Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BH6210

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
100867 / FA RK 09-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing besluit inzake huisverbod / belangenafweging ex nunc.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Registratienummer: 100867 / FA RK 09-76

proces-verbaal mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

X,

wonende te Enschede, verzoeker,

gemachtigde: mr. P. A. Speijdel, advocaat te Enschede,

en

de burgemeester van de gemeente Enschede,

gevestigd te Enschede, verweerder.

1. Aanduiding besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder van 7 maart 2009.

2. Datum van de zitting

12 maart 2009 om 14.00 uur.

3. De voorzieningenrechter sluit de behandeling en doet onmiddellijk mondeling uitspraak.

a. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit met onmiddellijke ingang;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 644,- door de gemeente Enschede te betalen aan de griffier;

- bepaalt dat de gemeente Enschede aan verzoeker het griffierecht ad € 150,- vergoedt.

De voorzieningenrechter deelt mede dat tegen de uitspraak geen hoger beroep open staat.

b. Gronden

3.1.1. Verweerder heeft bij besluit van 7 maart 2009 aan verzoeker een huisverbod opgelegd als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth). Dit verbod geldt van 7 maart 2009, 11.00 uur, tot 17 maart 2009, 11.00 uur.

3.1.2. Op 9 maart 2009 heeft verzoeker zowel beroep ingesteld tegen dit besluit, als een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd.

3.1.3. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de hierboven genoemde terechtzitting van 12 maart 2009. Deze zitting heeft plaatsgevonden met gesloten deuren in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen. Ter zitting is verzoeker in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder is J. B. verschenen, ambtenaar bij de gemeente Enschede, vergezeld van M. K. , procesmanager coördinatie hulpverlening bij deze gemeente.

3.1.4. H. Y (hierna: Y), de partner en huisgenoot van verzoeker, is uitgenodigd voor de zitting. Op deze zitting is zij echter niet verschenen. Ook anderszins heeft zij zich niet als partij in dit geding gevoegd.

3.2.1. Volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat tevens de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2.2. Als naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Hoewel in de wetsgeschiedenis van de Wth tot uitdrukking is gebracht dat het de voorkeur heeft van deze mogelijkheid gebruik te maken (TK 2005 2006, 30657, nr. 3, blz. 28), zal de voorzieningenrechter dit in het onderhavige geval niet doen. In deze zaak kan in een bodemprocedure een nader onderzoek naar de feiten aangewezen zijn, zodat niet is voldaan aan het criterium van artikel 8:86 van de Awb. De voorzieningenrechter wijst er wel op, dat de rechtbank het beroep na afloop van de termijn waarvoor het huisverbod geldt alleen zal behandelen als verzoeker aantoont nog een belang te hebben bij een uitspraak in de hoofdzaak.

3.3.1. Verweerder heeft aan zijn besluit, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat een gevaar of een ernstig vermoeden van een gevaar bestaat als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth en dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een huisverbod noodzakelijk maken.

3.3.2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij geen pleger is van huiselijk geweld, maar juist slachtoffer, dat ten onrechte aan hem en niet aan Y een huisverbod is opgelegd en dat de vereiste belangenafweging ertoe had moeten leiden dat werd afgezien van oplegging van een huisverbod aan hem.

3.4.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

3.4.2. Hieruit volgt dat de burgemeester alleen dan een huisverbod kan opleggen als zich een gevaar of ernstig vermoeden van een gevaar voordoet als hier bedoeld. Als dat het geval is, heeft de burgemeester echter geen verplichting een huisverbod op te leggen. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid. Dit heeft gevolgen voor de rechterlijke toetsing van het besluit. Of het gevaar of het ernstig vermoeden daarvan bestaat, toetst de rechter vol. Hij beoordeelt zelf of de relevante feiten en omstandigheden het door de burgemeester aangenomen gevaar of vermoeden van gevaar opleveren. Het gebruik van de discretionaire bevoegdheid toetst de rechter marginaal. Dat betekent dat het al dan niet gebruik maken van die bevoegdheid door de rechter slechts kan worden aangetast, als zou moeten worden geoordeeld dat de burgemeester bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

3.4.3. Gelet op artikel 6, derde lid, van de Wth beoordeelt de rechter het bovenstaande niet alleen naar het moment waarop het besluit is genomen, maar gaat hij ook na of zich na het opleggen van het huisverbod feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waardoor (het handhaven van) het huisverbod inmiddels niet meer rechtmatig is.

3.5.1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan de burgemeester thans, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet meer van mening zijn dat het huisverbod gerechtvaardigd is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.5.2. In zijn verzoekschrift en ook ter zitting heeft verzoeker een uitgebreide toelichting gegeven op het incident dat de aanleiding is geweest voor het opleggen van het huisverbod, op zijn persoonlijke situatie en op die van Y en hij heeft weergegeven wat zich nà het opleggen van het huisverbod heeft afgespeeld. Volgens verzoeker kon het incident worden omschreven als een geëscaleerde situatie.

Verzoeker stelt met nadruk juist slachtoffer te zijn van Y en al meermalen de politie om hulp te hebben gevraagd. Y heeft volgens verzoeker een psychiatrisch verleden en de politie heeft hem verteld dat zij al eerder geweldpleger is geweest. Verzoeker heeft geen antecedenten voor geweld. Volgens verzoeker heeft de politie hem, na oplegging van het huisverbod, verteld dat eigenlijk aan Y een huisverbod had moeten zijn gegeven, maar dat dit op dat moment niet meer mogelijk was.

Verzoeker heeft, na oplegging van het huisverbod, dringende sms berichten ontvangen van Y, waarbij hem ondermeer werd bericht dat hij zich bij haar in de woning moest vervoegen om een gesprek met de hulpverlening aan te gaan. Verzoeker is om deze reden naar de woning is gegaan en op het moment dat hij zijn honden verzorgde, is hij door de politie, gewaarschuwd door Y, aangehouden wegens overtreding van het huisverbod. Verzoeker heeft de politie de sms berichten, door Y aan hem gericht, getoond.

Y is nadien ook aangehouden en in verzekering gesteld wegens uitlokken van overtreding huisverbod.

3.5.3. Verweerder heeft ter zitting geen duidelijkheid kunnen geven over de antecedenten en incidenten op basis van de politieregistraties. Verweerder heeft, desgevraagd, ook geen inhoudelijke reactie gegeven op de stelling van verzoeker dat hem, na oplegging van het huisverbod, door de politie te kennen is gegeven dat ten onrechte aan hem en niet aan Y een huisverbod is gegeven. Namens verweerder is naar voren gebracht dat de hulpverlening naar partijen toe op gang is gebracht en er is geen gewag gemaakt van een te verwachten niet coöperatieve houding van partijen hierbij.

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het huisverbod terecht is opgelegd en ook gehandhaafd moet blijven.

3.5.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Wth ook een ingrijpen mogelijk beoogt te maken in situaties waarbij er wel een acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen, maar waarbij niet op eenvoudige wijze is vast te stellen welke partij het meest in aanmerking komt voor oplegging van het huisverbod.

In die situaties moet daarom, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, alleen in zeer in het oog springende gevallen worden geoordeeld dat aan de verkeerde persoon een huisverbod is opgelegd.

De voorzieningenrechter laat in dit geding in het midden of er voldoende reden was om aan verzoeker het huisverbod op te leggen. Er was wel sprake van een geëscaleerde situatie, van een voor verzoeker belastende verklaring hieromtrent van Y en van verbaal agressief gedrag van verzoeker jegens de politie.

Vervolgens is echter van belang of de nadere gegevens waarover de politie ten tijde van het opleggen van het huisverbod kon beschikken een zeer duidelijke aanwijzing hadden moeten opleveren voor ànders besluiten omtrent het huisverbod dan is gedaan. Wegens het ontbreken in het dossier van politiemutaties, uittreksels justitiële documentatie en dergelijke kan de voorzieningenrechter hierover geen voorlopig oordeel geven.

3.5.5. De voorzieningenrechter stelt vast dat zich voor wat betreft de af te wegen belangen sinds het bestreden besluit nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan.

Hierbij overweegt de voorzieningenrechter dat van belang is dat Y thans in verzekering is gesteld. De voorzieningenrechter acht het relaas van verzoeker dat dit is gebeurd wegens uitlokking van een overtreding van het huisverbod, aannemelijk.

Het op dit moment in verzekering gesteld zijn van Y is een omstandigheid die aanleiding geeft tot een hernieuwde belangenafweging.

De omstandigheid waaronder dit is gebeurd werpt tevens een ander licht op het incident dat aanleiding heeft gegeven tot het huisverbod en op de bijdrage van Y hierin.

In dit kader - waarbij mede een rol speelt dat de voorzieningenrechter de mate van gevaar op dit moment niet meer hoog inschat, de hulpverlening in gang is gezet en Y na vrijlating de keuze heeft al dan niet terug te keren naar de woning - oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder zich ter zitting niet meer in redelijkheid op het standpunt had kunnen stellen dat het huisverbod thans nog gehandhaafd moet blijven.

3.6. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen in die zin dat het besluit met onmiddellijke ingang wordt geschorst.

Om deze reden zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker redelijkerwijze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het verzoek, zijnde het betaalde griffierecht en de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (te berekenen naar 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, bij een zaak met gemiddelde zwaarte)

Dit proces-verbaal is opgemaakt door de griffier en ondertekend door:

R. Janssen, griffier mr. T.M. Blankestijn, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op