Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BH6166

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
100805 / FA RK 09-264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening zonder kortsluiting (ivm aangekondigde verlenging), proceskostenveroordeling burgemeester.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2009, 131 met annotatie van L.J.J. Rogier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Registratienummer: 100805 / FA RK 09-264

proces-verbaal mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

X,

wonende te Enschede, verzoeker,

gemachtigde: mr. P.A. Speijdel, advocaat te Enschede,

en

de burgemeester van de gemeente Enschede,

gevestigd te Enschede, verweerder.

1. Aanduiding besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder van 4 maart 2009.

2. Datum van de zitting

10 maart 2009.

3. De voorzieningenrechter sluit de behandeling en doet onmiddellijk mondeling uitspraak.

a. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 644 door de gemeente Enschede te betalen aan de griffier;

- bepaalt dat de gemeente Enschede aan verzoeker het griffierecht ad € 150 vergoedt.

De voorzieningenrechter deelt mede dat tegen de uitspraak geen hoger beroep open staat.

b. Gronden

3.1.1. Verweerder heeft bij besluit van 4 maart 2009 aan verzoeker een huisverbod opgelegd als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth). Dit verbod geldt van 4 maart 2009, 19.15 uur, tot 14 maart 2009, 19.15 uur.

3.1.2. Op 5 maart 2009 heeft verzoeker zowel beroep ingesteld tegen dit besluit, als een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd.

3.1.3. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de hierboven genoemde openbare terechtzitting van 10 maart 2009. Daarbij is verzoeker niet in persoon verschenen, maar heeft hij zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is H verschenen, ambtenaar bij de gemeente Enschede, vergezeld van K, coördinator hulpverlening bij deze gemeente. Op de zitting is T als getuige gehoord. Op de zitting heeft de gemachtigde van verzoeker nadere stukken ingediend. De gemachtigde van verweerder heeft kennis kunnen nemen van deze stukken en met diens toestemming zijn de stukken bij de beoordeling betrokken.

3.1.4. A (hierna: A) de partner en huisgenoot van verzoeker, is uitgenodigd voor de zitting. Op deze zitting is zij echter niet verschenen. Ook anderszins heeft zij zich niet als partij in dit geding gevoegd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van de gemachtigde van verzoeker afgewezen om A telefonisch te horen.

3.1.4. B, de minderjarige huisgenoot van verzoeker en de dochter van A, die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, is uitgenodigd om voorafgaand aan de zitting mondeling haar mening over het huisverbod kenbaar te maken. Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Wel heeft zij een schriftelijke verklaring laten overleggen door de gemachtigde van verzoeker.

3.1.5. De voorzieningenrechter heeft C, de minderjarige dochter en huisgenoot van verzoeker en A, die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, niet in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Ook van haar is echter een schriftelijke verklaring overgelegd.

3.2.1. Volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat tevens de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2.2. Als naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Hoewel in de wetsgeschiedenis van de Wth tot uitdrukking is gebracht dat het de voorkeur heeft van deze mogelijkheid gebruik te maken (TK 2005 2006, 30657, nr. 3, blz. 28), zal de voorzieningenrechter dit in het onderhavige geval niet doen. Daargelaten of de feiten op dit moment al voldoende zijn uitgekristalliseerd, is het niet uit te sluiten dat het huisverbod zal worden verlengd. Verweerder heeft hier op de zitting over gesproken. Door het beroep niet af te doen, zal dit beroep mede tegen de eventuele verlenging zijn gericht, voor zover verzoeker deze verlenging betwist (artikel 9, tweede lid, van de Wth). Het is voor verzoeker dan niet nodig afzonderlijk beroep in te stellen (en opnieuw griffierecht te voldoen). Bovendien is het dan voor hem eenvoudiger een nieuw verzoek in te dienen tot het treffen van een voorlopige voorziening als hij meent dat dit nodig is, bijvoorbeeld vanwege gewijzigde feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter wijst er wel op, dat de rechtbank het beroep na afloop van de termijn waarvoor het huisverbod geldt alleen zal behandelen als verzoeker aantoont nog een belang te hebben bij een uitspraak in de hoofdzaak.

3.3.1. Verweerder heeft aan zijn besluit, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat een gevaar bestond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth en dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een huisverbod noodzakelijk maken.

3.3.2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat dit gevaar niet bestaat, dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgevonden of onjuist is en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

3.4.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

3.4.2. Hieruit volgt dat de burgemeester alleen dan een huisverbod kan opleggen als zich een gevaar of ernstig vermoeden van een gevaar voordoet als hier bedoeld. Als dat het geval is, heeft de burgemeester echter geen verplichting een huisverbod op te leggen. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid. Dit heeft gevolgen voor de rechterlijke toetsing van het besluit. Of het gevaar of het ernstig vermoeden daarvan bestaat, toetst de rechter vol. Hij beoordeelt zelf of de relevante feiten en omstandigheden het door de burgemeester aangenomen gevaar of vermoeden van gevaar opleveren. Het gebruik van de discretionaire bevoegdheid toetst de rechter marginaal. Dat betekent dat het al dan niet gebruik maken van die bevoegdheid door de rechter slechts kan worden aangetast, als zou moeten worden geoordeeld dat de burgemeester bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

3.4.3. Gelet op artikel 6, derde lid, van de Wth beoordeelt de rechter het bovenstaande niet alleen naar het moment waarop het besluit is genomen, maar gaat hij ook na of zich na het opleggen van het huisverbod feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waardoor (het handhaven van) het huisverbod inmiddels niet meer rechtmatig is.

3.5.1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter levert de aanwezigheid van verzoeker in de woning, zowel ten tijde van het opleggen van het huisverbod als op dit moment, ernstig en onmiddellijk gevaar op voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen, namelijk A. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.5.2. A heeft bij de politie verklaard dat verzoeker op 4 maart 2009 zowel een ruit heeft gebroken als een pot mosterd kapot heeft gegooid tegen de muur. Zij verklaart bovendien dat verzoeker haar op die dag heeft bedreigd door te zeggen dat zij voor 18.00 uur 100 euro voor hem moest hebben, anders zou hij de woning vernielen en nog niet weten wat hij dan met haar zou doen. Verder zou verzoeker op die dag ook een kast van de trap hebben gegooid. De voorzieningenrechter acht voorshands aannemelijk dat deze verklaring juist is. A heeft zich in een zeer emotionele toestand om 16.00 uur, dus voor afloop van het ultimatum, bij de politie gemeld omdat ze bang was voor wat er zou gaan gebeuren. De hulpofficier van justitie die het huisverbod namens de burgemeester heeft opgelegd, heeft in de woning zowel de kapotte ruit als de mosterdplek op de muur waargenomen. Ook heeft hij in de badkamer een beschadigde kast waargenomen die daar niet hoorde. Dat A later schriftelijk is teruggekomen van haar stellingen is onvoldoende om aan te nemen dat zij bij de politie onjuist heeft verklaard. Niet alleen is er ondersteunend bewijs voor haar eerste verklaring, zij legt niet uit waarom zij bij de politie zou hebben gelogen. Ook de ter zitting gegeven alternatieve verklaringen voor de kapotte ruit en de val van de kast zijn om deze reden onaannemelijk.

3.5.3. Verder komt verzoeker een groot aantal keren voor in het registratiesysteem van de politie. Dit zijn ook registraties van geweld dat verzoeker heeft gebruikt, de laatste keer nog in januari van dit jaar. Ten slotte zijn er door de verklaring van A aanwijzingen dat verzoeker alcohol en drugs gebruikt en, volgens A, de dag daarop agressief is, wat wijst op middelenmisbruik.

3.5.4. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat het gevaar voor fysiek en psychisch geweld dat uit deze feiten en omstandigheden volgt, inmiddels is geweken. De persoonlijke omstandigheden en de gezinssituatie zijn niet gewijzigd. Met name is er geen begin gemaakt met het hulpverleningstraject. Zoals de heer Kroeze ter zitting heeft verklaard, weigeren zowel verzoeker als A iedere hulpverlening.

3.6.1. Gegeven dit gevaar, is de burgemeester bevoegd het huisverbod op te leggen. Uit het bestreden besluit volgt dat dit gevaar ook zwaar heeft gewogen in de door hem gemaakte belangenafweging. Er zijn geen bijzondere belangen aannemelijk geworden die zich tegen de oplegging van het huisverbod verzetten. Weliswaar stelt A in haar schriftelijke verklaring van 5 maart 2009 dat zij wegens medische klachten haar partner thuis nodig heeft, maar zij onderbouwt dit verder niet. Dat in het algemeen het huisverbod ingrijpend is voor verzoeker en diens huisgenoten is duidelijk. Alle huisgenoten hebben inmiddels schriftelijk verklaard dat zij willen dat verzoeker terugkeert naar huis. Dit enkele feit is echter onvoldoende om te oordelen dat verweerder ten tijde van het opleggen van het huisverbod niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Dit belang van alle betrokkenen is ondergeschikt aan de noodzaak tot beveiliging van de huisgenoten en aan de poging de geweldsspiraal te doorbreken.

3.6.2. Voor wat betreft de af te wegen belangen is sinds het bestreden besluit enkel als nieuw feit of nieuwe omstandigheid naar voren gekomen, dat zowel verzoeker als A iedere medewerking aan de hulpverlening weigert. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat dit geen reden is het huisverbod op te heffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid tot dit standpunt kunnen komen. Een veel voorkomend onderdeel van de genoemde geweldsspiraal is, dat slachtoffers van huiselijk geweld na een gewelddadig incident de neiging hebben het geweld te bagatelliseren en bemoeienis van buiten afwijzen. Het enkele feit dat geen medewerking wordt verleend aan hulpverlening hoeft daarom niet in de weg te staan aan de handhaving van een huisverbod.

3.7.1. Verzoeker heeft aangevoerd dat het besluit zelf geen dragende motivering bevat en dat de later toegevoegde stukken te laat zijn om als motivering van het besluit te kunnen aanmerken.

3.7.2. De voorzieningenrechter overweegt dat het ingevulde formulier van 4 maart 2009 tot oplegging van het huisverbod zelf enkele feiten en omstandigheden noemt die aanleiding geven tot oplegging. Dit formulier vermeldt echter ook dat deze beschikking is gebaseerd op een ter plaatse gehanteerd Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG). Dit RiHG is eveneens op 4 maart 2009 ingevuld en verwijst op zijn beurt naar een op te maken proces-verbaal. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van 4 maart 2009 van de eerder genoemde hulpofficier van justitie T. Gelet op de genoemde onderlinge verwijzingen en op de samenhangende inhoud, moeten naar het oordeel van de voorzieningenrechter al deze stukken tezamen worden aangemerkt als de motivering van het bestreden besluit.

3.7.3. Het is mogelijk dat niet al deze stukken samen met de oplegging van het huisverbod aan eiser bekend zijn gemaakt. Dit zou met name zo kunnen zijn met het genoemde proces-verbaal, dat eerst na de oplegging is opgesteld. Dit betekent echter niet dat het besluit onrechtmatig is. Artikel 3:47, eerste lid, van de Awb staat immers toe de motivering later dan het besluit zelf bekend te maken als gelijktijdige bekendmaking door de vereiste spoed niet mogelijk is. Omdat in zaken als deze, (rechterlijke) toetsing op zeer korte termijn moet kunnen plaatsvinden, zal de bekendmaking van de motivering zo spoedig mogelijk moeten geschieden en kan niet worden vastgehouden aan de termijn van één week die in artikel 3:47, derde lid, van de Awb is genoemd. De voorzieningenrechter heeft echter geen reden om aan te nemen dat de motivering niet op de juiste wijze en niet zo snel als mogelijk alsnog aan verzoeker is bekendgemaakt.

3.8.1. Ten slotte heeft verzoeker aangevoerd dat de motivering van het bestreden besluit onjuist is omdat enerzijds het formulier tot oplegging van het huisverbod en het RiHG verkeerd zijn ingevuld en omdat anderzijds geen redengevende feiten en omstandigheden zijn genoemd.

3.8.2. De voorzieningenrechter constateert met verzoeker, dat het RiHG onjuist is ingevuld. In verschillende rubrieken is wel een oordeel gegeven over de mate van gevaar, maar is niet aangekruist welke feitelijke omstandigheid zich voordoet. Verder komt uit het RiHG of de andere stukken niet steeds duidelijk naar voren welke concrete feiten die betrekking hebben op verzoeker, het incident of de achtergronden hebben geleid tot het betreffende oordeel. Zo vermeldt bijvoorbeeld de rubriek “1. Antecedenten & incidenten (op basis van politieregistraties)” dat uit registraties van eerdere incidenten een hoog risico volgt, maar niet om wat voor soort registraties het gaat (geweld, zeden, wapengerelateerd en/of overig), terwijl de betreffende concrete antecedenten van verzoeker ook niet zijn beschreven of aangeduid.

3.8.3. Verder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook het formulier tot oplegging van het huisverbod niet juist ingevuld. De onderdelen A., B. en C. van het onderdeel “Feiten en omstandigheden”, die duidelijk terugwijzen naar het RiHG, vermelden niet steeds feiten en omstandigheden die reden geven voor het aannemen van gevaar.

3.8.4. Deze inconsistenties en onduidelijkheden zijn echter geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Uiteindelijk is ter zitting, mede door de gehoorde getuige T, voldoende aannemelijk geworden dat het gevaar bestaat zoals hiervoor omschreven onder 3.5. Voor zover in de hoofdzaak de motivering uiteindelijk onvoldoende zal blijken, is niet te verwachten dat een oordeel zal volgen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit vernietigt.

3.9 Vanwege deze gebreken acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, wel billijk verweerder te veroordelen in het door verzoeker ten behoeve van het verzoek betaalde griffierecht ad € 150 alsmede in de kosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek, zijnde kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (te berekenen naar één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting, bij een zaak van gemiddelde zwaarte) ad € 644, tezamen derhalve € 794.

Dit proces-verbaal is opgemaakt door de griffier en ondertekend door:

G.M. Keupink, griffier mr. dr. E. Venekatte, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op 13 maart 2009