Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BG9926

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
91228 HA ZA 08-102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid asbestverwerkingsbedrijf / verjaring.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 91228 HA ZA 08-102

datum vonnis: 24 december 2008 (pl)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te E, optredende voor zichzelf alsook in zijn hoedanigheid van erfgenaam en nabestaande van Y,

eiser,

hierna te noemen X,

advocaat: mr. R.F. Ruers,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ETERNIT FABRIEKEN B.V.,

gevestigd te Goor, gemeente Hof van Twente,

gedaagde,

hierna te noemen Eternit,

advocaat: mr. J.W. Bruidegom.

Gehoord partijen.

Gezien de stukken.

Overweegt:

Over het procesverloop:

X heeft Eternit middels dagvaarding van 7 januari 2008 gedagvaard tegen de zitting van deze rechtbank van 23 januari 2008. Eternit heeft van antwoord geconcludeerd, X van repliek en Eternit van dupliek, waarna partijen vonnis hebben verzocht.

Over het recht:

1. X is gehuwd geweest met Berendina Aaltje Y, verder te noemen Y, geboren op 22 februari 1946 en overleden op 9 januari 2007 aan de gevolgen van de asbestziekte mesothelioom, zijnde long- en buikvlieskanker. X treedt in deze zowel op voor zichzelf alsook in zijn hoedanigheid van erfgenaam van Y.

2. In december 2005 werd bij Y door de behandelend longarts diagnose mesothelioom gesteld. Deze diagnose is later op 1 maart 2006, door het Nederlands Mesotheliomenpanel bevestigd. Daarmee staat de diagnose medisch en juridisch gesproken vast.

3. Bij brief van 9 juni 2006 heeft Y Eternit aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatig handelen. Uit de aansprakelijkheidstelling blijkt dat Y in 1971 aan asbest blootgesteld zou zijn bij het bewerken en verwerken van asbestcementplaten, die naar de mening van X door Eternit geproduceerd en geleverd waren.

In verband met een gemeentelijke verplichting diende de garage bij de echtelijke woning in Eibergen voorzien te worden van een brandwerend plafond. Bij de daarbij verrichte werkzaamheden onder anderen bestaande uit het verspanen van 9 platen asbestcement heeft Y assistentie verleend met name door het afval van deze werkzaamheden op te ruimen. Daarbij zou Y aan asbeststof blootgesteld zijn.

4. Omdat Y verband tussen de haar opgekomen ziekte mesothelioom en contact met dit bedrijfsafval veronderstelde, werd eerdergenoemde aansprakelijkheidstelling op 9 juni 2006 verzonden.

5. Omdat een deel van de asbestplaten die destijds werden gebruikt nog voorhanden was, heeft X een laboratoriumonderzoek laten verrichten waaruit bleek dat een monster van het asbestcementmateriaal 2-5% chrysotiel, witte asbest, bevatte.

De vordering van X luidt – kort samengevat – als volgt:

6. Vaststaat dat Eternit tot 1 januari 1994 asbestcementhoudende producten, zoals golfplaten en vlakke platen heeft geproduceerd, verkocht en in het maatschappelijk verkeer gebracht. Deze platen bevatten doorgaans 10-15% chrysotiel. De door X en Y begin 1971 verspaande asbesthoudende platen zijn naar de mening van X door Eternit geproduceerd en geleverd. In 1971 was het Eternit bekend althans behoorde dit te zijn dat dit soort platen gevaarlijk waren, omdat inademing van asbeststof ernstige risico’s voor de gezondheid met zich meebracht. Niettemin zijn de producten in het verkeer gebracht zonder afnemers en gebruikers voor het risico/gevaar te waarschuwen.

7. Met betrekking tot de bekendheid bij Eternit van het gevaar van asbestcementproducten heeft X verwezen naar een groot aantal rechtzaken en is voorts van mening op basis van artikel 6:99 BW dat Eternit schadeplichtig is als groot producent van asbestcementproducten (in ieder geval 50%) in de jaren ’70 en ’80.

8. X vordert vergoeding van zijn materiele schade krachtens de artikelen 6:107 en 6:108 BW, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en voorts vergoeding van de immateriële schade van Y door X begroot op € 50.000,- en daarnaast buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.033,59.

Het verweer van Eternit luidt – kort samengevat – als volgt:

9. Verjaring onder erkenning door Eternit van het feit dat bij Y in december 2005 de diagnose pleuramesothelioom is gesteld, welke diagnose op 1 maart 2006 door het NMP is bevestigd en dat Eternit in 1970/1971 producent van asbestcementplaten was, die Eternit destijds aan de groothandel verkocht en op de markt bracht en betwisting dat de door X gebruikte asbestcementplaten van Eternit afkomstig waren, doet Eternit er een beroep op dat nu de vordering van X berust op artikel 6:162 BW en ziet op gedragingen in de periode 1970/1971, de absolute verjaring ex artikel 3:310 BW is ingetreden.

Eternit verwijst daarbij naar de zogeheten 7 gezichtspuntencatalogus zoals ontwikkeld door de Hoge Raad in het arrest van Hese/De Schelde (NJ 2000, 430). Uitgaande van de genoemde criteria acht Eternit een beroep op verjaring niet onaanvaardbaar.

10. Bij dupliek is Eternit nog voor een ander verweer anker gaan liggen, er kort samengevat op neerkomend dat hierboven genoemd arrest geen toepassing meer vindt nu met ingang van 1 februari 2004 het vijfde lid van artikel 3:310 BW in werking is getreden. Niettemin is Eternit zo begrijpt de rechtbank subsidiair op het standpunt blijven staan dat een beroep op verjaring niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid gelet op de genoemde zeven gezichtspunten.

11. Wat betreft de herkomst van de door X gebruikte platen betwist Eternit dat deze van haar afkomstig waren verwijzend naar het percentage chrysotiel in deze platen van 2-5% hetgeen Eternit als producent uitsluit, nu de door haar destijds geproduceerde asbestcementplaten doorgaans iets meer dan 10% chrysotiel bevatten. Voorts betwist Eternit dat de mesothelioom asbestgeïnduceerd was.

12. In geval de mesothelioom toch asbestgeïnduceerd zou zijn, betwist Eternit het causaal verband in die zin dat het geenszins vaststaat dat de asbest waardoor de mesothelioom ontstaan is uit enig door Eternit op de markt gebracht product zou voortkomen. Het zou met name zeer onwaarschijnlijk zijn dat een kortstondige blootstelling aan asbestcementstof de ziekte mesothelioom kan veroorzaken.

13. Eternit betwist toepassing van artikel 6:99 BW met name wederom verwijzend naar het gegeven dat voldoende aangetoond is door Eternit dat de destijds door X aangebrachte platen niet van Eternit afkomstig waren. Wat betreft de onrechtmatigheid stelt Eternit dat in 1970/1971 geen enkele wettelijke verplichting voor Eternit bestond om enige waarschuwing op haar platen of de verpakking van haar platen aan te brengen en er derhalve van schending van een wettelijk voorschrift door Eternit geen sprake is.

14. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade ziet Eternit geen reden af te wijken van het door het Instituut Asbestslachtoffers vastgestelde normbedrag van € 49.643,-. Voorts meent Eternit dat de gevorderde materiele schade nader op te maken bij staat afgewezen dient te worden nu X deze schade reeds lang had kunnen begroten. Tenslotte betwist Eternit de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

De beoordeling

15. Het meest verstrekkende verweer van Eternit is dat de vordering van X verjaard is.

16. In het arrest van 28 april 2000 NJ 2000, 430 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat aan de absolute en objectieve verjaringstermijn van, in casu, 30 jaren strikt de hand moet worden gehouden, zulks in verband met het door die verjaringstermijn gediende beginsel van rechtszekerheid, tenzij dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, waarbij van onaanvaardbaarheid slechts sprake zou kunnen zijn in uitzonderlijke gevallen.

De Hoge Raad heeft daarbij voorts overwogen dat een zodanig uitzonderlijk geval zich kan voordoen wanneer onzeker is of de blootstelling aan asbest tot de ziekte mesothelioom zou leiden, die onzekerheid lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven en dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.

17. De rechtbank stelt vast dat de 30 jarige termijn omstreeks 1970/1971 is aangevangen, in welk jaar de gestelde verspaningswerkzaamheden aan de garage van X zouden hebben plaatsgevonden. Dat houdt in dat de verjaringstermijn eindigde omstreeks 2000/2001. Vaststaat dat de diagnose mesothelioom bij Y is gesteld in december 2005, derhalve nadat die verjaringstermijn was verstreken. Er vanuit gaande dat Y in de periode 1970/1971 bij gelegenheid van het verspanen van asbestplaten aan asbest is blootgesteld, is aldus volledig voldaan aan het hiervoor verwoorde criterium van de Hoge Raad.

18. Voor wat betreft het door Eternit bij dupliek gestelde dat eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad geen toepassing meer vindt en dat per 1 februari 2004 het vijfde lid van artikel 3:310 BW in werking is getreden overweegt de rechtbank als volgt. De datum van inwerkingtreding van artikel 310 lid 5 is formeel 1 februari 2004. Volgens de overgangsregeling is dit artikel niet van toepassing indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt voor inwerkingtreding van die bepaling heeft plaatsgevonden. Onttrokken aan de objectieve verjaringstermijn wordt dus slechts schade die is veroorzaakt door een gebeurtenis die plaatsvond na inwerkingtreden van de wet verjaring persoonsschade. Doordat werking van de absolute termijn pas aan de orde is, 20 jaar (of 30 jaar, als het een situatie als bedoeld in lid 2 betreft) na het litigieuze evenement, sorteert de wet derhalve ook pas na ommekomst van die termijn effect. De “materiele inwerkingtreding” vindt derhalve eerst plaats op 1 februari 2024 (voor de absolute termijn van lid 1) en op 1 februari 2034 (voor de absolute termijn van lid 2). De rechtbank verwijst naar Staatsblad 2003, 495.

19. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 april 2000, 430 aangegeven dat de rechter, oordelend over de onaanvaardbaarheid van het beroep op verjaring, er blijk van moet geven dat hij in zijn beoordeling heeft betrokken:

a. of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat en – mede in verband daarmede – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;

b. in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit andere hoofde bestaat;

c. de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

d. in hoeverre de aangesprokene reeds voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;

e. of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;

f. of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;

g. of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkheidsstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

20. Ad a. X vordert vergoeding van materiele en immateriële schade. De materiele schade is ondanks betwisting zijdens Eternit op geen enkele wijze door X onderbouwd.

De omstandigheid dat die schade dient te worden opgemaakt bij staat (zoals gevorderd) betekent niet dat X niet aan zijn stelplicht zou behoeven te voldoen. Schadeposten zijn niet gesteld, laat staan criteria aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of die schade niet reeds nu vastgesteld kan worden. X heeft dit in het vage gelaten en heeft dientengevolge onvoldoende gesteld om nader feitenonderzoek of verwijzing naar een schadestaatprocedure te rechtvaardigen. Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige kwestie handelt om vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Nu Y is overleden komt die schadevergoeding niet aan haar maar aan X ten goede.

21. Ad b. X kan aanspraak maken op uitkering uit andere hoofde. Het betreft hier uitkering van een bedrag dat per 1 januari 2008 is geïndexeerd tot € 17.050,- op basis van de zogeheten TNS-regeling, per 1 december 2007 inwerking getreden.

Het normbedrag dat X zou kunnen vorderen is € 45.902,- ofwel de tegemoetkoming als hiervoor bedoeld bedraagt ongeveer een derde van dat bedrag en nergens is uit gebleken dat X nog andere vergoeding krijgt bijvoorbeeld uit een levensverzekering. Hoe dit ook zij na uitkering van genoemde € 17.050,- resteert nog een eventueel door Eternit te betalen schadevergoeding en er is derhalve geen argument de absolute termijn niet te doorbreken. Anders gezegd de reeds uitbetaalde € 17.050,- speelt slechts een rol bij het vaststellen van de eventueel door Eternit te betalen schadevergoeding.

22. Ad c. Ofschoon Eternit zulks bestrijdt, stond het in de periode 1970/1971 vast en was het toen ook al bekend dat het werken met asbest aanleiding kon geven tot asbestgerelateerde aandoeningen als asbestose en longkanker en behoorde men te weten dat asbestcementproducten bij normaal gebruik een kankerrisico inhielden. Er vanuit gaande dat Y in genoemde periode blootgesteld geweest is aan asbest, kan Eternit een verwijt gemaakt worden voor het feit dat Y een asbestgerelateerde aandoening heeft opgelopen; of de aandoening mesothelioom destijds (nog) niet bekend was, maakt in deze geen verschil.

23. Ad d. Vaststaat dat Eternit reeds voor 2007 ervan op de hoogte was dat bij het normale gebruik van asbestcementproducten er een mesothelioomrisico bestond en dat is ook bij vele eerdere rechtzaken aan de orde geweest. Dat houdt in dat Eternit er ook al voor 2001 rekening mee moest houden dat zij aangesproken zou kunnen worden door asbestslachtoffers die ziek waren geworden door blootstelling aan asbest. Het blijkt uit eerdere rechtspraak voorts dat dit temeer opgaat voor een aangesproken rechtspersoon die nog dezelfde activiteiten verricht als ten tijde van de asbestblootstelling, hetgeen bij Eternit in deze zaak het geval is.

24. Ad e. De rechtbank is van oordeel dat Eternit voor het verstrijken van de verjaringstermijnen rekening moest en kon houden met aansprakelijkheden als de onderhavige, zulks gezien het voorgaande gekoppeld aan het voortschrijdend inzicht omtrent asbestgerelateerde ziektes zoals mesothelioom respectievelijk de daarmee gepaard gaande langere incubatietijden.

25. Ad f. Vaststaat tussen partijen dat de onderhavige schade niet door verzekering is gedekt. Zulks houdt in dat enige vergoeding van schade door Eternit voor eigen rekening c.q. ten laste van het eigen vermogen komt. Zou vastgesteld worden dat Y door een grote mate van schuld van Eternit is overleden en daardoor recht heeft op schadevergoeding, dan behoort naar het oordeel van de rechtbank het gegeven dat Eternit zelf moet betalen op zichzelf geen reden te zijn X zijn recht te ontnemen. Daarbij speelt zeker een rol dat Eternit dat sedert 1989 niet meer verzekerd kon worden sedertdien steeds heeft kunnen besparen op het betalen van verzekeringspremies en daarmee een buffer heeft kunnen vormen voor het betalen van eventuele schadevergoedingen.

26. Ad g. In december 2005 werd bij Y de diagnose mesothelioom gesteld. Op 9 juni 2006 is Eternit aansprakelijk gesteld welke aansprakelijkheid kort daarna door Eternit is afgewezen. Op 9 januari 2007 is Y overleden en op 7 januari 2008 is Eternit door X gedagvaard. Dat betekent dat de vordering tot schadevergoeding iets meer dan 2 jaar nadat de mesothelioom was vastgesteld is ingesteld en wat van meer betekenis is ruim anderhalf jaar na de aansprakelijkheidsstelling van Eternit door X.

Gelet op diverse uitspraken met name bij kort gedingen, zijn de meningen niet eensluidend over de vraag wat de lengte is van een redelijke termijn waarbinnen een vordering moet worden ingesteld. Het meergenoemde arrest van Hese/De Schelde geeft hier geen aanwijzing. Wel blijkt uit de conclusie van de advocaat-generaal in deze zaak dat deze een termijn van 6 maanden redelijk acht en dat een periode van beduidend meer dan een jaar in elk geval te lang is en de annotator bij hetzelfde arrest houdt het op 1 jaar nadat de ziekte zich geopenbaard heeft en in de pas loopt met artikel 73 Ow NBW, dat ook een termijn van 1 jaar kent. Voorts heeft het hof Den Haag in zijn arrest van 22 juni 2007 een periode van 15 maanden tussen bekendheid met de schade en de aansprakelijkheidsstelling te lang geacht.

In zijn arrest van 26 november 2004, NJ 2006 nr. 228, het betrof hier ook een zogenaamd asbestarrest, heeft de Hoge Raad zich weliswaar nog niet concreet uitgelaten omtrent de vraag wat een redelijke termijn is doch de annotator H.J. Snijders verzucht, dat de Hoge Raad in deze zaak had kunnen aansluiten bij diverse schrijvers die eerder een bepaalde vaste termijn bepleiten (Bloembergen bij het Hese/De Schelde arrest) en verder wijst de annotator op een vergelijkbare rechtsontwikkeling met betrekking tot de rechtspraak van de Hoge Raad over herstelexploten na verloop van de beroepstermijn en dan met name dat een verzuim hersteld kon worden door “met bekwame spoed” dat wil zeggen in het algemeen uiterlijk binnen 14 dagen een herstelexploot uit te brengen.

In de lijn van het voorgaande is het naar het oordeel van de rechtbank voor de handliggend dat met betrekking tot het instellen van een vordering nadat de 30 jaar termijn is verlopen, met bekwame spoed moet worden gedagvaard bijvoorbeeld binnen 6 maanden.

Wat er van dit laatste ook zij, mede verwijzend naar Hoge Raad 28 april 2000, NJ 2000, 431 is de hier gehanteerde termijn geen redelijke termijn meer te noemen, zodanig dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid uitzondering zou moeten worden gemaakt op het door verjaringstermijnen gediende stelsel van rechtszekerheid.

Het beroep van Eternit op verjaring wordt gehonoreerd en de vordering van X wordt afgewezen met veroordeling van X in de proceskosten.

De beslissing

De rechtbank:

I. Verklaart X niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen Eternit.

II. Veroordeelt X in de kosten van de procedure aan de zijde van Eternit gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 1.145,- aan griffierechten en € 1.788,- aan salaris voor de advocaat.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Inden en op woensdag 24 december 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.