Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BI9162

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
09 / 559 WW44 AQ1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft een verzoek om schorsing van een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een veeschuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 09 / 559 WW44 AQ1 V

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

de Vereniging tot Behoud van Landelijk Oele e.a.,

te Hengelo, verzoekers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, milieu-adviesbureau te Almelo,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo,

verweerder.

Derdebelanghebbende: [naam], wonende te Hengelo, vergunninghouder,

gemachtigde: mr. M. Nijkamp, advocaat te Hengelo.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 22 april 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2009 heeft verweerder aan vergunninghouder een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een veeschuur op het perceel plaatselijk bekend [straatnaam en huisnummer] te [plaatsnaam].

Bij bezwaarschrift van 27 april 2009 heeft M.H. Middelkamp tegen dit besluit namens verzoekers bezwaar gemaakt. Hij heeft de gronden van het bezwaar aangevuld bij schrijven van 30 mei 2009.

Voorts heeft hij bij verzoekschrift van 2 juni 2009, aangevuld bij schrijven van 3 juni 2009, namens verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de bouwvergunning tot zes weken nadat er een beslissing op hun bezwaar is genomen.

Verweerder heeft op 8 juni 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De gemachtigde van verzoekers heeft bij brief van 10 juni 2009 nog een nader stuk overgelegd.

Verweerder heeft desgevraagd op 12 juni 2009 nog enkele aanvullende stukken ingezonden.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 juni 2009, alwaar voor verzoekers zijn verschenen [naam] en [naam], bijgestaan door M.H. Middelkamp, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van Dijk en B.J.A Leferink, ambtenaren van de gemeente Hengelo. Vergunninghouder is niet verschenen, wel diens gemachtigde mr. M. Nijkamp, voornoemd, en ing. [naam], werkzaam bij LTO Noord Advies te Almelo.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Namens vergunninghouder is in de eerste plaats gesteld dat verzoekers geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit en dat om die reden hun verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende

Verzoekers [naam] en [naam] kunnen naar de mening van vergunninghouder niet als belanghebbend worden aangemerkt nu zij op 300 meter, respectievelijk 500 meter van het perceel [straatnaam en huisnummer] wonen en als gevolg van de aanwezige bomen geen zicht hebben op dat perceel. Ter zitting hebben verzoekers [naam] en [naam] desgevraagd verklaard dat zij op een afstand van 140 meter, respectievelijk 300 meter van het perceel [straatnaam en huisnummer] wonen en, ondanks enkele bomen, vanuit hun woning direct zicht hebben op dat perceel. De voorzieningenrechter ziet voorshands geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen verzoekers hebben verklaard over de afstand tot en hun zicht op het in geding zijnde perceel. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen verzoekers [naam] en [naam] daarom als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt.

Wat betreft de Vereniging tot Behoud van Landelijk Oele is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de statutaire doelstelling van de vereniging voldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat haar belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. Voorts is de voorzieningenrechter op grond van hetgeen de gemachtigde van verzoekers ter zitting naar voren heeft gebracht voorshands van oordeel dat de vereniging feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2 van de Awb waaruit blijkt dat haar belang rechtsreeks bij het bestreden besluit is betrokken.

Verweerder zal zich in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van verzoekers nader dienen te beraden over de vraag of zij belanghebbende zijn bij het bestreden besluit.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter in hetgeen namens vergunninghouder is aangevoerd voorshands onvoldoende aanknopingpunten gevonden om eraan te twijfelen dat M.H. Middelkamp gemachtigd was om namens de Vereniging tot Behoud van Landelijk Oele het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening in te dienen en deze vereniging ter zitting te vertegenwoordigen.

Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.

Gelet hierop dient in het onderhavige geding de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat de op 22 april 2009 aan vergunninghouder verleende reguliere bouwvergunning voor een veeschuur op het perceel [straatnaam en huisnummer] te [plaatsnaam] wordt geschorst dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

In artikel 40, eerste lid, van de Woningwet wordt bepaald dat het verboden is:

a. te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders te verlenen bouwvergunning,

b. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten,

tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien:

a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120;

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of met een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

f. het bouwen in strijd is met de regels, gesteld bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van die wet;

g. het bouwen een bouwplan betreft, dat bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, is aangewezen, en in strijd is met een exploitatieplan of met krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Het betreft hier een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Als geen van de onder a tot en met g bedoelde situaties zich voordoet, moet de bouwvergunning worden verleend.

De hiervoor onder a, b en d tot en met g genoemde weigeringsgronden doen zich in dit geval niet voor. Derhalve komt te dezen alleen betekenis toe aan de vraag of het bestreden besluit voldoet aan het bepaalde onder c.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de veeschuur in strijd is met het bestemmings-plan, nu deze niet wordt opgericht ten behoeve van een volwaardig middelgroot agrarisch bedrijf. Zij beroepen zich daarbij op een brief van 3 juni 2009 van DLV Rundvee Advies B.V. te Deventer (hierna te noemen: DLV), dat daarbij desgevraagd aan verzoekers heeft meegedeeld dat in het onderhavige geval, gelet op het rapport dat LTO Noord Advies op

12 maart 2009 op verzoek van vergunninghouder heeft uitgebracht, geen sprake is van een middelgroot maar slechts van een klein bedrijf.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

Het perceel [straatnaam en huisnummer] is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied 2000” en heeft daarin de bestemming “Open agrarisch gebied”, agrarisch bouwperceel, met de aanduiding “Am” (middelgroot agrarisch bedrijf).

Volgens artikel 3.1 (Doeleindenomschrijving) van de voorschriften behorend bij genoemd bestemmingsplan - voor zover hier van belang - zijn de als zodanig aangegeven gronden bestemd voor: agrarische bedrijfsvoering, een en ander met bijbehorende voorzieningen en met in acht name van de onder 3.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

In artikel 3.2.1 (Agrarische bedrijfsvoering) is bepaald dat per - op de kaart als zodanig aangeduid - agrarisch bouwperceel maximaal één agrarisch bedrijf is toegestaan.

Artikel 3.3.1 (Algemeen) van de planvoorschriften bepaalt dat op de tot “open agrarisch gebied” bestemde gronden uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van doeleinden omschreven in 3.1 en nader gedetailleerd in 3.2.

Artikel 3.3.2 (Toegestane bouwwerken binnen het agrarisch bouwperceel) van de planvoorschriften bepaalt - voor zover hier van belang - dat per agrarisch bouwperceel met de aanduiding “groot agrarisch bedrijf”, “middelgroot agrarisch bedrijf” of “klein agrarisch bedrijf” de volgende bebouwing is toegestaan:

a. agrarische bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat op bouwpercelen met de aanduiding “klein agrarisch bedrijf” de bestaande oppervlakte bedrijfsgebouwen met maximaal 150 m2 mag worden uitgebreid.

Uit de hierboven weergegeven planvoorschriften blijkt dat de betekenis van het onderscheid tussen een groot, middelgroot en een klein agrarisch bedrijf voor de vraag welke bouwwerken zijn toegestaan binnen het agrarisch bouwperceel niet nader is uitgewerkt in de doeleindenomschrijving. Dit betekent dat - voor zover hier van belang - binnen een agrarisch bouwperceel agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering zijn toegestaan ongeacht de grootte van het bedrijf. Slechts ten aan zien van een klein agrarisch bedrijf is een maximum gesteld met betrekking tot de toegestane uitbreiding van de opper-vlakte van de bedrijfsgebouwen. Voor grote en middelgrote agrarische bedrijven behelst de doeleindenomschrijving geen beperkingen ten aanzien van de toegestane bebouwing. Voor zover de planwetgever met de aanduiding “Am” op de plankaart en de definitie van het begrip “middelgroot agrarisch bedrijf” in de toelichting bij het bestemmingsplan heeft willen bewerkstelligen dat op het onderhavige perceel uitsluitend bebouwing ten behoeve van een middelgroot agrarisch bedrijf is toegestaan, heeft dit geen uitwerking gekregen in de doeleindenomschrijving.

In het kader van de onderhavige bouwvergunningverlening is dan ook niet van belang of het bedrijf van vergunninghouder moet worden aangemerkt als een middelgroot, dan wel als een klein agrarisch bedrijf. Hetgeen partijen dienaangaande, onder verwijzing naar de rapporten van LTO en DLV, naar voren hebben gebracht behoeft hier daarom geen verdere bespreking.

Zowel verweerder als de door vergunninghouder ingeschakelde deskundige (LTO) en de door verzoeker geraadpleegde deskundige (DLV) concluderen dat sprake is van een agra-risch bedrijf. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de in geding zijnde veeschuur een agrarisch bedrijfsgebouw is ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering dat wordt gebouwd binnen het agrarisch bouwperceel. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook geen sprake van strijd met het bestemmingplan. Dit betekent dat verweerder de gevraagde bouwvergunning moest verlenen.

Gelet op het vorenoverwogene is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand geen grond om aan te nemen dat de bouwvergunning in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Voor schorsing van die bouwvergunning bestaat daarom geen aanleiding. Het enkele feit dat verzoekers met het onderhavige verzoek willen voorkomen dat er met de bouw van de veeschuur wordt begonnen, omdat dit in hun ogen de behandeling van hun bezwaar en eventueel daarop volgende beroep illusoir zou maken, kan niet worden aangemerkt als een voldoende spoedeisend belang dat aanleiding geeft tot schorsing van de in geding zijnde bouwvergunning, nu deze niet op voorhand onrechtmatig is te achten.

Op grond van het vorenstaande dient het verzoek om schorsing te worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

wijst het verzoek af.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

G. Kootstra, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009

Afschrift verzonden op 17 juni 2009

AW