Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BI8218

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
08 / 550 HOREC V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft de intrekking, respectievelijk de weigering van een drank- en horecavergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob in samenhang met artikel 7, tweede lid, van de Wet Bibob en artikel 4, aanhef en onder a, van het Bestluit Bibob en artikel 12e, aanhef en onder a, van de Drank- en Horecaverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 08 / 550 HOREC V1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam],

wonende te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: mr.drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Maastricht,

en

De Burgemeester van de gemeente Enschede,

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 24 april 2008.

2. De feiten en het verloop van de procedure

2.1 Op 29 juni 2005 heeft verweerder aan eiser een vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening voor het pand [straatnaam en huisnummer] te [plaatsnaam] (coffeeshop “[naam]”) verleend.

2.2 Op grond van artikel 26 van de Wet bevordering integriteit beoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) heeft de officier van justitie in het arrondissement Almelo verweerder bij schrijven van 4 juli 2007 gewezen op de wenselijkheid om met betrekking tot de aan eiser verleende horecavergunning, het Landelijk Bureau Bibob (bureau als bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob, hierna: LBB) om advies te vragen. Uit de tip van de officier van justitie blijkt dat in verband met een lopend (strafrechtelijk) onderzoek tegen eiser en twee van zijn medewerkers het ernstige vermoeden is gerezen dat eiser en deze twee medewerkers zich gedurende langere tijd, tot hun aanhouding op 7 juni 2007, schuldig hebben gemaakt aan misdrijven genoemd in de Opiumwet, het Wetboek van Strafrecht en de Wet wapens en munitie, waarbij deels werd geopereerd vanuit c.q. onder de dekmantel van coffeeshop [naam].

2.3 Bij schrijven van 6 juli 2007 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij naar aanleiding van deze tip van de officier van justitie het LBB om advies zal vragen.

2.4 Op 6 juli 2007 heeft verweerder een verzoek om een BIBOB-advies bij het LBB ingediend.

2.5 Op 18 juli 2007 heeft eiser, ter verplaatsing van zijn coffeeshop ‘[naam]’ naar een ander perceel, een vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening aangevraagd voor het pand [straatnaam en huisnummer] te [plaatsnaam].

2.6 Bij schrijven van 18 oktober 2007 heeft het LBB advies uitgebracht. In het advies komt het LBB, op basis van de inhoud van de broninformatie (onder meer afkomstig van het Openbaar Ministerie in Almelo, van de Centrale Justitiële Documentatiedienst, van de Politie Twente en van de Belastingdienst) en van haar bevindingen, tot de conclusie dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de beschikking (vergunning op grond van artikel

12 a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening) mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob).

2.7 Bij schrijven van 23 oktober 2007 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij gelet op het advies van het LBB voornemens is om de aan eiser verleende vergunning van

29 juni 2005 in te trekken. Daarnaast heeft verweerder bij schrijven van 23 oktober 2007 aan eiser medegedeeld dat hij op grond van het advies van het LBB voornemens is om de door eiser op 18 juli 2007 aangevraagde vergunning te weigeren.

2.8 Bij schrijven van 11 december 2007 heeft de gemachtigde van eiser namens eiser zijn zienswijzen ten aanzien van beide voornemens kenbaar gemaakt.

2.9 Bij besluit van 8 januari 2008 heeft verweerder de op 29 juni 2005 aan eiser verleende vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening voor het pand [straatnaam en huisnummer] te [plaatsnaam] (coffeeshop “[naam]”) ingetrokken op grond van:

1. artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob in samenhang gelezen met artikel 7, tweede lid van de Wet Bibob en artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit Bibob, omdat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob);

2. artikel 12e, aanhef en onder a, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening, omdat eiser en twee andere in de vergunning genoemde leidinggevenden, niet langer voldoen aan de eis dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn.

2.10 Bij afzonderlijk besluit van 8 januari 2008 heeft verweerder eveneens besloten de op 18 juli 2007 aangevraagde horecavergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening voor het pand [straatnaam en huisnummer] te [plaatsnaam] te weigeren op grond van:

1. artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob in samenhang gelezen met artikel 7, tweede lid, van de Wet Bibob en artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit Bibob, omdat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de Wet Bibob);

2. artikel 12e, aanhef en onder a, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening, omdat eiser niet voldoet aan de eis dat een ondernemer niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn.

2.11 Bij schrijven van 18 februari 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen verweerders besluiten van 8 januari 2008. Op 1 april 2008 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen.

2.12 Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 31 mei 2008 beroep ingesteld.

2.13 Verweerder heeft op 2 juli 2008 zijn verweerschrift alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en daarbij met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat de kennisneming van het advies van het LBB tot de rechtbank beperkt dient te blijven.

2.14 Bij beslissing van 6 augustus 2008 heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb geoordeeld dat beperking van de kennisneming van gedingstuk A8 (advies LBB) gerechtvaardigd is.

2.15 Bij schrijven van 19 augustus 2008 heeft eiser de rechtbank toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van het advies van het LBB uitspraak te doen. De rechtbank heeft hierop kennis genomen van het advies en dit advies bij haar beoordeling betrokken.

2.16 Bij schrijven van 20 oktober 2008 heeft verweerder een uitspraak van 18 juli 2008 van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Almelo in het geding gebracht, waarbij eiser is veroordeeld voor een tweetal delicten.

2.17 Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 24 april 2009, waar namens eiser zijn gemachtigde, mr. Beckers is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de heer J. Boxem.

3. Overwegingen

3.1 In geschil is de vraag of verweerder terecht heeft besloten om de op 29 juni 2005 aan eiser verleende vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening in te trekken alsmede om eisers aanvraag van 18 juli 2007 om een dergelijke vergunning te weigeren.

3.2 Eiser stelt dat verweerder ten onrechte het advies van het LBB aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, omdat het LBB bij de exploitatie van een gedoogde coffeeshop altijd tot de conclusie komt dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar dat de beschikking wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Ondanks dat verweerder niet verplicht is het advies van het LBB te volgen, is er ten aanzien van coffeeshops dus altijd sprake van een Bibob-weigeringsgrond. Voorts stelt eiser dat verweerder het advies van het LBB zonder deugdelijke motivering heeft overgenomen en dat er bovendien geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden aangezien de bezwaarschriftencommissie ten behoeve van zijn adviseren geen kennis heeft kunnen nemen van het advies van het LBB. Ook eisers bezwaren tegen de aan hem opgelegde belastingaanslagen en zijn betwisting van de stelling dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan belastingfraude zijn in bezwaar niet nader onderzocht, zodat geen sprake is van een volledige heroverweging van het primaire besluit. Verder stelt eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat uit het advies van het LBB blijkt dat eiser niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Het advies van het LBB is volgens eiser niet bedoeld om het levensgedrag van eiser te toetsen. Tot slot stelt eiser dat verweerder in strijd met het recht van zijn beleidsregels is afgeweken door de heropening van de coffeeshop na de tijdelijke sluiting niet toe te staan.

3.3 Ter zitting heeft eiser ten eerste nog gesteld dat uit het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit volgt, dat het vragen van een advies aan het LBB een ultimum remedium is en dat verweerder volgens het stappenplan van het LBB eerst een eigen onderzoek had moeten instellen naar de integriteit van eiser. Verweerder heeft in strijd gehandeld met artikel 30 van de Wet Bibob en met het stappenplan van het LBB door geen vragenformulieren te gebruiken, zoals voorgeschreven in artikel 30 en niet eerst zelf onderzoek te doen. Het overslaan van deze stappen heeft tot gevolg dat er geen sprake is van een zorgvuldige voorbereiding. Ten tweede heeft gemachtigde van eiser gesteld dat het aanvragen van advies bij het LBB alleen in aanvulling op bestaande instrumenten mag worden toegepast. De tip van de officier van justitie zag op vermoedens die waren gerezen tijdens een strafrechtelijk onderzoek. Naar aanleiding van deze tip had verweerder eerst een minder ingrijpend middel moeten aanwenden, bestaande uit het doen van onderzoek naar het levensgedrag van eiser. Gemachtige van eiser verwijst naar de “Beleidsregels Verklaring Omtrent het Gedrag”. Verweerder heeft de Wet Bibob gebruikt om onderzoek in te stellen naar het levensgedrag van eiser. Daar is deze wet echter niet voor bedoeld, zodat sprake is van handelen in strijd met het recht. Ten derde heeft gemachtigde van eiser voorts nog gesteld dat eiser werd verdacht van een aantal ernstige misdrijven, maar dat de uiteindelijke vervolging beperkt is gebleven. Daarnaast heeft hij ten vierde gesteld dat de gestelde belastingfraude en de aanwezigheid van een harddrugstester uitdrukkelijk is tegengesproken in de door eiser ingediende zienswijze. Ook zijn de gestelde feiten met betrekking tot de Wet Wapens en Munitie gerelativeerd. Verder heeft gemachtigde van eiser ten vijfde nog gesteld dat in bezwaar is gesteld dat er geen sprake is van het vereiste zorgvuldige onderzoek naar de feiten. Verweerder heeft eisers reactie op het advies niet aan het LBB voorgelegd. Verweerder heeft dan ook niet voldaan aan zijn vergewisplicht en daarmee onzorgvuldig gehandeld. Ter onderbouwing wordt verwezen naar twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Tot slot heeft gemachtigde van eiser ter zitting ten zesde nog gesteld dat de belastingkwestie inmiddels met de belastingdienst wordt geregeld. De controlerend ambtenaar heeft erkend dat zijn berekeningen maar een slag in de lucht waren. De aanslag en de boete zullen dan ook geen stand houden.

3.4 Het wettelijk kader is als volgt.

3.4.1 Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening is het verboden om zonder vergunning van de Burgemeester in een besloten ruimte bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.

3.4.2 In artikel 12c, eerste lid en onder a, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening is bepaald dat de vergunning bedoeld in artikel 12a, eerste lid, wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de eis dat de ondernemer de leeftijd van 18 jaar moet hebben bereikt en voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid, van de Drank- en Horecawet.

3.4.3 Op grond van artikel 12e, onder a, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening trekt de Burgemeester de vergunning bedoeld in artikel 12a, eerste lid, in indien niet langer wordt voldaan aan de in artikel 12c gestelde eisen.

3.4.4 In artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet is bepaald dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn.

In artikel 8, derde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van zedelijk gedrag van leidinggevenden worden gesteld en dat de in het tweede lid onder b gestelde eis nader kan worden omschreven. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

3.4.5 In artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob is bepaald dat voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

3.4.6 Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf door het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. In het tweede lid van artikel 7 is - onder meer - bepaald dat op voordracht van Onze Minister bij algemene maatregel van bestuur inrichtingen of bedrijven worden aangewezen ten aanzien waarvan het wenselijk is dat, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, door het LBB een advies wordt uitgebracht.

3.4.7 In artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit Bibob is bepaald dat inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt, als inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet Bibob, worden aangewezen.

3.5 Met betrekking tot de beoordeling van de vraag die in geschil voorligt, stelt de rechtbank vast dat eiser zowel in het beroepschrift van 31 mei 2008 als ter zitting van 24 april 2009 gronden heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser de gronden die ter zitting ten derde, ten vierde althans voor zover deze grond ziet op de harddrugstester en de Wet Wapens en Munitie en ten vijfde zijn aangevoerd, verwijtbaar te laat aangevoerd. Verweerder heeft hier ter zitting niet adequaat op kunnen reageren. Bovendien is niet gebleken dat eiser deze gronden niet eerder, in elk geval ruim voor de behandeling ter zitting had kunnen aanvoeren.

Aangezien eiser zijn zienswijze en het bezwaarschrift niet als herhaald en ingelast in het beroepschrift heeft gevoegd en de ten derde, vierde (deels) en vijfde ter zitting aangevoerde gronden bovendien geen nauwe verwantschap vertonen met de in het beroepschrift van 31 mei 2008 aangevoerde gronden, zal de rechtbank deze gronden dan ook buiten behandeling laten.

3.6 Ten aanzien van de overige beroepsgronden overweegt de rechtbank als volgt.

In coffeeshops wordt over het algemeen in softdrugs gehandeld, hetgeen een strafbaar feit is. In die zin is er bij coffeeshops zoals eiser in beroep stelt, inderdaad altijd sprake van het plegen van strafbare feiten en dus ook van een Bibob-weigeringsgrond. Verweerder heeft in zijn gemeente echter beleidsregels vastgesteld op grond waarvan de handel in softdrugs vanuit een coffeeshop kan worden gedoogd. Op grond van deze beleidsregels werd in het verleden ook gedoogd dat eiser softdrugs verkocht in zijn coffeeshop. Overtreding van deze beleidsregels heeft er in dit geval echter toe geleid dat politie en justitie nader onderzoek hebben ingesteld naar eisers coffeeshop. Uit dit onderzoek is de tip van de officier van justitie voortgevloeid, hetgeen weer tot het advies van het LBB heeft geleid. Het LBB komt echter niet enkel en alleen op grond van het feit dat in eisers coffeeshop handel in softdrugs plaatsvindt tot de conclusie dat er sprake is van ernstige mate van gevaar dat de beschikking mede gebruikt wordt of zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, maar ook op basis van andere feiten en vermoedens. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

3.7 Ook eisers stelling dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom hij het advies van het LBB heeft overgenomen treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Het LBB is adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft onder andere in haar uitspraak van 27 februari 2008 (200706926/1) bepaald dat een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel van het advies van het LBB mag uitgaan. Op grond van artikel 3:9 van de Awb heeft verweerder er zich wel van moeten vergewissen dat het onderzoek naar de feiten en gedragingen zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarnaast is verweerder verplicht om, voor zover het bestreden besluit steunt op een uitgebracht advies, te beoordelen of het advies inhoudelijk concludent is. Verweerder moet vaststellen of de feiten de conclusies kunnen dragen. De in het advies gevolgde gedachtegang moet duidelijk en voldoende controleerbaar zijn en het advies moet de belanghebbende voldoende aanknopingspunten bieden om de bevindingen te kunnen weerspreken. Als dat niet het geval is, dan kan het advies ingevolge artikel 3:49 van de Awb niet een voldoende motivering van het besluit bevatten. In het onderhavige geval heeft eiser kennis genomen van de inhoud van het advies en in beroep niet, althans onvoldoende betwist dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen noch dat het advies zelf voldoende motivering bevat om de eindconclusie te dragen. Zoals gemachtigde van eiser zelf al opmerkt is verweerder niet verplicht om het advies van het LBB over te nemen. Verweerder heeft dit hier wel gedaan. Nu eiser niet gemotiveerd heeft gesteld dat verweerder dit advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen, kon verweerder op grond van artikel 3:49 Awb ter motivering van het bestreden besluit derhalve volstaan met een verwijzing naar het advies.

3.8 Voorts houdt eisers stelling dat er geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden, omdat de bezwaarschriftcommissie geen kennis heeft kunnen nemen van het advies van het LBB, geen stand. In artikel 28, tweede lid, van de Wet Bibob is bepaald aan wie verweerder het advies mag doorgeven. De leden van een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie worden niet genoemd, zodat de bezwaarschriftencommissie op grond van de wet geen kennis mag nemen van het advies. Verweerder heeft het advies dan ook terecht niet aan de bezwaarschriftencommissie ter inzage gegeven. Het enkele feit dat de bezwaarschriftencommissie geen kennis heeft kunnen nemen van het advies van het LBB betekent overigens nog niet dat er geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden.

Het is immers niet de bezwaarschriftencommissie die het besluit dient te heroverwegen, maar verweerder en verweerder heeft wel kennisgenomen van het advies.

3.9 De rechtbank volgt eiser wel in zijn stelling dat er geen sprake is geweest van een volledige heroverweging, omdat eisers bezwaren tegen de aan hem opgelegde belastingaanslagen en zijn betwisting van de stelling dat hij zich aan belastingfraude schuldig zou hebben gemaakt in bezwaar niet nader zijn onderzocht. Verweerder heeft ter motivering van het bestreden besluit enkel verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Aangezien de bezwaarschriftencommissie geen kennis heeft mogen nemen van het advies van het LBB, heeft de commissie ten aanzien van dit punt in het bezwaarschrift geen advies uitgebracht. Verweerder kon in het bestreden besluit op dit punt dan ook niet volstaan met een verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie maar had hier gemotiveerd op moeten reageren. Nu verweerder dit niet heeft gedaan is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

3.10 In het beroepschrift van 31 mei 2008 alsmede ter zitting (ten tweede) heeft eiser gesteld dat het advies van het LBB niet bedoeld is om het levensgedrag van eiser te toetsen. Verweerder had volgens eiser een minder ingrijpend middel moeten aanwenden om het levensgedrag van eiser te toetsen. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de algemene stelling dat een Bibob-advies niet gebruikt mag worden om slecht levensgedrag te toetsen onjuist is. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder geen advies bij het LBB gevraagd om het levensgedrag van eiser te toetsen, maar heeft verweerder dit advies op instigatie van de officier van justitie gevraagd omdat uit onderzoek door justitie was gebleken dat eisers coffeeshop mogelijk voor criminele doeleinden zou worden gebruikt. Om dit te onderzoeken is het advies van het LBB een geëigend middel. Indien uit dit advies blijkt dat eiser van slechts levensgedrag is, dan staat er verweerder niets aan in de weg om ter toetsing van eisers levensgedrag gebruik te maken van dit advies. Bovendien heeft de Afdeling onder ander in haar uitspraak van 31 oktober 2007 (LJN BB6825) geoordeeld dat bij de toets of er sprake is van slecht levensgedrag, geen beperkingen gelden ten aanzien van de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Daarnaast blijkt uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 1999-2000, 26883, nr. 3) bij artikel 28 van de Wet Bibob, dat dit artikel er niet aan in de weg staat dat het bestuursorgaan de door middel van het LBB verkregen gegevens hanteert ter heroverweging van een mogelijk op enig eerder tijdstip ingenomen standpunt ten aanzien van de toepasselijkheid van andere weigerings- of intrekkingsgronden dan die bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Weliswaar is bij de behandeling van de wet artikel 28 (het huidige artikel 29) gewijzigd, maar deze wijziging heeft de gebruiksmogelijkheden van adviezen nog verder verruimd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook niet in strijd met de wet gehandeld door de informatie uit het advies van het LBB ten grondslag te leggen aan zijn oordeel dat eiser niet voldoet aan de eis dat hij in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Voor zover eiser met zijn stelling heeft willen betogen dat uit het advies van het LBB niet blijkt dat eiser van slecht levensgedrag is, is de rechtbank van oordeel dat dit betoog te algemeen gesteld is en dat eiser dit in het beroepschrift noch ter zitting heeft onderbouwd. deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

3.11 Voorts heeft eiser in zijn beroepschrift gesteld dat verweerder in strijd met het recht is afgeweken van zijn beleidsregels door heropening van de coffeeshop na de tijdelijke sluiting niet toe te staan. De rechtbank overweegt dat de tijdelijke sluiting weliswaar het gevolg was van een overtreding van de door verweerder vastgestelde gedoogregels (Damoclesbeleid) en dat heropening op grond van de beleidsregels de volgende stap zou zijn geweest, maar dat de overtreding van het gedoogbeleid in dit geval tot een strafrechtelijk onderzoek heeft geleid dat is geresulteerd in een negatief Bibob-advies. Dit advies en de Wet Bibob liggen aan de intrekking en weigering ten grondslag en niet het Damoclesbeleid. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.

3.12 Ten aanzien van de ter zitting (ten eerste) aangevoerde stelling, dat verweerder naar aanleiding van de tip van de officier van justitie niet meteen een advies aan het LBB had mogen vragen, maar eerst zelf onderzoek had moeten doen naar de integriteit van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het aanvragen van een advies aan het LBB, gezien de ingrijpende gevolgen die een dergelijk advies met zich kunnen brengen, als uiterste middel moet worden gezien. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat hij louter op basis van artikel 26 van de Wet Bibob een adviesaanvraag bij het LBB kon indienen. Naar aanleiding van een tip als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen in principe eerst zelf onderzoek te doen alvorens tot het ingrijpende middel van een adviesaanvraag bij het LBB over te gaan. De rechtbank is echter tevens van oordeel dat verweerder in de onderhavige situatie zelf geen nader onderzoek had kunnen doen, met name niet omdat de in artikel 30 van de Wet Bibob voorgeschreven vragenlijst geen inzicht geeft in de strafbare feiten die door eiser (zouden) zijn gepleegd. Bovendien was hier ten tijde van de tip van de officier nog sprake van een lopend strafrechtelijk onderzoek waarin geen nadere informatie kon worden verstrekt.

Verweerder kon in dit geval dan ook niets anders dan een adviesaanvraag indienen bij het LBB. Ook deze stelling wordt verworpen.

3.13 Tot slot heeft de gemachtigde van eiser ter zitting (ten vierde en ten zesde) gesteld dat de gestelde belastingfraude uitdrukkelijk is tegengesproken in de zienswijze en dat de kwestie inmiddels met de belastingdienst wordt geregeld met als resultaat dat de aanslag en de boete geen stand zullen houden. Het advies van het LBB is op dit punt dan ook niet juist en verweerder had deze kwestie niet bij zijn beoordeling mogen betrekken. De rechtbank overweegt dienaangaande dat het feit dat eiser uiteindelijk niet is vervolgd wegens belastingfraude, nog niet betekent dat verweerder dit punt niet bij de beoordeling van zijn besluit mocht betrekken. In het advies van het LBB zijn feiten en vermoedens opgenomen die wijzen op een strafbare verzwijging van de omzet. Dat de bedragen zoals genoemd in het advies in werkelijkheid lager zijn, neemt niet weg dat eiser onjuiste omzetgegevens aan de belastingdienst heeft opgegeven. Er was dan ook voldoende aanleiding om een vermoeden van belastingfraude aan te nemen. Dat eiser inmiddels mogelijk een regeling heeft getroffen met de belastingdienst staat aan dit oordeel niet in de weg. Ook op deze gronden slaagt het beroep niet.

3.14 Gelet op hetgeen de rechtbank in overweging 3.9 heeft overwogen komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank acht echter termen aanwezig om de rechtgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het bestreden besluit weliswaar niet blijkt dat verweerder eisers bezwaar met betrekking tot de belastingkwestie heeft heroverwogen, maar dat verweerder in het primaire besluit wel gemotiveerd heeft gereageerd op hetgeen eiser dienaangaande in de zienswijze heeft gesteld. Eiser heeft in bezwaar geen nieuwe argumenten naar voren gebracht ten aanzien van de belastingkwestie en de rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.13 dienaangaande een inhoudelijk oordeel gegeven.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in rechte in stand kunnen worden gelaten.

Gezien het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde EUR 644,--.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 april 2008;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 april 2008 in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 644,-, door de gemeente Enschede te betalen aan eiser;

- verstaat dat de gemeente Enschede aan eiser het griffierecht ad EUR 288,- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue als voorzitter, en mrs. E.C.R. Schut en M.E. van Wees als leden, en door de voorzitter en G. Kootstra, griffier, ondertekend.

De griffier, de voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 3 JUNI 2009

Afschrift verzonden op 3 Juni 2009

AB