Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BJ9187

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
09 / 959 WW44 N1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 WRO en een lichte bouwvergunning ten behoeve van het oprichten van een antennemast voor mobiele telefonie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 09 / 959 WW44 N1 V

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

1. [naam],

2. [naam],

3. [naam],

4. [naam],

5. [naam],

6. [naam],

7. [naam],

8. [naam],

9. [naam],

10. [naam],

11. [naam],

12. [naam],

13. [naam],

allen wonende of gevestigd te [plaatsnaam], verzoekers,

gemachtigde: L. van Dinter, juridisch adviseur van de Stichting Stralingsarm Nederland te Heesch,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hellendoorn,

verweerder.

Derde-partij: KPN B.V., gevestigd te Den Haag.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder van 27 juli 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2009 heeft verweerder aan derde-partij (hierna: KPN) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een antennemast ten behoeve van mobiele communicatie aan de [adres] te [plaatsnaam]. Bij bezwaarschrift van 7 september 2009 is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij verzoekschrift van 8 september 2009 is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Bij uitspraak van 8 september 2009 heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst tot op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 24 september 2009, alwaar verzoekers onder 1, 3 en 8 in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door S. Dijkstra en M.A. Warnveld, ambtenaren van de gemeente Hellendoorn. Namens vergunninghoudster zijn verschenen K.W.S. de Jong en J. van Haagen.

3. Overwegingen

Toelating derde-partij en ontvankelijkheid verzoekers

3.1.1. Verzoekers hebben aangevoerd dat KPN niet aan het geding mag deelnemen omdat zij slechts indirect belanghebbende is. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. Als vergunninghouder heeft KPN een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit. Zij is belanghebbende in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:26 van de Awb moet zij worden toegelaten tot dit geding.

3.1.2. KPN heeft aangevoerd dat verzoekers niet binnen de wettelijke termijn bezwaar hebben gemaakt tegen het bestreden besluit. Zij zouden daarom volgens KPN niet-ontvankelijk zijn in het hier behandelde verzoek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit betoog slechts deels slagen. Op de zitting hebben de vertegenwoordigers van de gemeente de e-mail getoond waarmee het bezwaar is ingediend. Bij deze e-mail bevindt zich een lijst van personen namens wie bezwaar is gemaakt. Met uitzondering van verzoekers sub 10 en 13 staan alle verzoekers op deze lijst vermeld. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat degene die een bezwaarschrift heeft ingediend een verzoek kan doen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom is slechts het verzoek van [naam] en [naam] niet-ontvankelijk. Daaraan doet niet af dat mogelijk de echtgenoten van deze personen wel bezwaar hebben gemaakt. Een individuele burger kan niet als echtpaar bezwaar maken.

Het geschil

3.2.1. Verweerder heeft aan KPN een bouwvergunning en vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor een mast voor UMTS-antennes. Aan dit besluit heeft verweerder onder andere ten grondslag gelegd, dat geenszins vaststaat dat de antennes tot gezondheidsschade zullen leiden en er evenmin een zodanig vermoeden van gevaar bestaat dat de antennes uit voorzorg niet mogen worden geplaatst.

3.2.2. Verzoekers hebben, kort samengevat, aangevoerd dat verweerder vanwege de gezondheidsrisico’s die UMTS-antennes met zich brengen, had moeten afzien van verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning. Zij onderbouwen hun stelling dat er sprake is van gezondheidsrisico’s met een aantal argumenten en stukken, die hieronder zo nodig zullen worden genoemd. Verder stellen zij dat het voorzorgsbeginsel met zich brengt dat, ook als de risico’s nog niet volledig vaststaan, wordt afgezien van plaatsing van UMTS-antennes. Daartoe wijzen zij op een aantal ontwikkelingen en uitspraken van rechterlijke instanties. Ook die zullen zo nodig hieronder nader worden genoemd. Ook beroepen verzoekers zich op een motie van de gemeenteraad van verweerders gemeente van 16 december 2008 en stellen zij dat de waarde van hun woning door het besluit zal dalen.

De beoordeling van het geschil

3.3. Volgens artikel 8:81 van de Awb kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. Bij de beoordeling van dit verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.

3.4.1. De Wet op de Ruimtelijke Ordening is met ingang van 1 juli 2008 ingetrokken en vervangen door een nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening bepaalt echter, voor zover relevant, dat het recht zoals dat gold vóór 1 juli 2008 van toepassing blijft ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend vóór die datum.

3.4.2. Ook de Woningwet is per 1 juli 2008 gewijzigd. Volgens artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft echter de Woningwet zoals die gold vóór 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen vóór die datum.

3.4.3. In het onderhavige geval is op 18 juni 2008 de bouwaanvraag ontvangen. Deze aanvraag wordt tevens geacht de aanvraag te zijn voor de vrijstelling. Dit betekent dat in deze zaak het recht van toepassing is zoals dat gold vóór 1 juli 2008.

3.5.1. Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). Artikel 44 van de Woningwet bepaalt, voor zover relevant, dat de bouwvergunning mag en moet worden geweigerd, als het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld. De plaatsing van de in geding zijnde antennemast is gepland op een naaldbosperceel gelegen tussen de woningen [adres] en [adres] te [plaatsnaam]. Het perceel is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Buitengebied 1995” en heeft daarin de bestemming “Bos”. De plaatsing van een antennemast is in strijd met deze bestemming.

3.5.2. Artikel 19, tweede lid, van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan kunnen verlenen in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Deze gevallen zijn genoemd in de provinciale Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen van februari 2006 (de zogenoemde ”vrijstellingenlijst”), zoals nadien gewijzigd. Het onderhavige plan voldoet aan de eisen en criteria, zoals die in de vrijstellingenlijst zijn genoemd voor het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Nu het bouwplan voorts is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, is voldaan aan de voorwaarden om vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO te kunnen verlenen.

3.6.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen wetenschappelijk objectieve aanwijzingen zijn dat plaatsing van de UMTS-antennes een risico vormt voor de gezondheid van degenen die in de nabijheid van de antennes verblijven. Evenmin is een zodanige mogelijkheid van gevaar aannemelijk dat verweerder uit voorzorg in redelijkheid niet tot de vrijstelling voor de plaatsing van de antennes heeft kunnen besluiten.

3.6.2. De Gezondheidsraad heeft in verschillende rapporten, het laatst in het zogenoemde Jaarbericht 2008 van 19 maart 2009, uitgesproken dat er geen aanwijzingen zijn dat de elektromagnetische velden van mobiele telefoons en basisstations voor mobiele telefonie gezondheidseffecten hebben op de hersenen of de oorzaak zijn van lichamelijk onverklaarde klachten. Deze conclusies zijn gebaseerd op een uitgebreide en volledige analyse van de relevante wetenschappelijke literatuur. Daarbij wordt steeds de kwaliteit van het onderzoek bezien en komt de raad op basis van alle wetenschappelijke informatie tot een oordeel. De voorzieningenrechter heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze methode en van de conclusies die daaruit voortkomen. De studies die volgens verzoekers hun standpunt onderbouwen, kunnen niet afdoen aan de analyses van de Gezondheidsraad, alleen al omdat veel van deze studies volgens het gemotiveerde oordeel van de Gezondheidsraad van onvoldoende kwaliteit zijn.

3.6.3. Dat de Gezondheidsraad de zogenoemde Interphone-study nog niet bij zijn overwegingen heeft betrokken, is volgens het Jaarbericht 2008 daaraan te wijten dat de eindanalyse van deze wetenschappelijke studie nog niet gereed is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet onzorgvuldig dat de raad slechts aandacht besteedt aan volledig afgeronde onderzoeken. Verder ziet de Interphone-study slechts op de effecten van het gebruik van mobiele telefoons bij het hoofd en niet op de mogelijke effecten van de straling van de antennes van basisstations. Alleen dat laatste is in deze zaak aan de orde.

3.6.4. De voorzieningenrechter ziet geen reden de Gezondheidsraad als onvoldoende deskundig aan te merken en daarom de rapporten van de raad terzijde te schuiven. Dat de commissie die het Jaarbericht heeft opgesteld slechts een beperkt aantal artsen bevat, is daarvoor onvoldoende, gelet op de multidisciplinaire aard van het onderwerp. Verzoekers hebben gewezen op aanklachten tegen medewerkers van de World Health Organization. Deze zien echter niet op leden van de Gezondheidsraad, nog daargelaten dat de aanklachten geenszins zijn bewezen.

3.7.1. Verzoekers hebben zich beroepen op uitspraken van verschillende bestuurlijke en rechterlijke instanties, die volgens verzoekers inhouden dat meer uit voorzorg moet worden gehandeld dan verweerder heeft gedaan. De voorzieningenrechter overweegt echter dat de inschatting van verweerder over de gezondheidsrisico’s van de UMTS-antennes goed is gefundeerd. Dat volgens verzoekers en anderen een andere beleidskeuze zou moeten worden gemaakt als het gaat om het voorkomen van alle mogelijke gezondheidsrisico’s, betekent niet dat ook verweerder gehouden is bij afweging van alle betrokken belangen de plaatsing van de UMTS-antennes te weigeren. Toelating van de antennes is overigens in overeenstemming met Rijksbeleid.

3.7.2. In dit verband hebben verzoekers zich beroepen op een motie van de raad van de gemeente Hellendoorn. Deze motie houdt in dat het college moet bevorderen dat zendmasten en antenneapparatuur zover mogelijk geplaatst worden van woningen en verblijfplaatsen van mensen zoals scholen, als blijkt dat de bewoners en direct belanghebbenden hierover hun zorgen kenbaar maken. Dit beroep slaagt echter niet. Ten eerste kan deze motie verweerder niet rechtstreeks binden, terwijl de motie nog niet is verwerkt in het beleid van verweerder. Ten tweede is, gelet op de overgelegde onderbouwing, voorshands aannemelijk dat de onderhavige locatie voor de antennes uit technisch oogpunt de beste is om ook in de toekomst voldoende capaciteit voor dataverkeer beschikbaar te hebben. Het is niet in te zien dat in die omstandigheden verweerder in redelijkheid vrijstelling had kunnen weigeren, gegeven het ontbreken van aanwijzingen voor gezondheidsrisico’s.

3.8. Verzoekers hebben nog aangevoerd dat door de bouw van de antennes de waarde van hun onroerende zaken zal dalen. De voorzieningenrechter acht het echter voorshands niet aannemelijk dat sprake is van een waardedaling die zodanig is dat verweerder in redelijkheid de vrijstelling niet heeft kunnen verlenen. Mocht sprake zijn van enige waardedaling, dan kunnen verzoekers een verzoek doen tot vergoeding van planschade.

3.9. Gelet op het voorgaande is er geen reden te oordelen dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal blijven. Evenmin is er een andere reden tot het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank zal het verzoek tot het treffen van zodanige voorziening daarom afwijzen. De eerder uitgesproken schorsing vervalt daarmee. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen reden.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo, recht doende:

- verklaart het verzoek van [naam] en [naam] niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek af;

- verstaat dat de op 8 september 2009 uitgesproken schorsing van het bestreden besluit vervalt.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M.E. van Wees, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

G. Kootstra, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2009.

Afschrift verzonden op

PA