Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BI4832

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
08 / 417, 08 / 592 en 08 / 593 WW44 V1 A
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL7001, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft de verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en een bouwvergunning voor de bouw van een nieuwe bedrijfshal (bergingshal) met parkeerkelder en voor uitbreiding van het bedrijfsterrein met realisering van de landschappelijke inpassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 08 / 417, 08 / 592 en 08 / 593 WW44 V1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschillen tussen:

1. [naam] en [naam],

2. [naam] en [naam],

3. [naam] en [naam],

allen wonende te [plaatsnaam], eisers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, milieu-adviesbureau te Almelo,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wierden,

verweerder.

Derdebelanghebbenden: [naam] Autoberging B.V. en [naam] Holding B.V., beide gevestigd te [plaatsnaam],

gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk, advocaat te Enschede.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder d.d. 26 februari 2008 (verzonden 10 maart 2008 en 18 maart 2008).

2. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2007 heeft verweerder aan [naam] Autoberging B.V. (hierna te noemen: [naam]) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe bedrijfshal (bergingshal) met parkeerkelder en voor uitbreiding van het bedrijfsterrein met realisering van de landschappelijke inpassing op het perceel plaatselijk bekend [straatnaam en huisnummer] te [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam], sectie [letter], nummers [nummers], (hierna: het perceel).

Tegen het besluit van 17 augustus 2007 hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Wierden (hierna: bezwarencommissie) de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brief van 20 april 2008 beroep ingesteld. Zij hebben de gronden van de beroepen ingediend op 23 mei 2008.

Verweerder heeft op 30 juni 2008 een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn gevoegd met de zaken 08/416 en 08/588 t/m 08/591 behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 maart 2009, waar [naam], bijgestaan door M.H. Middelkamp, [naam] en [naam] zijn verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door R.A.P. te Wierik, ambtenaar van de gemeente Wierden. Namens belanghebbenden zijn [naam] en [naam], bijgestaan door mr. J.H.B. Averdijk, verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst.

3. Overwegingen

3.1. Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de WRO ingetrokken. Volgens het overgangsrecht blijven de bepalingen uit de WRO van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 juli 2008.

De onderhavige aanvraag is ingediend op 23 juni 2006, zodat de bepalingen van de WRO van toepassing zijn.

3.2. Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

3.3. Artikel 44 van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien:

a. (…)

b. (…)

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan

gestelde eisen;

d. (…)

e. (…)

3.4. Artikel 19, eerste lid, van de WRO bepaalt dat de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling kan verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is ontvangen.

3.5. Verweerder heeft bouwvergunning en vrijstelling verleend en zich daarbij gebaseerd op de van gedeputeerde staten ontvangen verklaring van geen bezwaar. Hij stelt zich op het standpunt dat niet in strijd is gehandeld met het provinciale beleid, zoals dat blijkt uit het Streekplan Overijssel 2000+ en de Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen van de provincie Overijssel (hierna: de Handreiking). Een milieuvergunning is niet nodig omdat met een melding kan worden volstaan zodat de bouwaanvraag niet behoefde te worden aangehouden, aldus verweerder.

3.6. Eisers kunnen zich niet met verweerders besluit verenigen. Zij stellen zich – kort samengevat - op het standpunt dat:

a. de uitbreiding met een bedrijfshal en kelder vele malen groter is dan gedeputeerde staten en verweerder stellen, aangezien bij de oppervlakteberekeningen niet is uitgegaan van de bestaande bebouwing maar van de maximaal toelaatbare bebouwing.

Verder is ten onrechte de kelder van ongeveer 1000 m2, die uitsluitend ten behoeve van de bedrijfsactiviteit gebruikt wordt, buiten de berekeningen gelaten;

b. de motivering van gedeputeerde staten om de 15% norm te overschrijden onjuist is, nu het bij de Handreiking niet gaat om de waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en het tegengaan van verrommeling, maar om het voorkomen van verdere niet-functionele verstening van het buitengebied;

c. met betrekking tot de uitbreiding geen onafhankelijke adviezen zijn uitgebracht die aantonen dat verplaatsing van het bedrijf is uitgesloten dan wel zeer ongewenst is, zoals in het Streekplan Overijssel 2000+ vereist is, nu het hier niet gaat om een aan het buitengebied c.q. de groene ruimte gebonden functie;

d. het bergingsbedrijf van [naam] in strijd met het bestemmingsplan, dat een autogaragebedrijf toestaat, op het perceel is gevestigd;

e. verweerder niet is ingegaan op hetgeen zij hebben gesteld over de negatieve gevolgen

ten aanzien van geluid en luchtkwaliteit door toename van het aantal verkeersbewegingen; niet alle stukken/onderzoeksrapporten (met betrekking tot het bodemonderzoek) ter inzage hebben gelegen;

f. niet had mogen worden volstaan met een geaccepteerde melding, maar dat een milieuvergunning nodig is met als gevolg dat de aanvraag voor een bouwvergunning aangehouden had moeten worden.

3.7. De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast. [naam] is sinds 1964 gevestigd op het perceel en houdt zicht bezig met het bergen en transporteren van gestrande voertuigen in heel Europa. Aanvankelijk was tevens sprake

van een autogaragebedrijf, doch deze bedrijfsactiviteiten zijn in de loop van de jaren

verplaatst naar [plaatsnaam]. Aangezien [naam] behoefte heeft aan een uitbreiding van de oppervlakte van de bedrijfsruimte is op 23 juni 2006 een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor de bouw van een nieuwe bedrijfshal (bergingshal) met parkeerkelder

en voor uitbreiding van het bedrijfsterrein met realisering van de landschappelijke inpassing op het perceel.

3.8. Het perceel is gelegen in het bestemmingsplan “Buitengebied ‘85” (hierna: het bestemmingsplan) en heeft daarin de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”, met nadere aanduiding “garagebedrijf”. De omliggende gronden hebben de bestemming “agrarisch gebied met landschappelijke waarde”. De op de plankaart met “garagebedrijf” aangeduide gronden zijn bestemd voor de verkoop, het onderhoud, de reparatie en de stalling van motorvoertuigen. Het bebouwingsvlak op het perceel is 3308 m2 groot en mag voor 40%, dat wil zeggen voor maximaal 1323 m2, worden bebouwd. Binnen het bebouwingsvlak is thans 1029 m2 bebouwing (bedrijfsgebouwen en een dienstwoning) aanwezig. De oppervlakte van het bestemmingsvlak is 8737 m2. De gevraagde vergroting van de bedrijfsruimte buiten het bebouwingsvlak, alsmede de vergroting van het bedrijfsterrein zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Verweerder heeft echter besloten medewerking te verlenen aan het project door het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Hij heeft daarvoor een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten ontvangen.

3.9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kelder van een kleine 1000 m2 niet meetelt bij het bepalen van de oppervlakte van de uitbreiding. Eisers stellen dat de kelder bij de berekening wel dient te worden meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat de kelderruimte dient mee te tellen, omdat kelderruimte een aanzienlijke uitbreiding van de bedrijfsbebouwing en daarmee een aanzienlijke uitbreiding van de capaciteit van het bergingsbedrijf behelst, met alle ruimtelijke gevolgen van dien voor de omgeving (verkeer, wegen) van het perceel.

De stelling van verweerder dat het bij dit project slechts gaat om een kwaliteitsslag en niet om een toename van het aantal te bergen voertuigen, maakt dit niet anders. Deze stelling ziet immers slecht op het thans voorziene gebruik van de uitbreiding. Dat gebruik kan zich echter op elk moment wijzigen. De kelder is dan ook niet als ruimtelijk ondergeschikt aan te merken, zoals verweerder heeft gesteld. Dit oordeel betekent dat het bouwplan een uitbreiding betreft van ongeveer 1492 m2, bedrijfshal inclusief kelder.

3.10. In paragraaf 4.2.9, onder 4, van de Handreiking is bepaald dat positief bestemde, niet

agrarische, bedrijven (eenmalig) tot maximaal 15% van de bestaande bedrijfsbebouwing kunnen uitbreiden. Eenmalige uitbreidingen tot maximaal 25% zijn toegestaan via een

wijzigingsbevoegdheid met criteria omtrent noodzaak, milieu en landschap etc. De rechtbank constateert dat de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met 1492 m2 meer dan een verdubbeling is ten opzichte van de bestaande bedrijfsbebouwing (1029 m2).

De door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar is in strijd met de Handreiking. Blijkens paragraaf 4.2.3.8. van het Streekplan Overijssel 2000+ kan in zeer bijzondere gevallen een aanzienlijk grotere uitbreiding ter plaatse van een bestaand bedrijf noodzakelijk blijken. Er zal dan sprake moeten zijn van bijzondere omstandigheden die de uitbreiding juist op die plaats noodzakelijk of dringend gewenst maken. Het toestaan van zo’n uitbreiding die de grenzen uit de Handleiding en beleidsregels te buiten gaat, zal als een afwijking van het Streekplan worden aangemerkt. De regels van hoofdstuk 5.5. (advies van de Provinciale Planologische Commissie en horen van de Commissie van Advies uit Provinciale Staten) zijn daarbij van toepassing. Vast staat dat deze regels van hoofdstuk 5.5. van het Streekplan Overijssel 2000+ niet in acht zijn genomen bij de totstandkoming van de onderhavige verklaring van geen bezwaar. Verder hebben gedeputeerde staten niet vastgesteld dat sprake is van een zeer bijzonder geval als bedoeld in paragraaf 4.2.3.8. Gedeputeerde staten hebben daardoor gehandeld in strijd met het Streekplan Overijssel 2000+. Verweerder had dit moeten onderkennen. Hij mag immers geen gebruik maken van een dergelijke met het Streekplan strijdige verklaring van geen bezwaar.

3.11. Dit geldt temeer, nu de rechtbank van oordeel is dat het bergingsbedrijf van [naam] niet positief bestemd is in de zin van voormelde Handreiking. In het bestemmingsplan is immers op het perceel een garagebedrijf toegestaan. De gronden van het perceel zijn bestemd voor de verkoop, het onderhoud, de reparatie en de stalling van motorvoertuigen. Al deze functies liggen in elkaars verlengde en maken een bedrijf tot een garagebedrijf. Het stallen van motorvoertuigen is daarbij ondergeschikt aan de drie overige functies van een garagebedrijf. Een bergingsbedrijf legt zich enkel en alleen toe op het bergen en transporteren van auto’s. Onderhoud en reparatie vinden alleen plaats aan de eigen bedrijfsauto’s en is geheel ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Het ruimtelijk effect van een bergingsbedrijf verschilt van dat van een garagebedrijf. De vestiging van een bergingsbedrijf op het perceel is daarom in strijd met het bestemmingsplan.

3.12. De conclusie is dat verweerder geen gebruik had mogen maken van de verleende verklaring van geen bezwaar, dat hij daarom geen vrijstelling had mogen verlenen voor het bouwplan en dat hij vervolgens de bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten weigeren.

3.13. Het project waarvoor verweerder vrijstelling heeft gegeven, bestaat naast de bouw van een bedrijfshal met kelder uit het uitbreiden van het bedrijfsterrein en het realiseren van de landschappelijke inpassing. Een kaart waarop deze uitbreiding en landschappelijke inpassing is weergegeven ontbreekt, evenals een verzoek van [naam] aan verweerder ter realisering van dit gedeelte van het project.

In hoeverre er strijdigheid is met het bestemmingsplan kan de rechtbank daarom niet ambtshalve beoordelen, zodat voor dit deel van het project niet vast is komen te staan dat verweerder bevoegd is vrijstelling te verlenen.

3.14. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 19, eerste lid, van de WRO

en met artikel 44, eerste lid onder c, van de Woningwet. De overige beroepsgronden kunnen onbesproken blijven.

3.15. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten van deze procedure als na te melden.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad Euro 647,50, door de gemeente Wierden te betalen aan eiser sub 1;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers sub 2 en 3, ieder tot een bedrag van ad Euro 3,50 (reiskosten voor ieder 1 persoon), door de gemeente Wierden aan ieder van hen te betalen;

- bepaalt dat de gemeente Wierden het griffierecht ad Euro 145,-- aan eisers sub 1 betaalt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, en mrs. W.M.B. Elferink en M.E. van Wees als leden, en door deze en G. Kootstra als griffier.

De griffier, De rechter,

Buiten staat te tekenen

in het openbaar uitgesproken op 13 MEI 2009

Afschrift verzonden op 13 mei 2009

AB