Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2009:BH2176

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-02-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
08.700312-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich - in de hoedanigheid van bewindvoerder - gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan verduistering van grote geldbedragen van vier verstandelijk beperkte personen, die aan zijn zorg waren toevertrouwd. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan mishandeling van twee van de vier voornoemde personen. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan, maar houdt bij de strafoplegging rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank spreekt verdachte vrij voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging en mishandeling door benadeling van de gezondheid van voornoemde personen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering. De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen aan de vier slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/700312-08

STRAFVONNIS

Uitspraak: 6 februari 2009

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[Verdachte],

geboren te [Woonplaats] op [Geboortedatum],

wonende te [Woonplaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te Almelo

terechtstaande terzake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 augustus 2008,

in de gemeente Enschede,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk mishandelend (een) perso(o)n(en),

genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], met een pistool/geweer en/of een knuppel en/of

een zweep en/of een tuinslang en/of een slof en/of een ring, althans met enig

voorwerp en/of met zijn, verdachtes, vuist heeft gestompt en/of geslagen,

waardoor deze (telkens) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben

ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 augustus 2008,

in de gemeente Enschede,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een) geldbedrag(en), in elk geval

enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en), althans welk(e) goed(eren),

verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van die

perso(o)n(en), in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had,

(telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 augustus 2008,

in de gemeente Enschede,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een) (perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd

gehouden, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk de (slaap)kamer

waarin [slachtoffer 1]en/of [slachtoffer 2] zich bevond(en), afgesloten en/of die (slaap)kamer op zo'n wijze afgesloten en/of af doen sluiten dat die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de kamer niet kon(den) verlaten;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 augustus 2008,

in de gemeente Enschede, meermalen, althans eenmaal,

(een) perso(o)n(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte (telkens) opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (telkens) de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij die [slachtoffer 2] een pistool en/of een geweer tegen zijn hoofd zou zetten en/of dat hij die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dood zou maken, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 augustus 2008,

in de gemeente Enschede, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk

mishandelend, de gezondheid van (een) perso(o)n(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], heeft benadeeld,

hebbende hij, verdachte, toen daar (telkens) opzettelijk, na kalm beraad en

rustig overleg, althans opzettelijk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (de toegang tot en/of het gebruik van) maaltijden, althans (voldoende) voedsel en/of (voldoende) water, althans drinken en/of schone kleding en/of een schone slaapplaats en/of de toegang tot sanitaire voorzieningen onthouden en/of ontzegd;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de eventuele in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie ten aanzien van feit 1

Ingevolge artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt mishandeling gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie. Ingevolge artikel 70, eerste lid onder 2 Sr vervalt het recht tot strafvordering in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De tenlastelegging voor mishandeling (feit 1) behelst de periode van 1 januari 2000 tot en met

1 augustus 2008. De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de periode van 1 januari 2000 tot 1 augustus 2002 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. De rechtbank zal daarom het openbaar ministerie voor deze periode niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2

Voor zover het sub 2 tenlastegelegde betrekking heeft op de periode 1 januari 2000 tot en met 1 januari 2001 overweegt de rechtbank dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, nu verdachte in die periode niet de hoedanigheid van bewindvoerder had.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

De rechtbank zal verdachte vrijspreken voor de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsbeneming. Gelet op de wijze van redigeren van de tenlastelegging ziet die op het actief handelen van verdachte, door de slachtoffers op hun kamer op te sluiten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 4] degene was die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de kamer opsloot. Medeplegen is niet tenlastegelegd en het van de vrijheid beroofd houden is niet feitelijk uitgewerkt, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken.

Vrijspraak ten aanzien van feit 4 en feit 5

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 4 en sub 5 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank dat zich in het dossier slechts de belastende verklaring van [slachtoffer 2] en de auditu verklaring van getuige [naam getuige] bevindt. Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bedreigd heeft. [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] verklaren niets over dergelijke bedreigingen. De rechtbank is van oordeel dat voor de belastende verklaring van [slachtoffer 2] geen steunbewijs voorhanden is. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 5 overweegt de rechtbank dat van mishandeling al dan niet met voorbedachte rade, daaronder begrepen benadeling van de gezondheid, slechts sprake kan zijn wanneer vast staat dat letsel, pijn of schade voor de gezondheid is veroorzaakt door het handelen van verdachte. [slachtoffer 1] [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], allen verstandelijk beperkt, waren aan verdachtes zorg toevertrouwd. Verdachte heeft gedurende een lange periode nagelaten de slachtoffers adequate verzorging te geven, gelet op de onbeschrijfelijke chaos en ongezonde leefomgeving die de verbalisanten op 1 augustus 2008 in de woning aan de [straatnaam] hebben aangetroffen. Daarnaast zijn er getuigen die verklaren dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2], in de periode dat verdachte de verzorging voor de vier slachtoffers op zich heeft genomen, sterk vermagerd zijn en voorts blijkt uit de stukken dat ten aanzien van hen sprake is van slechte persoonlijke hygiëne. Verdachte heeft verklaard dat hij hen vaak genoeg heeft gezegd dat ze de kamer op moesten ruimen, zich moesten wassen en dat ze schone kleren aan moesten trekken, maar dat de slachtoffers er niets op uit deden. Verdachte verklaart ook dat zij dagelijks hun eten en drinken kregen van [slachtoffer 4], althans daar ging hij vanuit. Hij verklaart namelijk dat hij dit nooit gezien heeft, omdat hij dan nog lag te slapen. Wat daar ook van zij, er moet van worden uitgegaan dat verdachte in had moeten grijpen en heeft nagelaten de vereiste verzorging te geven aan de slachtoffers, door hen niet te wassen, geen schone kleren aan te doen, niet te zorgen voor een gezonde leefomgeving en zich er niet van te vergewissen dat zij het nodige vocht en voedsel tot zich namen. Dat nalaten is verdachte, ondanks zijn eigen verstandelijke beperking, te verwijten, maar hieruit volgt niet dat dit daadwerkelijk letsel, pijn of schade voor de gezondheid van [slachtoffer 1] [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft veroorzaakt. Van doorslaggevend belang hiervoor is dat medische gegevens, waaruit blijkt dat op enig moment in de betreffende periode pijn, letsel of schade aan de gezondheid van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] is ontstaan, die redelijkerwijze toe te rekenen is aan de gedragingen van verdachte, ontbreken. Dit brengt met zich dat, hoezeer verdachtes nalatigheid als maatschappelijk onaanvaardbaar is te beschouwen, de causaliteit, vereist voor een strafrechtelijk verwijt aan verdachte voor dit feit ontbreekt. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 1 augustus 2008,

in de gemeente Enschede,

meermalen opzettelijk mishandelend personen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], met een geweer en/of een knuppel en/of een zweep en/of een tuinslang en/of een slof en met zijn, verdachtes, vuist heeft gestompt waardoor deze letsel hebben bekomen en/of pijn hebben ondervonden;

2.

hij in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 1 augustus 2008,

in de gemeente Enschede,

meermalen opzettelijk geldbedragen, die geheel toebehoorden aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en welke geldbedragen verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van die personen telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 het misdrijf:

"Mishandeling, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 2 het misdrijf:

"Verduistering gepleegd door een bewindvoerder ten opzichte van enig goed, dat hij als zodanig onder zich heeft, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij artikel 321 jo. 323 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 tot en met 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering met betrekking tot welke bijzondere voorwaarde de proeftijd op 5 jaren wordt gesteld en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een contactverbod met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Voor wat betreft het inbeslaggenomen geld vordert de officier van justitie teruggave aan de rechthebbenden, te weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode stelselmatig schuldig gemaakt aan zowel emotionele, als fysieke als financiële benadeling van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], die aan zijn zorg waren toevertrouwd. Verdachte heeft op een grove wijze misbruik gemaakt van de verstandelijke beperking van deze personen en het overwicht dat hij op deze personen had. Door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] stelselmatig te mishandelen, is grote angst bij hen ontstaan. Dit houdt een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van beide slachtoffers.

Daarnaast heeft verdachte in zijn hoedanigheid van bewindvoerder stelselmatig grote geldbedragen verduisterd. Verdachte voerde dit bewind over het vermogen van voornoemde vier personen die ten gevolge van hun verstandelijke beperking niet zelf in staat waren hun vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Door aldus te handelen heeft verdachte naast het toebrengen van financiële schade tevens het door de slachtoffers in hem gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd.

Daarnaast geeft verdachte er ter terechtzitting blijk van het grensoverschrijdende van zijn gedrag niet in te zien.

Drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog/psychotherapeut, en drs. L.P. Heinsman, psychiater, hebben ieder afzonderlijk een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Van dat onderzoek hebben zij op 1 december 2008 respectievelijk 8 december 2008 een rapport opgesteld. Zakelijk weergegeven houden deze rapportages het volgende in.

Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van een identiteitsprobleem bij een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid bij afhankelijke en antisociale trekken. Daarnaast is er sprake van relatieproblematiek Niet Anderszins Omschreven. De genoemde stoornissen en beperkingen hebben de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het plegen van de feiten beïnvloed.

De wijze waarop verdachte in de situatie van het tenlastegelegde is gekomen, lijkt in belangrijke mate bepaald te zijn door zijn zwakbegaafdheid en identiteitsprobleem met afhankelijke en antisociale trekken. De keuze voor de relatie, de wijze van nakomen van de belofte van zorg, het zorgen vanuit een negatief zelfbeeld en de identiteitsbepalende functie wijzen op zijn identiteitsprobleem met afhankelijke en antisociale trekken. Verdachte heeft op grond van zijn zwakbegaafdheid voor een onmogelijk zorgtaak gestaan en heeft vooraf de complexiteit van de situatie niet kunnen overzien naast de neiging tot zelfoverschatting en gebrekkige probleemoplossende vermogens. Verdachte dient volgens beide deskundigen als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De kans op recidive is volgens de deskundigen zeer beperkt, nu het tenlastgelegde in aanzienlijke mate situationeel bepaald is. De rechtbank heeft geen reden aan de daarin vermelde feiten en conclusies te twijfelen. Zij neemt deze conclusies daarom over.

Alles tegen elkaar afwegende oordeelt de rechtbank dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd. De rechtbank zal een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk doen zijn mede om verdachte ervan te weerhouden zich andermaal met feiten als de onderhavige in te laten. Mede gelet op de inhoud van de omtrent verdachte opgemaakte rapportages, zal de rechtbank aan verdachte reclasseringstoezicht opleggen.

Nu de rechtbank minder feiten heeft bewezen verklaard, acht zij een lichtere strafafdoening dan door de officier van justitie geëist, geïndiceerd.

Nu met betrekking tot de hierna te vermelden in beslag genomen geldbedragen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt, zal de rechtbank de teruggave van die geldbedragen aan genoemde personen gelasten, ieder voor een gelijk deel:

- 10 bankbiljetten van 50 euro, 1 bankbiljet van 10 euro, 1 bankbiljet van 5 euro en 19,65 euro aan muntgeld (beslaglijst nr. 1);

- 3.500,- euro in portemonnee (beslaglijst nr. 16);

- 5 eurobiljet in spaarpijp (beslaglijst nr. 21a);

- 619,22 euro (beslaglijst nr. 21);

- 20,95 euro in kluis (beslaglijst nr. 44).

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen

10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 3, sub 4 en sub 5 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden .

Beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of gedurende de proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd:

de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Almelo, aan welke instelling opdracht wordt gegeven overeenkomstig art 14d Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

De rechtbank gelast de teruggave aan [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van de navolgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedragen, ieder voor een gelijk deel:

- 10 bankbiljetten van 50 euro, 1 bankbiljet van 10 euro, 1 bankbiljet van 5 euro en 19,65 euro aan muntgeld (beslaglijst nr. 1);

- 3.500,- euro in portemonnee (beslaglijst nr. 16);

- 5 eurobiljet in spaarpijp (beslaglijst nr. 21a);

- 619,22 euro (beslaglijst nr. 21);

- 20,95 euro in kluis (beslaglijst nr. 44).

Aldus gewezen door mr. S.M.M. Bordenga, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. H. Bloebaum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 februari 2009.