Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BJ5359

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
17-08-2009
Zaaknummer
96102 / HA ZA 08-822
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Al daniet gesloten reisovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 96102 / HA ZA 08-822

datum vonnis: 29 juli 2009 (l)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Reisburo Brinkman B.V.,

gevestigd te Enschede,

eiseres,

verder te noemen Brinkman,

advocaat: mr. R. Lassche,

tegen

1. de stichting Stichting Club van 10,

gevestigd te Enschede,

2. [Eiser],

wonende te Oldenzaal,

gedaagden,

verder te noemen de Club van 10 c.s., dan wel de Club van 10 en [Eiser];

advocaat: mr. M.L.C.M. van Kalmthout.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 20 producties;

- de conclusie van antwoord met 26 producties;

- de conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis, met 5 producties;

- de conclusie van dupliek.

Er is vonnis bepaald

De vaststaande feiten

In deze zaak staat het navolgende vast:

a. In verband met haar jubileum wenst de Club van 10 met haar leden, althans een deel daarvan, in mei 2008 een buitenlandse reis te maken. [Eiser] heeft in verband hiermee contact opgenomen met Brinkman.

b. Op 21 november 2007 laat mevrouw [Secretaresse Eiser] (hierna: [Secretaresse Eiser]), als secretaresse werkzaam voor [Eiser], namens de Club van 10 aan Brinkman per e-mail weten dat New York de bestemming van de reis zal zijn. De vertrekdatum is 5 mei 2008 en de retourdatum 9 mei 2008. In het kader van de voorbereiding van de definitieve reis is tevens een voorreis door [Eiser] en Z gepland.

c. Op 4 januari 2008 zendt Brinkman in verband met de reis een offerte aan [Secretaresse Eiser].

d. Begin januari 2008 heeft Brinkman een volledig programma aan [Secretaresse Eiser] doen toekomen, alsmede informatie, met onder andere foto’s, omtrent het

Waldorf Astoria Hotel.

e. Op 7 januari 2008 zendt [Secretaresse Eiser] namens de Club van 10 een mail met onder meer de navolgende inhoud aan Brinkman: “Hierbij wil ik je laten weten dat we kiezen voor het Waldorf Hotel in combinatie met de vlucht van Lufthansa, vertrek vanaf Düsseldorf. (…)”

f. Op 15 januari 2008 zendt mevrouw [Secretaresse Eiser] de definitieve lijst van de aangemelde leden (26) voor de reis naar New York aan Brinkman.

g. Op 16 januari 2008 bericht Brinkman aan [Secretaresse Eiser] dat hij definitief kamers bij het Waldorf Astoria Hotel zal boeken.

h. Bij e-mail van 8 februari 2008 bericht [Secretaresse Eiser] onder meer het volgende aan Brinkman: “Bijgaand de definitieve beslissing inzake de Club van 10. - De groep zal verblijven in het Waldorf Astoria Hotel tijdens de reis in mei. (…)”

i. In de periode van 29 februari 2008 tot en met 6 maart 2008 vindt de voorreis van [Eiser], Z en hun respectievelijke echtgenotes plaats.

j. Op 6 maart 2008 neemt [Eiser] vanuit New York contact op met Brinkman en deelt hem mede dat hij het Waldorf Astoria Hotel ongeschikt vindt voor de

Club van 10.

k. Bij brief van 28 maart 2008 bericht [Eiser] aan Brinkman onder meer: ” (…) willen wij u ook langs deze weg informeren dat wij de volledige boeking bij Brinkman Travel bekend onder de naam Groepsreis Club van 10, inclusief de tickets annuleren. (…) De tickets zullen worden overgenomen door ATP Travel. (…)”

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. Brinkman vordert na vermindering van eis – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Club van 10 c.s. hoofdelijk worden veroordeeld om aan Brinkman te betalen de somma van € 34.838,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2008 tot aan de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.096,16, exclusief BTW, met veroordeling van de Club van 10 c.s. in de kosten van de procedure.

2. Brinkman voert daartoe – kort weergegeven – het navolgende aan. [Eiser] heeft Brinkman benaderd om een geheel verzorgde reis te organiseren voor de Club van 10. Tussen Brinkman en de Club van 10 c.s. is ter zake een definitieve overeenkomst tot stand gekomen. Brinkman heeft voorafgaand aan de overeenkomst uitvoerige informatie over het Waldorf Astoria Hotel in New York aan [Eiser] doen toekomen.

Naar aanleiding van voormelde overeenkomst is Brinkman een contract met New World Travel in de Verenigde Staten aangegaan inzake de kamers in voornoemd hotel en heeft zij de tickets bij de luchtvaartmaatschappij geboekt. Op 8 februari 2008 zijn de kamers definitief geboekt. Brinkman heeft 50 % van de prijs aan New World Travel aanbetaald.

De voorreis die [Eiser], Z en hun echtgenotes hebben gemaakt was bedoeld om met de agent van New World Travel een compleet programma voor de Club van 10 samen te stellen. Op de laatste dag van de voorreis, 6 maart 2008, heeft [Eiser] vanuit New York laten weten dat hij het Waldorf Astoria Hotel ongeschikt vond voor de Club van 10 en hij niet bereid was om met de Club van 10 naar dit hotel te gaan. Ook was [Eiser] niet bereid de annuleringskosten ter zake van de kamers in het Waldorf Astoria Hotel te voldoen.

Bij brief van 28 maart 2008 heeft [Eiser] de volledige reis, inclusief de tickets, geannuleerd. In deze brief wordt tevens vermeld dat de tickets zullen worden overgenomen door ATP. Brinkman wenste uitsluitend de tickets over te dragen indien er 25 % van de annuleringskosten van het hotel zou worden voldaan.

Brinkman vordert, zo stelt zij, nakoming van de overeenkomst, zodat een schadebeperkingsverplichting niet aan de orde is. Uit coulanceoverwegingen heeft zij haar vordering beperkt. Bij conclusie van repliek, overwegingen 43. en 44. betoogt Brinkman geheel subsidiair dat de opzegging geheel te wijten is aan [Eiser] en de Club van 10 en dat zij derhalve jegens Brinkman schadeplichtig zijn.

Met betrekking tot de weren van de Club van 10 c.s. is zij van mening dat er sprake is van een definitieve overeenkomst, waarvoor [Eiser] en de Club van 10 hoofdelijk aansprakelijk zijn. Deze overeenkomst is niet opgezegd, dan wel ontbonden. De bepalingen van artikel 7: 500 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn volgens haar niet van toepassing. Voorts is zij van mening dat aan haar zijde geen sprake is van wanprestatie.

3. De Club van 10 c.s. voeren gemotiveerd verweer tegen de vordering. Op grond van onder meer het navolgende concluderen de Club van 10 c.s. tot afwijzing van de vordering van Brinkman, met veroordeling van Brinkman in de kosten van de procedure.

Zij zijn van mening dat de vordering tegen [Eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. [Eiser] handelde uitsluitend en alleen namens de Club van 10. Indien en voor zover nodig bekrachtigt de Club van 10 in de conclusie van dupliek alle in het kader van de organisatie van de jubileumreis door [Eiser] verrichte rechtshandelingen.

Voorts zijn de Club van 10 c.s. van mening dat de reisovereenkomst met Brinkman is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat tijdens de voorreis zou blijken dat het door Brinkman voorgestelde hotel en het door New World Travel samen te stellen dag- en avondprogramma aansloten bij jubileumdoelstelling van de Club van 10. Die ontbindende voorwaarde is volgens de Club van 10 c.s. ingetreden en er is dan ook geen overeenkomst tot stand gekomen.

Subsidiair zijn zij van mening dat de reisovereenkomst is opgezegd conform artikel 7:503, lid 3 BW. Er is sprake van toerekenbaar tekortschieten aan de zijde van Brinkman. In dit kader merken zij onder meer op dat de voortvarendheid van Brinkman bij het organiseren van de reis te wensen over liet en het dag- en avondprogramma voor de jubileumreis niet aan de doelstelling daarvan en de verwachtingen van de Club van 10 c.s. beantwoordde. Ook het Waldorf Astoria Hotel voldeed niet aan de doelstelling van de jubileumreis en de verwachtingen van de Club van 10 c.s., verwachtingen die vooraf met Brinkman waren besproken.

Indien en voor zover er sprake zou zijn van een aan de Club van 10 toerekenbare omstandigheid als bedoeld in artikel 7: 503 lid 2 BW, dan is de Club van 10 van mening dat Brinkman de door haar geleden schade zal hebben te bewijzen. Zij wijzen in dit kader nog op de schadebeperkingsverplichting van Brinkman. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de Club van 10 c.s. gehouden is enig bedrag aan Brinkman te betalen en tot begroting van de schade overgaat, verzoeken de Club van 10 c.s. – kort gezegd – op analogische toepassing van de ANVR voorwaarden , waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de vliegtickets aan ATP hadden kunnen worden overgedragen.

4. De vordering van Brinkman jegens [Eiser] zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. Voorop staat dat geen vormvoorschriften voor een volmacht zijn voorgeschreven, zodat ook een mondelinge machtiging de Club van 10 kan binden. Gelet op de bekrachtiging van de rechtshandelingen van [Eiser] door de Club van 10 in de conclusie van dupliek gaat de rechtbank ervan uit dat [Eiser] de Club van 10 rechtsgeldig mocht en kon vertegenwoordigen. Uit het voorgaande volgt eveneens dat er van een hoofdelijke aansprakelijkheid geen sprake kan zijn.

5. Het primaire geschilpunt betreft de vraag of er al dan niet sprake was van een overeenkomst onder ontbindende voorwaarde zoals door de Club van 10 is gesteld. Gelet op de e-mail van [Secretaresse Eiser] d.d. 7 januari 2008, waarin is vermeld dat de Club van 10 voor het Waldorf Astoria kiest, en de e-mail d.d. 8 februari 2008, waarin wordt vermeld dat er sprake is van een definitieve beslissing van de Club van 10 ten aanzien van het verblijf in het Waldorf Astoria Hotel, alsmede de brief van 28 maart 2008 van de Club van 10 waarin zij de volledige boeking annuleren, moet het er voor gehouden worden dat er sprake was van een overeenkomst waaraan geen ontbindende voorwaarde was verbonden. Een definitieve beslissing, zoals vermeld in de e-mail van 8 februari 2008, impliceert immers geen voorwaarde, terwijl ook een annulering niet nodig is indien er sprake is van een ontbindende voorwaarde. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat de overige e-mails die voor 8 februari 2008 zijn gewisseld tussen partijen, ook verder geen enkele aanleiding geven om te veronderstellen dat er sprake is van een ontbindende voorwaarde, dan wel dat [Secretaresse Eiser] onder druk voormelde e-mails aan Brinkman heeft gezonden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bewijsaanbod van de Club van 10 als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd passeren.

6. Partijen verschillen voorts van mening omtrent de toepasselijke wetsbepalingen. Weliswaar definieert artikel 7: 500, lid 1 onder b BW een reisovereenkomst als een overeenkomst waarbij een reisorganisator zich jegens zijn wederpartij verbindt tot het verschaffen van een door hem aangeboden van te voren georganiseerde reis, doch gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 april 2002 (C-400/00 Club-Tour) dient ook een op verzoek van de reiziger samengesteld pakket van reisdiensten aangemerkt te worden als een van tevoren georganiseerde pakketreis. In casu is hier sprake van, zodat de bepalingen van Titel 7A van Boek 7 BW van toepassing zijn op de onderhavige reisovereenkomst tussen Brinkman en de Club van 10.

7. Op grond van artikel 7: 503, derde lid BW is de reiziger te allen tijde bevoegd de overeenkomst op te zeggen ongeacht de reden van opzegging. Brinkman bestrijdt dat er sprake is van een opzegging.

De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst, gelet op het telefoongesprek dat Brinkman met [Eiser] op 6 maart 2008 heeft gevoerd en waarvan de inhoud niet door Brinkman is betwist, alsmede de inhoud van de brief van 28 maart 2008 in aanmerking nemende, er sprake is van een opzegging aan de zijde van de Club van 10. De Club van 10 wenste immers de reis bij Brinkman te annuleren.

Gelet op het voorgaande is een vordering tot nakoming niet meer mogelijk en is aan de vordering van Brinkman in zoverre de grondslag ontvallen. Er kan uitsluitend plaats zijn voor een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7: 503, lid 2 BW.

8. Voor een schadevergoeding ex in artikel 7: 503, lid 2 BW is slechts plaats indien en voor zover de oorzaak van de opzegging is gelegen in een omstandigheid die toe te rekenen valt aan de Club van 10.

Door Brinkman is gesteld dat hij op voorhand aan de Club van 10 informatie omtrent het Waldorf Astoria Hotel heeft toegezonden, terwijl uit de stellingen van de Club van 10 blijkt dat zij zich op voorhand ook nog nader hebben geïnformeerd. Het moet er derhalve voor gehouden worden dat de Club van 10 voldoende op de hoogte waren van de omvang en het karakter van het hotel, zodat zij ook, alvorens een definitieve beslissing omtrent de accommodatie te nemen, konden beoordelen of het hotel voldeed aan de jubileumdoelstelling, dan wel de verwachtingen van de leden van de Club van 10. In dit licht is de rechtbank dan ook van oordeel dat het enkele feit dat men toch niet zo gecharmeerd was van het hotel, niet aan Brinkman toe te rekenen valt, doch aan de Club van 10.

9. De Club van 10 klaagt erover dat het dag- en avondprogramma evenmin voldeed aan de jubileumdoelstelling en haar verwachtingen. Uit de door Brinkman overgelegde bescheiden (zie productie 23 bij conclusie van repliek) blijkt dat er een programma voor het bezoek in mei 2008 aan de Club van 10 is voorgesteld. Dit was evenwel geen definitief programma. Het programma kon tijdens de voorreis door [Eiser] en Z worden aangepast.

Dat de Club van 10 hiervan op de hoogte was blijkt uit het e-mailbericht d.d. 18 februari 2008 van [Secretaresse Eiser] (productie 24 bij conclusie van antwoord). Wat er ook zij van de klachten die [Eiser] en Z tijdens de voorreis tegenover New World Travel omtrent de bezochte uitgaansgelegenheden hebben geuit, een aan de jubileumdoelstelling aangepast programma overeenkomstig de wensen kon worden geleverd. Dit wordt ook niet door de Club van 10 betwist. De oorzaak dat Brinkman, althans New World Travel, niet een nieuw uitgewerkt programma heeft aangeboden, is gelegen in het feit dat de Club van 10, in de persoon van [Eiser], op 6 maart 2008, de laatste dag van de voorreis, reeds liet weten dat zij het Waldorf Astoria Hotel niet geschikt achtte en de reisovereenkomst vervolgens op 28 maart 2008 volledig heeft opgezegd. Kortom, dat geen uitgewerkt dag- en avondprogramma voor de reis in mei 2008 is aangeboden, is niet een aan Brinkman toe te rekenen omstandigheid.

10. Op grond van artikel 7: 503, lid 2 BW bedraagt de schadevergoeding, in het geval de omstandigheid aan de reiziger toe te rekenen is, ten hoogste eenmaal de reissom. Brinkman beperkt haar vordering ter zake van het hotel tot 40% van de totale som, zijnde het bedrag dat door New World Travel in verband met de annulering door de Club van 10 bij Brinkman in rekening is gebracht. Weliswaar is de Club van 10 geen partij bij de overeenkomst tussen Brinkman en New World Travel, doch gelet op de inhoud van die overeenkomst en het bepaalde in artikel 7: 503, lid 2 BW dient het door Brinkman ter zake gevorderde bedrag als schade te worden aangemerkt. Brinkman is immers, ongeacht of de gereserveerde kamers alsnog aan anderen konden worden verhuurd, gehouden het bedrag van € 13.200,-- aan

New World Travel te vergoeden. De stelling van de Club van 10 dat het annuleringspercentage in het contract tussen Brinkman en New World Travel onderhandelbaar was, acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat Brinkman de ter zake geleden schade voldoende heeft aangetoond. De vordering kan dan ook tot het bedrag van € 13.200,-- worden toegewezen.

11. De Club van 10 verzoekt nog – kort gezegd – de ANVR-voorwaarden analoog toe te passen, doch gelet op het feit dat Brinkman zijn vordering aangaande de geboekte accommodatie reeds beperkt heeft tot de daadwerkelijk geleden schade, ziet de rechtbank geen aanleiding voor analoge toepassing van die algemene voorwaarden.

12. Met betrekking tot de vliegtickets overweegt de rechtbank het navolgende. In beginsel geldt de rechtsregel dat als zowel de aansprakelijke persoon als de benadeelde ieder voor zich in staat zijn de schade te beperken, zulks primair op de weg van de aansprakelijke persoon ligt. Laat hij dat na, dan doet verder niet meer ter zake dat ook de benadeelde in zijn schadebeperkingsplicht tekort is geschoten.

Voorts kan van iemand jegens wie wanprestatie is gepleegd, in redelijkheid niet worden gevergd dat hij de daardoor geleden schade beperkt door op ongunstiger voorwaarden te contracteren.

13. Bij meergenoemde brief van 28 maart 2008 deelt de Club van 10 aan Brinkman mee dat de vliegtickets worden overgenomen door ATP.

Brinkman wenste evenwel niet aan deze overname mee te werken, tenzij 25% van de annuleringskosten van het hotel zou worden voldaan door de Club van 10. Bovendien, zo stelt zij, bestond er geen enkele zekerheid dat de Club van 10 c.q. [Eiser] de tickets zou betalen.

Uit de door de Club van 10 overgelegde brief van 23 oktober 2008 van ATP (productie 35 bij conclusie van antwoord) volgt dat ATP tegen dezelfde condities als voor de Club van 10 van toepassing waren, de tickets wilde overnemen. LTU, de vliegmaatschappij, heeft ook met deze overname ingestemd. Welke condities dat waren, vermeldt de brief van ATP echter niet.

Op zichzelf genomen zou voormeld aanbod tot overname van de vliegtickets redelijk zijn geweest, ware het niet dat uit de brief van Club van 10 d.d. 3 april 2008 (productie 14 bij dagvaarding) blijkt dat de Club van 10 zonder voorbehoud ervan uitgaat dat de overeenkomst, zowel voor het hotel als voor de tickets een overeenkomst onder ontbindende voorwaarde was. De vliegtickets zouden in optie staan, hetgeen impliceert dat er geen sprake is van een definitieve boeking. In aanmerking nemende dat de vliegtickets door Brinkman reeds definitief geboekt waren, alsmede de uitgangspunten die door de Club van 10 in haar brief van 3 april 2008 worden gehuldigd – optie op de vliegtickets – zou een eventuele overname van de optie op de vliegtickets door ATP Brinkman in een ongunstiger positie brengen. De stelling van Brinkman dat hij geen enkele zekerheid zou hebben dat de tickets zouden worden betaald is dan ook aannemelijk. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid hoefde Brinkman dan ook niet op het aanbod in te gaan.

Op grond van het voorgaande kan het ter zake van de vliegtickets gevorderde eveneens worden toegewezen.

14. Brinkman vordert ter zake van buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 3.096,16, exclusief BTW. De Club van 10 betwist de verschuldigdheid van deze kosten gemotiveerd.

De rechtbank hanteert bij de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten het door de werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak opgestelde rapport: “Voorwerk II”. Buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6: 96, lid 2 BW komen voor vergoeding in aanmerking indien deze de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en het liquidatietarief daarop geen betrekking heeft. De schuldeiser die dergelijke kosten vordert, dient naar de huidige rechtsopvatting te stellen en te specificeren dat deze kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in de artikelen 56 en 57 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Een specificatie als hiervoor bedoeld dient te bestaan uit een omschrijving van de verrichtingen en het daarmee gemoeide uurtarief. Een dergelijke specificatie is door Brinkman in casu niet overgelegd. Brinkman heeft weliswaar een drietal sommaties aan de Club van 10 gezonden, doch de rechtbank acht deze, mede gelet op de gemotiveerde betwisting aan de zijde van de Club van 10, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

15. Brinkman vordert tevens de wettelijke rente over het door haar gevorderde bedrag. De Club van 10 betwist de verschuldigdheid hiervan onder verwijzing naar artikel 6: 119a BW.

In casu is door de opzegging door de Club van 10 op grond van artikel 7: 503, lid 2 BW een verbintenis tot schadevergoeding ontstaan. Dit brengt met zich dat artikel 6: 119 BW in casu van toepassing is en niet artikel 6:119a BW. Gelet op de ingebrekestelling op 16 april 2008, waarbij de wettelijke rente is aangezegd, kan deze zoals gevorderd worden toegewezen.

16. Brinkman zal, nu hij in zijn vordering jegens [Eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard, worden veroordeeld in de kosten van de procedure jegens [Eiser]. De Club van 10 zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De rechtbank:

1. Verklaart Brinkman niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van [Eiser].

2. Veroordeelt de Club van 10 om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Brinkman te betalen de somma van € 41.470,62 (zegge: éénenveertigduizend vierhonderd zeventig 62/100 euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 41.274,40 vanaf 6 mei 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

3. Veroordeelt de Club van 10 in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Brinkman worden begroot op:

- dagvaarding € 71,80

- vast recht € 980,--

- salaris advocaat € 1.788,-- (2 punt(en) × tarief € 894,--)

Totaal € 2.839,80

4. Veroordeelt Brinkman in de kosten van de procedure jegens [Eiser], die tot op heden op nihil worden begroot.

5. Verklaart de onderdelen 2. en 3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

6. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.H.H.A. Moes en op 29 juli 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.