Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BI7890

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
08/002006-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De medeverdachte in een vastgoedfraudezaak is voor veel van wat hem is telastegelegd vrijgesproken. Wel is een bewezenverklaring gevolgd voor medeplegen van het gebruik maken van een vals geschrift (een werkgeversverklaring). De rechtbank heeft verdachte schuldig verklaard zonder toepassing van straf. Dit in hoofdzaak vanwege het aantal vrijspraken, de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat verdachte tussentijds is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/002006-04

STRAFVONNIS

Uitspraak: 10 juni 2009

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

[gepboorteplaats] en [1928],

[woonplaats]

thans uit andere hoofde gedetineerd in de P.I. Rotterdam.

terechtstaande terzake dat:

1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen

in de periode januari 1999 tot en met september 2000 in de gemeente Hengelo

(O) en/of de gemeente Enschede en/of de gemeente Aa en Hunze en/of (elders)

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met een of

meer rechtspersonen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of

vervalste geschriften,

als ware dat/die geschriften (telkens) echt en onvervalst,

te weten

A. een aanvraagformulier hypothecaire geldlening bij [slachtoffer] ten behoeve van [betrokkenen]-voorzien van nummer 228155-

d.d. 10 juli 1999 (zaaksdossier 1, blz. 261 t/m 266, nr. D-AH60-010)

en/of

B. een factuur van [betrokkene] te Delfzijl d.d. 14 februari 2000 op naam gesteld

van [betrokkene] te Veelerveen (zaaksdossier 1, blz. 314, nr. D-G14.01-002)

en/of

C. een aanvraagformulier hypothecaire geldlening bij [slachtoffer]

ten behoeve van [betrokkenen] d.d. 7 juni 2000 (zaaksdossier 1,

blz. 153 t/m 156, nr. II-S-2-446-002)

en/of

D. een accountantsverklaring d.d. 20 juni 2000 van [ betrokkenen] opgesteld ten behoeve van [betrokkene] (zaaksdossier 1, blz. 160,

nr. II-S-2-446-005), elk zijnde een geschrift dat bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit,

bestaande dat gebruik maken (telkens) hierin dat verdachte en/of zijn

medeverdachten

voornoemde aanvraagformulieren hypothecaire geldlening en/of factuur en/of

accountantsverklaring

aan [slachtoffer] heeft overgelegd, althans ingebracht

ter verkrijging van een hypotheek en/of ter uitwinning van een bouwdepot

bestaande dat valse en/of vervalste (telkens) hierin dat

ad A. op dat aanvraagformulier vermeld stond dat het bruto inkomen van die

[betrokkene] fl. 110.000,- per jaar bedroeg en/of dat er tevens een

huuropbrengst was van fl. 40.000,- per jaar

en/of

ad B. op die factuur vermeld stond dat aan die [betrokkene] volgens afspraak in

rekening werd gebracht een hoeveelheid stalen balken, dakisolatie,

profielplaten, bedrading, contactdozen en/of stopcontacten (voor een bedrag

van fl. 28.200,- inclusief BTW)

en/of

ad C. op dat aanvraagformulier vermeld stond dat het bruto inkomen van die

[betrokkene] fl. 150.000,- per jaar bedroeg

en/of

ad D. op die accountantsverklaring vermeld stond dat [betrokkene] jaarlijks

minimaal fl. 150.000,- bruto verdient;

(zaak Z01)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer verschillende tijdstippen

in de periode januari 1999 tot en met september 2000 in de gemeente Hengelo

(O) en/of de gemeente Enschede en/of de gemeente Aa en Hunze en/of (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met een of

meer rechtspersonen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of

vervalste geschriften,

als ware dat/die geschriften (telkens) echt en onvervalst,

te weten

A. een werkgeversverklaring van [betrokkene] te

Emmen, d.d. 25 mei 1999, op naam van [betrokkene], inhoudende onder meer

(zakelijk weergegeven) dat die [betrokkene] per 2 januari 1999 in vaste dienst is

als opzichter bouw en sloop (zaaksdossier 2A, nr. D-AH118-001, blz. 108)

en/of

B. twee, althans een aanvraagformulier(en) hypothecaire geldlening bij [slachtoffer] ten behoeve van [betrokkene] voor het pand aan de

Schoolstraat 10 te Nieuw Beerta, (beide) d.d. 25 mei 1999 (zaaksdossier 2A,

nr. D-AH118-003, blz. 110 t/m 115 en/of nr. II-S-2-54-027 t/m 30, blz. 160 t/m

163),

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om te dienen tot bewijs van het

daaringestelde, althans van enig feit,

bestaande dat gebruik maken (telkens) hierin dat verdachte en/of zijn

medeverdachten

voornoemde werkgeversverklaring en/of aanvraagformulier(en) hypothecaire

geldlening

aan [slachtoffer] heeft overgelegd, althans ingebracht

ter verkrijging van een hypotheek op het pand Schoolstraat 10 te Nieuw Beerta

en bestaande dat valse en/of vervalste (zakelijk weergegeven) hierin dat

ad A. op voornoemde werkgeversverklaring vermeld stond dat [betrokkene] (de

hypotheekgever) per 2 januari 1999 in dienst was bij [betrokkene],

en/of

ad B. op voornoemd aanvraagformulier hypothecaire geldlening vermeld stond dat

de aanvrager [betrokkene] bij werkgever [betrokkene] een bruto jaarinkomen had van 65.000,- gulden en/of huurinkomsten

verkreeg uit de verhuur van een pand aan de Hoofdweg 107 van 48.000,- gulden

per jaar;

zaak Z02A

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van januari 1999 tot en met december 2003 in de

gemeente Hengelo (O) en/of in de gemeente Enschede en/of de gemeente Aa en

Hunze en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

(telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

te weten

A. een Aanvraag hypothecaire geldlening d.d. 25 september 1999 (zaaksdossier

Z09, blz. 154 t/m 157, nr. III-M-1-1-001)

en/of

B. een werkgeversverklaring van Galerie "[betrokkene]" d.d. 1 september 2000

(zaaksdossier Z18, blz. 68, nr. D-AH81.03-003)

en/of

C. een werkgeversverklaring van [betrokkene] d.d. 25 mei 1999 (zaaksdossier

Z02a, blz. 108, nr. D-AH118-001)

en/of

D. een factuur van [betrokkene] d.d. 1 juli 1999 (zaaksdossier Z02a, blz.

193, nr. III-H-2-16-001)

E. een werkgeversverklaring van [betrokkene] d.d. 14 maart 2002

(zaaksdossier Z07, blz. 038, nr. D-AH07.01-001)

immers heeft verdachte valselijk

ad A. op die aanvraag vermeld dat zowel [betrokkenen] een

jaarinkomen had van (ongeveer) fl. 40.000,-

en/of

ad B. op die werkgeversverklaring vermeld dat [betrokkene] in vaste dienst was

van Galerie [betrokkene] en/of een jaarinkomen had van fl. 72.460,-

en/of

ad C. op die werkgeversverklaring vermeld dat [betrokkene] in vaste dienst

was van [betrokkene] aannemers- sloopbedrijf en/of een jaarinkomen had van fl.

65.000,-

en/of

ad D. op die factuur vermeld dat 6 personen 4 weken sloopwerkzaamheden hebben

verricht voor een totaalbedrag van fl. 12.000,-

en/of

ad E. op die werkgeversverklaring vermeld dat [betrokkene] in dienst was

sinds 1 februari 1995 en/of een jaarinkomen had van Euro 35.000

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 18 september 2000

in de gemeente(n) Hengelo (O) en/of Enschede en/of Almelo en/of Utrecht en/of

Wijk bij Duurstede en/of Aa en Hunze en/of (elders) in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit verdachte en/of de [medeverdachten] en/of een of meer andere personen en/of rechtspersonen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het plegen van valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht),

en/of

- het plegen van oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht), en/of

- het plegen van omkoping van anderen dan ambtenaren (artikel 328ter Wetboek

van Strafrecht);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en/of namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

Ontvankelijkheid

Namens verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat aan hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd zeer oude feiten betreffen en dat de redelijke termijn waarbinnen verdachte had moet worden berecht is geschonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Als uitgangspunt dient te gelden dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan onder meer begrepen worden de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop of de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is in juni 2003 door het Interregionaal Fraudeteam Oost-Nederland (IFTON) het onderzoek in voorbereiding genomen nadat op 9 november 2000 en op 22 mei 2001 een eerste aangifte en een aanvullende aangifte hadden plaatsgevonden door [slachtoffer] tegen met name de [medeverdachte] en er tevens CIE informatie was binnengekomen over onder meer de [medeverdachte].

Hierop volgde in maart en april 2004 een onderzoek naar de administratie van de rechtspersoon [betrokkene] en haar enig bestuurder [betrokkene], hetgeen informatie opleverde over vermoede betrokkenheid bij strafbare feiten door verdachte en de medeverdachten .

In maart 2005 heeft [slachtoffer] naar aanleiding van de onderzoeksresultaten nog een derde aangifte gedaan.

In 2003, 2004 en 2005 heeft de [slachtoffer] aangiften gedaan en ook andere diverse [betrokkenen] hebben tot in het voorjaar van 2005 aangiften gedaan.

Op 5 juli 2004 heeft de rechter-commissaris een gerechtelijk vooronderzoek geopend en op 7 juli 2004 hebben doorzoekingen plaatsgevonden.

In december 2004 zijn de verdachten aangehouden (en later weer op vrije voeten gesteld).

Op 24 december 2004 is de kennisgeving van verdere vervolging aan verdachte betekend.

In 2005 en 2006 is een aanzienlijk aantal getuigen – met name op verzoek van de verdediging – door de rechter-commissaris gehoord.

Op 13 december 2007 is het gerechtelijk vooronderzoek gesloten.

Op 27 december 2007 is het bezwaarschrift tegen de kennisgeving verdere vervolging op de griffie van deze rechtbank binnengekomen.

Op 8 april 2008 is de dagvaarding aan verdachte betekend.

De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Naar het oordeel de rechtbank is, gelet op vorenstaande, deze termijn begonnen op 7 juli 2004, toen bij alle verdachten doorzoekingen werden verricht. De termijn van twee jaar waarbinnen verdachte had moeten worden berecht is daarom geschonden, omdat sinds deze datum bijna vijf jaar zijn verlopen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de redelijke termijn, ondanks de overschrijding van de twee jaar, niet is overschreden, is de rechtbank uit de stukken met betrekking tot het weergegeven procesverloop niet gebleken.

Hieraan kan echter niet de conclusie worden verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. In zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN BD2578) heeft de Hoge Raad overwogen dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderingsgevallen, doch dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door het opleggen van een lagere straf dan de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

De rechtbank oordeelt het openbaar ministerie partieel ambtshalve niet ontvankelijk ten aanzien van feit 3 onder C nu dit feit ook is tenlastegelegd onder feit 2 onder A en verdachte niet terzake hetzelfde feit twee keer kan worden vervolgd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 1 onder A tot en met D, sub 2 onder B en sub 4 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1 onder A en onder C en D en feit 2 onder B is de rechtbank van oordeel dat niet is vast te stellen dat verdachte – hoewel hij wel de betrokken personen heeft aangebracht bij de [medeverdachte]- betrokken is geweest bij het opmaken van en gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst aanvraagformulier en een vals of vervalst accountantsrapport.

Ten aanzien van 1 B is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat de goederen die staan vermeld op de tenlastelegging niet zijn geleverd aan [betrokkene] en dat de factuur waarmee deze goederen in rekening zijn gebracht aan voornoemde [betrokkene] onjuist is.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte geen gebruik heeft gemaakt van valse geschriften als ware deze echt en onvervalst.

Ten aanzien van feit 4 is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting, het plegen van valsheid in geschrift, het plegen van omkoping van anderen dan ambtenaren.

De rechtbank komt tot deze conclusie immers blijkt uit het dossier op geen enkel wijze van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband of een zekere organisatiegraad tussen verdachte en zijn medeverdachten.

Gelet op dit gegeven concludeert de rechtbank dat er geen sprake is geweest van een organisatie die het oogmerk heeft gehad op het plegen van misdrijven zoals door het openbaar ministerie is gesteld.

Bewezenverklaring

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen

vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen-

waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 2 onder A en sub 3 onder A, B, D en E tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij in de periode januari 1999 tot en met september 2000 in de gemeente Hengelo

(O) en/of de gemeente Enschede en/of de gemeente Aa en Hunze en/of elders in

Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift,

als ware dat geschrift echt en onvervalst,

te weten

A. een werkgeversverklaring van [betrokkene]Aannemers- en sloopbedrijf te

Emmen, d.d. 25 mei 1999, op naam van [betrokkene], inhoudende onder meer

(zakelijk weergegeven) dat die [betrokkene] per 2 januari 1999 in vaste dienst is

als opzichter bouw en sloop,

zijnde een geschrift dat bestemd was om te dienen tot bewijs van het

daaringestelde,

bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte voornoemde werkgeversverklaring

aan [slachtoffer] heeft ingebracht ter verkrijging van een hypotheek op het pand Schoolstraat 10 te Nieuw Beerta

en bestaande dat valse (zakelijk weergegeven) hierin dat

ad A. op voornoemde werkgeversverklaring vermeld stond dat [betrokkene] (de

hypotheekgever) per 2 januari 1999 in dienst was bij [betrokkene] Aannemers- en

sloopbedrijf;

3.

hij in of omstreeks de periode van januari 1999 tot en met december 2003 in de

gemeente Hengelo (O) en/of de gemeente Enschede en/of de gemeente Aa en/of

Hunze en elders in Nederland, meermalen, valselijk heeft opgemaakt een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen te weten

A. een Aanvraag hypothecaire geldlening d.d. 25 september 1999

en

B. een werkgeversverklaring van Galerie "[betrokkene]" d.d. 1 september 2000

en

D. een factuur van [betrokkene] Verhuur d.d. 1 juli 1999

en

E. een werkgeversverklaring van [betrokkene] makelaardij d.d. 14 maart 2002

immers heeft verdachte valselijk

ad A. op die aanvraag vermeld dat zowel [betrokkenen] een

jaarinkomen had van ongeveer fl. 40.000,-

en

ad B. op die werkgeversverklaring vermeld dat [betrokkene] in vaste dienst was

van Galerie [betrokkene] en een jaarinkomen had van fl. 72.460,-

en

ad D. op die factuur vermeld dat 6 personen 4 weken sloopwerkzaamheden hebben

verricht voor een totaalbedrag van fl. 12.000,-

en

ad E. op die werkgeversverklaring vermeld dat [betrokkene] in dienst was

sinds 1 februari 1995 en/of een jaarinkomen had van Euro 35.000

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte het sub 2 onder A en sub 3 onder A, B, D en E meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ontslag van rechtsvervolging

Het sub 3 onder A, B, D en E bewezenverklaarde levert naar het oordeel van de rechtbank geen strafbaar feit op, nu een voor strafbaarheid vereiste voorwaarde – te weten het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken - er niet in staat vermeld. Verdachte zal voor deze feiten worden ontslagen van alle rechtsvervolging

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 2 onder A, het misdrijf:

"Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst",

strafbaar gesteld bij artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht;

Strafbaarheid van de dader

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

Strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake de feiten sub 1 tot en met sub 4 wordt veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,=, voorwaardelijk.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Gelet op de leeftijd van verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat verdachte wordt vrij gesproken van een fors aantal feiten en het feit dat verdachte nog op 10 september 2007 is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf waarvoor hij nu nog gedetineerd zit zal de rechtbank afzien van een geldboete en verdachte schuldig verklaren zonder toepassing van een straf.

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 9a en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart het openbaar ministerie partieel niet ontvankelijk ten aanzien van feit 3 onder C van de tenlastelegging.

Verklaart het openbaar ministerie voor de overige feiten ontvankelijk in haar vervolging.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 onder A tot en met D, sub 2 onder B en sub 4 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 2 onder A en sub 3 onder A, B, D en E tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Ontslaat verdachte van alle rechtvervolging ten aanzien van het sub 3 onder A, B, D en E bewezenverklaarde.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit sub 2 onder A zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar, zonder toepassing van een straf.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte het sub 2 onder A en sub 3 onder A, B, D en E meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Koopmans, voorzitter, mr. De Jong en mr. Van Wees, rechters, in tegenwoordigheid van Veldhuis, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juni 2009.