijk is hoe verweerder zal gaan besluiten op (het destijds nog in te dienen) formele verzoek om bouwvergunning, gelet op de bezwaren van omwonenden die destijds bij verweerder kenbaar waren gemaakt.

Ten slotte constateert de rechtbank dat in de jurisprudentie is aanvaard dat burgemeester en wethouders terugkomen op een eerder positief principestandpunt (de Afdeling 8 april 2009, LJN BI0434).

Resumerend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om de strijd met het bestemmingsplan op te heffen middels het verlenen van vrijstelling, dat verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat hij niet bereid is deze bevoegdheid aan te wenden en dat verweerder terecht de bouwvergunning voor het oprichten van een woning op het perceel heeft geweigerd.

Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit kan in rechte in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, en door deze en M.W. Hulsman, griffier, ondertekend

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009

Afschrift verzonden op

mtl