Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BH7363

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
09 / 169 WW44 W1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft een verzoek om voorlopige voorziening ter zake van de weigering van verweerder om handhavend op te treden tegen bouwen dat naar de mening van verzoekers afwijkt van de verleende bouwvergunningen voor een bedrijfswoning met stoeterij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 09 / 169 WW44 W1 V

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

de Vereniging tot Behoud van Landelijk Oele e.a.,

te Hengelo, verzoekers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, milieu-adviesbureau, te Almelo,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo,

verweerder,

Derdebelanghebbende:

[naam], wonende te [plaatsnaam], vergunninghouder,

gemachtigde: mr. M. Nijkamp, advocaat te Hengelo.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 19 februari 2009.

2. Procesverloop

Bij schrijven van 10 februari 2009 heeft M.H. Middelkamp namens verzoekers aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de bouwwerkzaamheden, welke worden uitgevoerd op de percelen [straatnaam en huisnummers] te [plaatsnaam], althans de bouwwerkzaamheden welke kennelijk worden uitgevoerd op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam], sectie [letter], nummer [nummer].

Bij schrijven van 16 februari 2009 heeft de gemachtigde van verzoekers bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om een besluit te nemen op het handhavingsverzoek van

10 februari 2009.

Voorts heeft de gemachtigde van verzoekers bij verzoekschrift van 17 februari 2009 aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het bouwen onmiddellijk wordt gestaakt en gestaakt wordt gehouden tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoekers zal zijn beslist.

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft verweerder het verzoek tot handhaving van 10 februari 2009 afgewezen. Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van verzoekers op 20 februari 2009 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft op 25 februari 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De gemachtigde van verzoekers heeft bij schrijven van 26 februari 2009 nog enkele nadere stukken ingediend.

Op 26 februari 2009 heeft mr. F. Kolkman, advocaat te Wierden, als gemachtigde van [naam] Vastgoedontwikkeling B.V. te Delden (hierna te noemen: [naam] B.V.) nog een nader stuk ingediend.

Bij brief van 27 februari 2009 heeft de gemachtigde van verzoekers de gronden van het verzoek nog aangevuld en nadere stukken overgelegd, alsmede een reactie gegeven op de brief van de gemachtigde van [naam] B.V.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009, alwaar verzoekers [naam] en [naam] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door M.H. Middelkamp, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van Dijk en B.J.A. Leferink, ambtenaren van de gemeente Hengelo. Vergunninghouder [naam] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Nijkamp, advocaat te Hengelo.Voor [naam] B.V. is verschenen [naam], bijgestaan door mr. F. Kolkman, voornoemd.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.

De voorzieningenrechter merkt in de eerste plaats op dat het verzoek om voorlopige voorziening van 17 februari 2009 wordt geacht te zijn uitgebreid in die zin dat het zich mede uitstrekt tot het besluit van 19 februari 2009, waarbij het namens verzoekers ingediende handhavingsverzoek van 10 februari 2009 is afgewezen.

In deze procedure is [naam] B.V. als derdebelanghebbende uitgenodigd en zij heeft zich ter zitting ook doen vertegenwoordigen. [naam] B.V. heeft de in geding zijnde percelen [straatnaam en huisnummers] op 31 juli 2008 gekocht van [naam] en de bouwvergunningen van [naam] zijn op haar naam overgeschreven. Uit de stukken blijkt echter dat [naam] B.V. op haar beurt de percelen op 18 december 2008 weer heeft verkocht aan [naam] te Hengelo (hierna te noemen: [naam]). De bouwvergunningen zijn inmiddels overgeschreven op naam van [naam].

Nu [naam] B.V. niet langer eigenaar van de percelen [straatnaam en huisnummers] en houdster van de bouwvergunningen is, kan zij niet langer als belanghebbende worden aangemerkt. Het feit dat in artikel 10 van de akte van levering van 18 december 2008 is bepaald dat de verkoper ([naam] B.V.) ervoor instaat dat koper ([naam]) de voorgenomen bouw van een woning op het gekochte op basis van de verleende bouwvergunning kan uitvoeren, dat indien blijkt dat dit niet binnen een termijn van zes maanden mogelijk is, de koper het recht heeft de koopovereenkomst te ontbinden in welk geval er voor verkoper een verbintenis ontstaat tot ongedaanmaking van de koop en de levering en dat indien zich voor wat betreft de vergunningverlening publiekrechtelijke problemen voordoen, verkoper die problemen voor zijn rekening zal oplossen, brengt niet met zich dat [naam] B.V. als belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. [naam] B.V. heeft in dezen slechts een afgeleid belang dat voortvloeit uit de civielrechtelijke verplichtingen die zij tegenover [naam] heeft ingevolge artikel 10 van de leveringsakte. [naam] B.V. kan daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure niet als belanghebbende worden aangemerkt.

In het onderhavige geding dient de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat ten aanzien van het besluit van 19 februari 2009, waarbij verweerder het handhavings-verzoek van verzoekers van 10 februari 2009 heeft afgewezen, een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Bij besluit van 28 juli 1994 heeft verweerder aan [naam] een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfswoning en een stoeterij op de percelen [straatnaam en huisnummers] te Hengelo. Deze bouwvergunning is onherroepelijk geworden.

Op 16 februari 2004 heeft [naam] een bouwvergunning aangevraagd voor het veranderen en vergroten van de stoeterij, welke vergunning op 1 juni 2004 is verleend en na bezwaar bij besluit van 15 maart 2005 door verweerder is gehandhaafd. Het tegen dat besluit door verzoekers ingediende beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 28 februari 2006 ongegrond verklaard, welke uitspraak in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 7 februari 2007 is bevestigd.

Bij brief van 11 augustus 2007 is namens verzoekers een verzoek ingediend bij verweerder om de voor de percelen [straatnaam en huisnummers] te Hengelo verleende bouwvergunningen in te trekken. Dit verzoek is door verweerder bij besluit van 9 oktober 2007 afgewezen.

Tegen dat besluit heeft M.H. Middelkamp namens verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en het besluit van 9 oktober 2007 gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft M.H. Middelkamp op 8 juli 2008 namens verzoekers beroep ingesteld. Op dit beroep, met nummer 08/717 WW44, is nog niet door de rechtbank beslist. Voorts hebben verzoekers aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Ook op dit verzoek, met nummer 09/207 WW44, moet nog worden beslist.

Zoals hiervoor reeds is aangegeven heeft [naam] de percelen [straatnaam en huisnummers] op 31 juli 2008 verkocht aan [naam] B.V., die de percelen vervolgens op haar beurt op

18 december 2008 heeft verkocht aan [naam]. De bouwvergunningen zijn, naar ter zitting gebleken, inmiddels overgeschreven op naam van [naam]. [Naam] beschikt derhalve op dit moment over onherroepelijke bouwvergunningen voor een bedrijfswoning en een stoeterij op de percelen [straatnaam en huisnummers]. Op grond van deze bouwvergunningen mag [naam] in principe beginnen met de bouw van het vergunde.

Uit een inspectie door de gemeente, die is uitgevoerd naar aanleiding van het handhavings-verzoek van 10 februari 2009, is gebleken dat begonnen is met bouwwerkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een woning. De fundering en de vloer van de woning zijn inmiddels gereed. Met de bouw van de stoeterij is nog geen aanvang gemaakt.

Blijkens het handhavingsverzoek van 10 februari 2009 en het verhandelde ter zitting zijn verzoekers van mening dat de woning die thans op de percelen [straatnaam en huisnummers] wordt gebouwd, niet ten behoeve van een stoeterij wordt opgericht en derhalve afwijkt van de bouwvergunning. Zij hebben verweerder daarom gevraagd daartegen handhavend op te treden.

Verweerder is van mening dat er op dit moment geen aanleiding is om handhavend op te treden nu bij de verrichte controles niet is geconstateerd dat wordt gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunningen, zodat geen sprake is van een overtreding van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet. Het feit dat inmiddels door [naam] een nieuwe bouwvergunning is aangevraagd voor een (kleinere) veeschuur, maakt dat volgens verweerder niet anders. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat verweerder geen reden heeft om te twijfelen aan de woorden van [naam] dat hij zal bouwen volgens de bouwvergunningen. Het feit dat [naam] elders een betrekking in loondienst heeft maakt dat volgens verweerder niet anders. In dat verband merkt verweerder op dat [naam] thans naast zijn betrekking ook een agrarisch bedrijf heeft met 7 paarden, een aantal zoogkoeien en kalveren. [naam] heeft zijn huidige woning en bedrijf per 15 oktober 2009 verkocht. Ter zitting is van de kant van verweerder verklaard dat alsnog handhavend zal worden opgetreden zodra mocht blijken dat [naam] niet overeenkomstig de bouwvergunningen bouwt.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

Niet in geschil is dat op dit moment op de percelen [straatnaam en huisnummers] alleen een woning wordt gebouwd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is vooralsnog onduidelijk of naast deze woning ook een stoeterij zal worden gerealiseerd overeenkomstig de daarvoor verleende bouwvergunning. Deze onduidelijkheid wordt vergroot door het feit dat [naam] inmiddels een nieuwe bouwvergunning heeft aangevraagd voor een veeschuur. In dit verband heeft [naam] ter zitting verklaard dat hij een kleinschaliger agrarisch bedrijf wil beginnen dan de vergunde stoeterij. Op dit moment is nog onzeker of de bouwvergunning voor een veeschuur zal worden verleend. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat naar aanleiding van de aanvraag eerst nog een groot aantal vragen door [naam] dient te worden beantwoord, alvorens eventueel een bouwvergunning kan worden verleend. Weliswaar heeft [naam] ter zitting gesteld dat hij alsnog de vergunde stoeterij zal realiseren indien hem geen bouwvergunning voor een veeschuur zal worden verleend, doch de voorzieningenrechter is er voorshands niet van overtuigd dat [naam] deze toezegging gestand zal (kunnen) doen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat [naam] thans, naast een betrekking in loondienst bij de [naam] in [plaatsnaam], over een veel kleiner agrarisch bedrijf met slechts 7 paarden beschikt, terwijl uit de voorafgaande procedures is gebleken dat een stoeterij uit ten minste 25 paarden dient te bestaan om van een volwaardig agrarisch bedrijf te kunnen spreken. Niet is gebleken dat verweerder ten aanzien van de plannen van [naam] met betrekking tot het vestigen van een agrarisch bedrijf op de percelen [straatnaam en huisnummers] tot nu toe enig nader onderzoek heeft verricht.

Nu op dit moment slechts een woning wordt opgericht en vergunninghouder vooralsnog geen aanstalten maakt om ook te beginnen met de bouw van een stoeterij op de percelen [straatnaam en huisnummers], terwijl onzeker is of en zo ja wanneer een bouwvergunning zal worden verleend voor een veeschuur ten behoeve van een kleinschaliger agrarisch bedrijf, acht de voorzieningenrechter de vrees van verzoekers dat hierdoor uiteindelijk een situatie zal ontstaan waarin geen sprake is van een bedrijfswoning met een volwaardig agrarisch bedrijf, maar van een burgerwoning in het buitengebied, niet zonder grond. Dit zou in strijd zijn met de verleende bouwvergunningen. Daar komt nog bij dat vergunninghouder de woning in dat geval niet zal kunnen betrekken omdat, zoals verweerder bij het overschrijven van de vergunningen bij herhaling heeft aangegeven, de bedrijfswoning en de stoeterij niet afzonderlijk van elkaar in gebruik mogen worden genomen.

Ten einde te voorkomen dat de bouw van de woning wordt voortgezet en daardoor een onomkeerbare situatie zal ontstaan, die de uitkomst van de bezwaarprocedure en een eventuele daaropvolgende beroepsprocedure illusoir zou maken, bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aanleiding een voorziening te treffen. Deze voorziening houdt in dat verweerder wordt opgedragen uiterlijk dinsdag 17 maart 2009 om 24.00 uur met bestuursdwang op te treden tegen de bouw van de woning op de percelen [straatnaam en huisnummers] te Hengelo door vergunninghouder te gelasten de bouwwerkzaamheden met onmiddellijke ingang stil te leggen en stilgelegd te houden tot 6 weken nadat op het bezwaarschrift van verzoekers zal zijn beslist, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 250,-- voor iedere dag dat verweerder niet volledig aan deze opdracht zal hebben voldaan, zulks met een maximum van EUR 22.500,-- , door de gemeente Hengelo te voldoen aan verzoekers.

Op grond van het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het billijk verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met dit verzoek, zijnde de kosten van rechtsbijstand en de reiskosten van verzoekers in verband met de zitting.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- wijst het verzoek toe en draagt verweerder op om uiterlijk dinsdag 17 maart 2009 om 24.00 uur met bestuursdwang op te treden ten aanzien van de bouw van de woning op de percelen [straatnaam en huisnummers] te [plaatsnaam] door vergunninghouder te gelasten de bouwwerkzaamheden met onmiddellijke ingang stil te leggen en stilgelegd te houden tot 6 weken nadat op het bezwaarschrift van verzoekers zal zijn beslist, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 250,-- voor iedere dag dat verweerder niet volledig aan deze opdracht zal hebben voldaan, zulks met een maximum van EUR 22.500,-- , door de gemeente Hengelo te voldoen aan verzoekers;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten, welke worden bepaald op EUR 654,40, door de gemeente Hengelo te betalen aan verzoekers;

- bepaalt dat de gemeente Hengelo aan verzoekers het griffierecht ad EUR 297,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. J.H. Keuzenkamp, voorzieningenrechter, en door deze en

G. Kootstra, griffier, ondertekend

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

Afschrift verzonden op

mtl