Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BH6003

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
08/000096-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een beslissing moeten nemen op grond van artikel 38e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat zij moest toetsen of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Het lage tot matige recidiverisico brengt in de onderhavige zaak met zich mee dat niet gezegd kan worden dat betrokkene een ernstig gevaar vormt voor zijn omgeving. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist niet dat de samenleving tegen betrokkene beschermd moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook onvoldoende grond voor verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene. De vordering van de officier van justitie is derhalve afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/000096-99

Sas-nummer: 08/421

BESLISSING VERLENGING T.B.S.

De rechtbank te Almelo, meervoudige raadkamer voor strafzaken:

Op 11 augustus 2008 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een vordering d.d. 8 augustus 2008 van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, strekkende tot verlenging met twee jaar van de termijn van terbeschikkingstelling van:

[TERBESCHIKKINGGESTELDE],

geboren [1953] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de FPC Oldenkotte te Rekken,

Bij arrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 20 februari 2002, na bewezenverklaring van de misdrijven:

- “het medeplegen van verkrachting”, meermalen gepleegd,

- “het medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid”, meermalen gepleegd,

- “het medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”,

- “het medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen”,

is de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd, welke terbeschikkingstelling laatstelijk bij beslissing van deze rechtbank van 21 september 2006 werd verlengd voor de tijd van twee jaar, en waarvan de termijn, behoudens nadere voorziening, zal eindigen op 7 oktober 2008.

De vordering is voor de eerste maal behandeld op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2008. Het onderzoek ter terechtzitting is toen geschorst, omdat de op verzoek van de raadsman uit te voeren contra-expertise door prof. C. de Ruiter nog niet gereed was. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare terechtzitting van 11 december 2008. Hierbij zijn gehoord: de officier van justitie, de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman G.J.J. Knoops, advocaat te Amsterdam alsmede C. van Emmerik, D. Meijer en C. de Ruiter, getuige-deskundigen. Tijdens die terechtzitting heeft de rechtbank ten tweede male het onderzoek tot een in overleg met de officier van justitie te bepalen tijdstip geschorst, teneinde enerzijds FPC Oldenkotte in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op het rapport van prof. De Ruiter en om de scores van de door haar uitgevoerde risicotaxaties te overleggen en anderzijds om een externe psychiater van het NIFP nader te laten rapporteren omtrent een drietal door de rechtbank geformuleerde vragen. Ook van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De vordering is vervolgens wederom behandeld op de openbare terechtzitting van 26 februari 2009 door voormelde raadkamer. Hierbij zijn gehoord:

de officier van justitie, de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam alsmede C. van Emmerik, S.M.M. Lammers, C. de Ruiter en W.J. Canton, getuige-deskundigen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Als gevolg van voormelde schorsingen van het onderzoek ter terechtzitting beslist de rechtbank niet binnen de in art. 509t lid 1 Sv genoemde termijn van twee maanden na de dag waarop de vordering tot verlenging is ingediend. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door de nader uitgebrachte rapportages van prof. De Ruiter en dr. Canton en door de schriftelijke reactie van FPC Oldenkotte op het rapport van prof. De Ruiter. De rechtbank is van oordeel dat deze nadere rapportages in het belang zijn geweest van een zorgvuldige behandeling van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene en dat de overschrijding van de wettelijke termijn daarmee gerechtvaardigd is.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:

- het op 9 juli 2008 op grond van artikel 509o Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies, ondertekend door C. van Emmerik, D.H.J. van Buren en M. Hanoeman, allen werkzaam bij de FPC Oldenkotte te Rekken;

- de door mr. Knoops op 9 december 2008 ingebrachte rapportage d.d. 9 december 2008 van C. de Ruiter, klinisch en forensisch psycholoog;

- de door FPC Oldenkotte op 15 januari 2009 ingebrachte reactie op de rapportage van C. de Ruiter;

- het psychiatrisch onderzoek (Pro Justitia Rapport) d.d. 10 februari 2009, uitgebracht door W.J. Canton, psychiater en vast gerechtelijk deskundige;

- de in artikel 509o Wetboek van Strafvordering bedoelde wettelijke aantekeningen.

A.

Uit het advies van de kliniek in samenhang met de wettelijke aantekeningen, komt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende naar voren.

Betrokkene is een zwakbegaafde man met een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, theatrale en paranoïde trekken. Er is sprake van een ongekende lege binnenwereld en een minimale lijdensdruk. Hij ervaart zichzelf als slachtoffer, vindt dat hij ten onrechte vastzit voor delicten die hij stellig ontkent. Ontkenning van de ernst van zijn delict verwijst naar een onderliggende angst en onrijpheid van de persoonlijkheidsstructuur. Sinds betrokkene in Oldenkotte is opgenomen is er geen commitment ontstaan ten aanzien van de behandeling. Hij ontkent zijn delict volledig en weigert te participeren in (delictgerelateerde) therapieën. Er is nog altijd sprake van een impasse in de behandeling. Behandeling is niet tot stand gekomen. Betrokkene richt zich enkel op heropening van de zaak. Hierdoor ervaart hij een hoge mate van spanning. Dit neemt hem volledig in beslag en blokkeert hem compleet. Ook de al lang bestaande problematiek (agressie- en alcoholproblematiek) en eerdere delicten kunnen hierdoor niet besproken en behandeld worden. Er is sprake van een totale ontkenning en vermijding. Het recidiverisico is hierdoor onverminderd aanwezig. Betrokkene heeft probleembesef, maar geen inzicht in de variabelen die zijn gedrag bepalen. Hierin is de afgelopen twee jaar geen verbetering opgetreden. Betrokkene is over het algemeen vriendelijk in contact en de aangeboden structuur vanuit de omgeving stelt hem in staat om adequaat te kunnen functioneren. Hij neemt op positieve wijze deel aan beeldende therapie en aan zijn schoonmaakwerkzaamheden binnen de Dienst Dag Besteding. Er zijn in de afgelopen periode geen signalen die duiden op een seksueel deviante voorkeur of gerichtheid op seksualiteit. Ook zijn er geen aanwijzingen voor middelengebruik. Er is door de commissie Posthumus een verzoek tot herziening van zijn zaak ingediend. Zolang er geen duidelijkheid is over de mogelijk onterechte veroordeling van betrokkene zal behandeling niet gerealiseerd kunnen worden. Er is slechts sprake van verpleging. Er zijn geen voorvoorbereidingen getroffen tot resocialisatie. Eerst zal behandeling moeten plaatsvinden en het recidiverisico moeten afnemen alvorens we hiertoe kunnen overgaan.

Het advies luidt: Verlengen van de terbeschikkingstelling met twee jaar.

B.

Uit de rapportage van C. de Ruiter komt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende naar voren.

De diagnose

Volgens De Ruiter is het verlengingsadvies slechts beperkt op een deugdelijke grondslag gebaseerd. De kliniek formuleert op pagina 4 van haar advies een DSM-IV diagnose. Zij benoemt onder As I en As II Pedofilie, Relatieprobleem NAO, Zwakbegaafdheid en Persoonlijkheidsstoornis NAO. De Ruiter concludeert dat de belangrijkste diagnosen onjuist zijn. De diagnosen Pedofilie en Zwakbegaafdheid kunnen op grond van de beschikbare gegevens niet gesteld worden. De diagnose Relatieproblemen NAO wordt niet onderbouwd in de stukken. De diagnose Persoonlijkheidsstoornis NAO wordt door de kliniek overgenomen uit het PBC rapport. De onderbouwing van deze diagnose in dat rapport is onvolledig.

Volgens De Ruiter is erbij betrokkene sprake van een depressie. Het feit dat de diagnose depressieve stoornis door de behandelaars van Oldenkotte volledig over het hoofd is gezien is zorgelijk. Een depressie is een ernstige psychiatrische aandoening met soms fatale (suïcide), maar ook andere lichamelijke gevolgen (aandoeningen aan hart en bloedvaten). Een depressie moet behandeld worden: vaak met een combinatie van pillen en praten.

Risicotaxatie en recidiverisico

De kliniek gebruikt de HKT-30 om een risicotaxatie uit te voeren. Dit instrument is in verschillende Nederlandse studies betrouwbaar en valide bevonden. De risicotaxatie van de kliniek is gebaseerd op de door haar gestelde diagnose. Dit verklaart voor een groot deel de verschillen in de uitkomsten van de risicotaxatie van de kliniek en die in het huidige onderzoek van De Ruiter. De kliniek gaat namelijk uit van de aanwezigheid van de diagnose Pedofilie en van een hoge PCL-R score bij de risicotaxatie en die twee risicofactoren gezamenlijk leiden al tot een hoog risico. Naar de mening van De Ruiter is de diagnose pedofilie onjuist en ook de hoge PCL-R score van de kliniek niet te onderbouwen. Een belangrijke risicofactor voor seksuele delicten is de diagnose psychopathie. Daarom werd ook de Psychopathie CheckList Resives (PCL-R) in het huidig onderzoek gecodeerd. Op de PCL-R totaal scoort betrokkene 11. Deze score is niet in het klinische bereik, maar ligt net iets boven de totaalscore van het gemiddelde in de normale bevolking. Betrokkene scoort over de gehele linie laag op alle twee factoren van psychopathie: de affectieve-interpersoonlijke factor (Factor 1) en de gedragsmatige-antisociale factor (Factor 2).

Omdat het hier een risicotaxatie aangaande toekomstig seksueel delictgedrag betreft, heeft De Ruiter gebruik gemaakt van de Sexual Violence Risk-20 (SVR-20). De SVR-20 is een betrouwbaar en valide instrument voor de taxatie van het risico op toekomstige seksuele delicten bij personen die eerdere delicten hebben gepleegd. Dit betekent dat dus vast moet staan dat de onderzochte eerder seksuele delicten heeft gepleegd. Betrokkene behaalt een totaalscore van 11 op de SVR-20 en het gestructureerde professionele oordeel komt uit op laag. Betrokkene scoort niet op de twee meest krachtige empirische risicofactoren voor seksueel delictgedrag, namelijk seksuele deviantie en psychopathie. De risicofactoren 12 tot en met 17 zijn in het geval van de betrokkene lastig te scoren, omdat hij de seksuele delicten ontkent en zijn dochter Deborah haar beschuldigingen inmiddels heeft ingetrokken. Betrokkene heeft juist veel moeite met medepatiënten in de kliniek die openlijk hun seksuele voorkeur voor kinderen uiten. Wat opvalt aan de score op SVR-20 is dat zij, indien we de items over de seksuele delicten buiten beschouwing laten omdat deze in dit geval zo lastig te scoren zijn, zeer laag zijn. Vanwege het geconstateerde lage risico op de SVR-20 is er geen grondslag voor voortzetting van de TBS.

C.

Uit de reactie van FPC Oldenkotte op de rapportage van prof. dr. C. de Ruiter d.d. 15 januari 2009 komt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende naar voren.

De kliniek is in haar eerdere rapportage aan de rechtbank uitgegaan van de feiten zoals deze eerder tijdens de rechtsgang wettig en overtuigend bewezen zijn. Het is zinloos om een rapportage te maken als men geen rekening houdt met deze delicten.

De rapportage van De Ruiter wekt geen onafhankelijke indruk. De kliniek juicht het dan ook toe dat een onafhankelijke deskundige zich over de zaak zal buigen.

De diagnose

De kliniek heeft de categorale diagnose ‘pedofilie’ gesteld volgens het internationaal erkende DSM-IV systeem. Het is duidelijk dat het hier niet om een enkel pedoseksueel delict gaat, maar om een jarenlang patroon van misbruik van kinderen. Aangezien betrokkene geen toegang geeft tot zijn binnenwereld is het geven van een beschrijvende diagnose niet mogelijk. De kliniek heeft de classificatie daarom als voorlopig aangemerkt. Voor de risicotaxatie maakt dit niet veel uit; immers het gaat dan onder andere om het delictgedrag. Een stoornis hoeft niet per se aanwezig te zijn.

Het is juist dat betrokkene binnen de kliniek geen seksueel deviant gedrag laat zien. De ervaring heeft echter geleerd dat plegers van seksuele delicten zich vaak uitermate aangepast gedragen in de kliniek en niet snel toegeven dat zij een bijzondere belangstelling voor kinderen hebben.

Binnen de kliniek is bij betrokkene geen depressie vastgesteld. De Ruiter is niet bevoegd tot het stellen van een psychiatrische diagnose omdat zij geen medicus is en derhalve geen rechtstreeks toegang heeft tot het medisch dossier van betrokkene.

Risicotaxatie en recidiverisico

De kliniek is van mening dat het recidiverisico van betrokkene hoog is. De risicotaxatie die de kliniek heeft gemaakt wijst op een hoge score op de PCL-R en de aanwezigheid van seksuele deviantie. Deze combinatie impliceert ernstig delictgevaar. De weigering om delictgerelateerde behandeling te volgen heeft tot gevolg dat het recidiverisico van betrokkene hoog blijft.

De kliniek heeft de aanwezigheid van psychopathie geconstateerd op basis van de score op de Psychopathie Checklist (PCL-R). De PCL-R wordt meestal geacht uit twee factoren te bestaan. Een factor betreft het antisociale en impulsieve gedrag. Op deze factor komen De Ruiter en de kliniek tot eenzelfde score. Een andere factor betreft de typisch psychopate persoonlijkheidstrekken van betrokkene. Hierop lopen de scores van De Ruiter en de kliniek sterk uiteen, met als gevolg dat De Ruiter op een aanzienlijk lagere totaalscore uitkomt. Van de items in deze factor is bekend dat beoordelaars het daarover vaker niet eens zijn, omdat oordelen over persoonlijke trekken nu eenmaal subjectiever zijn. Bovendien speelt een rol dat De Ruiter geen rekening houdt met het delictgedrag van betrokkene dat wettig en overtuigend bewezen is. Volgens onderzoek bij ex-tbs-ers (Hilbrand & De Ruiter 2003) wijst de combinatie van een hoge score op de PCL-R in combinatie met de aanwezigheid van seksuele deviantie op een groot delictgevaar. Overigens is het recidiverisico bij de categorie delinquenten waartoe betrokkene behoort sowieso hoog, onafhankelijk van de score op de PCL-R.

De totaalscore op de SVR-20 van De Ruiter is aanzienlijk lager dan de score die de kliniek heeft toegekend. De verschillen komen voor een deel door de eerder besproken verschillen in de beoordeling van seksuele deviantie en psychopathie. Daarnaast heeft De Ruiter bepaalde items niet gecodeerd vanwege de ontkenning van betrokkene, waardoor er een lagere score ontstaat.

D.

Op verzoek van de rechtbank heeft psychiater W.J. Canton betrokkene onderzocht, waarna hij de door de rechtbank geformuleerde vragen heeft beantwoord.

Bij bestudering van het onderzoek dient het volgende in aanmerking te worden genomen :

- Canton gaat uit van de feiten zoals die door het Hof Arnhem wettig en overtuigend bewezen zijn verklaard.

- De conclusies in zijn onderzoek rondom diagnostiek en risicotaxatie zijn tot stand gekomen in overleg met dr. D. van Beek, psycholoog en opinion leader op het gebied van diagnostiek, risicotaxatie en behandeling van seksuele delinquenten.

Uit de rapportage van W.J. Canton komt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende naar voren.

De diagnose

Volgens Canton is er bij betrokkene sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Hij heeft beperkt zelfinzicht en nauwelijks reflectievermogen. Betrokkene heeft moeite met het omgaan met emoties en er zijn problemen in het contact met anderen. Ook wordt er gesproken over een gebrekkige beheersing van de impulsen. Een en ander is zowel af te leiden uit de biografie als uit observaties tijdens het verblijf in het Pieter Baancentrum. Een langdurig klinische observatie, een goede biografie en een goed milieuonderzoek is voor het stellen van de diagnose persoonlijkheidsstoornis ruim voldoende.

Een psychiatrische diagnose mag niet uitsluitend op het delict berusten. Daarnaast dient de diagnostiek overeind te blijven als het delict niet bewezen zou zijn. Met andere woorden: het delictgedrag alleen is niet voldoende om een diagnose te kunnen stellen (conceptrichtlijn rapportage pro justitia, 2009). De rapporteurs van het PBC hebben daarom bij hun onderzoek in 2000 terecht deze diagnose niet gesteld.

Het stellen van de diagnose pedofilie kan niet plaatsvinden uitsluitend vanwege het feit dat iemand pedoseksuele handelingen heeft gepleegd. Er is ook zicht voor nodig op de binnenwereld van de onderzochte, op diens fantasieën en drijfveren. Met name het hebben van een deviante seksuele voorkeur, (al dan niet exclusief) gericht op kinderen is essentieel om de diagnose pedofilie te kunnen stellen. Gezien de ontkennende attitude van betrokkene is dit zicht niet te krijgen. Geconcludeerd moet worden dat de diagnose seksuele deviantie en pedofilie niet betrouwbaar zijn vast te stellen omdat deze diagnose alleen zou berusten op het delictgedrag, er geen zicht is op de achtergrond van het pedoseksuele gedrag en er geen aanwijzingen zijn dat er ook sprake zou zijn van seksueel deviant of pedofiel gedrag en met name niet van een deviante seksuele voorkeur buiten de periode van het delictgedrag.

Er is volgens Canton onvoldoende onderbouwing om de diagnose ‘depressie’ te kunnen stellen.

Risicotaxatie en recidiverisico

Canton heeft grote problemen met de risicotaxatie zoals die in 2000 door het PBC is uitgevoerd. Gestructureerde risicotaxatie heeft niet plaatsgevonden. Er is bij de inschatting van het risico alleen rekening gehouden met klinische risicofactoren die daardoor onevenredig veel gewicht hebben gekregen. Alle andere factoren waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat deze van invloed kunnen zijn op het recidiverisico zijn buiten beschouwing gelaten. Op basis van de bevindingen kan de inschatting van een hoog recidiverisico niet onderbouwd worden. Het onterecht hoog inschatten van het recidiverisico heeft volgens Canton geleid tot een onjuist advies aan de rechtbank om TBS met dwangverpleging op te leggen.

Bij de inschatting van het risico wordt het beste resultaat behaald met de zogenaamde gestructureerde klinische risicotaxatie: de inschatting van het herhalingsrisico met behulp van gestandaardiseerde instrumenten door twee of meer personen, gevolgd door een consensusbespreking. Canton heeft van deze vorm van risicotaxatie gebruik gemaakt. Met dr. D. van Beek heeft hij de consensusbespreking gehouden. Bij risicotaxatie zijn de volgende factoren van belang. Op de eerste plaats de base-rate van het delict. Daarnaast zijn de persoonsgebonden factoren, onder te verdelen in historische, klinische en toekomstfactoren, van belang. Bij het opleggen van een terbeschikkingstelling is het van belang dat het recidiverisico (deels) samenhangt met de gediagnosticeerde stoornis. In deze zaak heeft de risicotaxatie van de onderzoeker plaatsgevonden op basis van delictgegevens en een aantal harde gegevens over de persoon van betrokkene, verkregen uit het dossieronderzoek en het eigen onderzoek. Het is echter niet mogelijk om op betrouwbare wijze te begrijpen hoe betrokkene tot het delict is gekomen. Dit maakt de voorspellende waarde van de taxatie geringer.

Van pedoseksuele delicten in het algemeen weten we dat het recidiverisico, in vergelijking met de meeste andere strafbare feiten, in het algemeen laag is. Dit volgt onder meer uit een grote meta-analyse van Hanson uit 2003. Uit zijn onderzoek volgt dat het recidiverisico wat betreft incest heel laag is. Bij een analyse van de cijfers uit deze analyse is duidelijk geworden dat het recidiverisico van pedoseksuele delicten vooral bepaald wordt door het al dan niet bestaan van psychopathie en van een seksuele deviantie bij de dader. Indien deze twee stoornissen ontbreken, dan is ligt het herhalingsrisico aanzienlijk lager. Canton concludeert dat er bij betrokkene geen sprake is van psychopathie en dat evenmin seksueel deviant gedrag is vast te stellen.

Een analyse van de SVR-20 leidt tot de volgende conclusies:

Tegen een hoog risico pleiten vooral het niet aanwezig zijn van psychopathie en het ontbreken van een deviante seksuele voorkeur. Voor een hoog risico pleiten vooral de zogenaamde delicteigenschappen: de hoge dichtheid van de delicten, de meerdere typen, het lichamelijk letsel bij de slachtoffers, het gebruik van wapens of bedreiging, de escalatie in frequentie of ernst en de ontkenning van de delicten.

Consensusoordeel risicotaxatie

Het recidiverisco is, ook middels klinisch gestructureerde risicotaxatie, moeilijk in te schatten. Om tot de meest betrouwbare inschatting te komen is inzicht in het hoe en waarom van de gepleegde delicten noodzakelijk. Door de ontkenning van de betrokkene is dit inzicht niet of nauwelijks te krijgen. Deze restrictie in acht nemend, komt Canton tot de volgende conclusie: betrokkene is veroordeeld voor pedoseksuele delicten die sterk contextgebonden waren. De base-rate van dit type delicten is laag. Bij betrokkene is geen sprake van een deviante seksuele voorkeur noch van psychopathie. Wel was er ten tijde van de gepleegde delicten sprake van alcoholmisbruik, hetgeen bij betrokkene een ontremmende invloed had op agressiviteit en seksualiteit. Ook was er sprake van gebrek aan structuur door het wegvallen van werk en van enkele belangrijke mensen in zijn leven. Door dit gebrek aan structuur kon hij, met zijn beperkte intelligentie en beperkte copingvaardigheden, de problemen in zijn gezin niet aan. De herhalingskans bij dit type delict is bij mensen met een persoonlijkheidsprofiel als betrokkene laag. De hoge score op de SVR-20 werkt risicoverhogend, waardoor de uiteindelijke herhalingskans als laag tot matig kan worden ingeschat.

De officier van justitie heeft ter zitting zijn vordering gewijzigd. Hij vordert thans een verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar.

De raadsman mr. Knoops, voornoemd, en betrokkene voeren verweer tegen de vordering. De raadsman concludeert tot afwijzing van de vordering.

Ter terechtzitting van 26 februari 2009 heeft de raadsman als preliminair punt naar voren gebracht dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in zijn vordering nu deze vordering is gegrond op het verlengingsadvies van FPC Oldenkotte, dat is gebaseerd op een voorlopige diagnose. Deze opvatting van de raadsman vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het recht en kan derhalve niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden.

De rechtbank benadrukt dat zij een beslissing moet nemen op grond van artikel 38e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat zij moet toetsen of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

In dit verband heeft de raadsman onder meer als verweer naar voren gebracht dat op basis van de inhoud van het CEAS-rapport, opgemaakt met betrekking tot de strafzaak van betrokkene en de op dat rapport volgende herzieningsprocedure niet langer volgehouden kan worden dat de aan betrokkene ten laste gelegde feiten zich daadwerkelijk hebben voorgedaan c.q. bewezen zijn te achten. Dit betekent, aldus de raadsman, dat het Hof Arnhem de TBS-maatregel aan betrokkene heeft opgelegd op grond van een PBC-rapport waarin ten onrechte verondersteld werd dat de aan betrokkene ten laste gelegde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan c.q. bewezen waren te achten. Deze constatering is reden om de vordering tot verlenging af te wijzen.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman om de volgende reden. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich mee dat in het kader van de behandeling van een vordering tot verlenging van de TBS er geen ruimte is om ten gronde (formele en materiële) gebreken die zouden kleven aan de oplegging van de terbeschikkingstelling of eerdere verlengingen te beoordelen. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Penitentiaire Kamer van het gerechtshof Arnhem d.d. 28 april 2006, LJN AW5529.

De rechtbank heeft voor de eerste behandeling ter terechtzitting kennisgenomen van de rapportage van de kliniek en de rapportage van professor De Ruiter. Gebleken is dat deze deskundigen over de diagnose en het recidiverisico -zoals hierboven weergegeven- verschillende meningen zijn toegedaan. De verschillen van inzicht van de betrokken deskundigen zijn zo fundamenteel van aard dat zij hebben geleid tot met elkaar onverenigbare adviezen aan de rechtbank. De rechtbank heeft zich daarom genoodzaakt gezien om een derde externe deskundige van het NIFP bij de zaak te betrekken, die naast een eigen onderzoek naar de diagnose en het recidiverisico eveneens een waardeoordeel geeft over de door De Ruiter en de kliniek opgemaakte adviezen.

Deze derde deskundige, te weten psychiater en vast gerechtelijk deskundige, W.J. Canton, heeft zich in zijn rapportage kritisch uitgelaten over de door de kliniek en De Ruiter opgemaakte rapportages en de door het Pieter Baan Centrum in 2000 uitgevoerde risicotaxatie. Canton concludeert dat zowel de kliniek als De Ruiter selectief gebruik hebben gemaakt van gegevens en onvoldoende onder de aandacht hebben gebracht dat de betrouwbaarheid van de diagnostiek en van de risicotaxatie door de ontkennende opstelling van betrokkene beperkt wordt. De problemen in deze zaak zijn echter naar de stellige overtuiging van Canton begonnen met de niet volgens de ‘state of the art’ uitgevoerde risicotaxatie door het Pieter Baan Centrum, waarin ten onrechte wordt gesteld dat er sprake is van een hoog recidiverisico.

De rechtbank constateert dat het Hof Arnhem bij de oplegging van de TBS-maatregel in zijn arrest van 20 februari 2002 het multidisciplinair rapport d.d.12 juli 2000, uitgebracht door T.A. Wouters, psychiater en H.E.W. Koornstra, psycholoog, beiden verbonden aan de Psychiatrische Observatiekliniek van het Gevangeniswezen “Pieter Baan Centrum“ te Utrecht, als uitgangspunt heeft genomen. Het hof overwoog als volgt:

“In het reeds hiervoor genoemde multidisciplinaire rapport wordt geconcludeerd dat verdachte in staat moet worden geacht – gelet op de door wraakzucht (krenkbaarheid) ingekleurde persoonlijkheidspathalogie, zijn ontkennende houding, het ontbreken van probleembesef en de hiermee samenhangende neiging tot externalisatie – door extreme toename van onmachtgevoelens in geval van een bewezenverklaring, in het kader van zijn behoefte tot zelfdramatisering te komen tot een herhaling van soortgelijke feiten. Tevens wordt er een gevaar ingeschat voor zijn echtgenote en voor anderen die een belastende verklaring over hem hebben afgelegd. Gelet op het gevaar voor recidive wordt geadviseerd last te geven tot de terbeschikkingstelling van verdachte, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof is van oordeel – gelet op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en zijn in voormeld multidisciplinair rapport omschreven delictgevaarlijkheid – dat verdachte langdurig uit de samenleving moet worden verwijderd. Het hof acht derhalve noodzakelijk om naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. “

De rechtbank ziet zich met de rapportage van Canton geconfronteerd met een uitvoerige onderbouwing van het recidiverisico. Canton heeft een klinisch gestructureerde risicotaxatie uitgevoerd en in zijn rapportage zowel de factoren genoemd die pleiten voor een hoog recidiverisico als de factoren die pleiten voor een laag recidiverisico. Vervolgens heeft hij een consensusbespreking gehouden met dr. Van Beek voornoemd, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank nog meer gewicht geeft aan zijn rapportage.

Canton heeft geconcludeerd dat er sprake is van een laag tot matig recidiverisico. Hij is in zijn onderzoek geconfronteerd met één grote belemmering: het feit dat betrokkene de delicten ontkent maakt dat er geen zicht te krijgen is op zijn binnenwereld waardoor onduidelijk blijft waarom en hoe hij tot het delictgedrag is gekomen. Ondanks deze restrictie maakt Canton echter de inschatting dat – vanwege het feit dat de herhalingskans bij het type delict waarvoor betrokkene veroordeeld is laag is en dat er bij betrokkene geen sprake is van deviante seksuele voorkeur noch van psychopathie – de uiteindelijke herhalingskans als laag tot matig kan worden ingeschat. De rechtbank neemt deze inschatting en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen over.

Het lage tot matige recidiverisico brengt in de onderhavige zaak met zich mee dat niet gezegd kan worden dat betrokkene een ernstig gevaar vormt voor zijn omgeving. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist niet dat de samenleving tegen betrokkene beschermd moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook onvoldoende grond voor verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene. De vordering van de officier van justitie dient derhalve te worden afgewezen.

Gelet op de artikelen 38d, 38e van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 509o, 509p, 509s (juncto 509l, 509m) en 509t van het Wetboek van Strafvordering;

B E S L I S S E N D E :

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gewezen door mr. Blomhert, voorzitter, mrs. Maten en Stam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Falkmann, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2009.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.