Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BG8164

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
08/790550-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn vriendin, nadat die de relatie beeindigd had, nog twee jaar lang belaagd, onder meer door haar, haar nieuwe vriend, haar ouders en haar collega's telefonisch, per sms en per email te benaderen met allerlei berichten waarin hij zijn wens tot het hebben van contact uit, haar nieuwe vriend zwart maakt of duidelijk maakt dat hij haar en haar nieuwe vriend in de gaten houdt, onder meer doordat hij dopjes van zijn favoriete biermerk voor de deur en in het slaapkamerraam van de woning van haar vriend legt, terwijl zij daar slaapt. Aan verdachte wordt een werkstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf en onder meer een straatverbod en een contactverbod opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

STRAFVONNIS

(verkort schriftelijk vonnis PR)

Parketnummer: 08/790550-08

Uitspraak 23 december 2008

De politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte]

geboren te […] 1959,

wonende te […]Amersfoort aan de […],

terechtstaande terzake dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 7 januari 2008,

in de gemeente(n) Enschede en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [aangeefster], in elk geval van een ander, met het

oogmerk die [aangeefster], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te

doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte toen en daar:

- meermalen in elk geval eenmaal zich naar de woning waarin die [aangeefster]

verbleef begeven en/of (daarbij) (een) bierdopje(s) voor die woning

achtergelaten en/of

- veelvuldig die [aangeefster] gevolgd en/of opgewacht en/of geobserveerd en/of

- veelvuldig (telefonisch) contact gezocht met genoemde [aangeefster] en/of (een of

meer van) haar familieleden en/of kennissen en/of vrienden en/of collega's

en/of

- veelvuldig sms-berichten verzonden naar genoemde [aangeefster] en/of (een of meer

van) haar familieleden en/of

-veelvuldig e-mail berichten verzonden naar genoemde [aangeefster] en/of (een of meer van)

haar familieleden en/of kennissen en/of vrienden en/of collega's

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie, die rekwireerde tot oplegging van een werkstraf van 100 uren, bij niet verrichting te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Gelet op hetgeen ter verdediging door de raadsman mr Kiela ten behoeve van verdachte in het midden is gebracht en gelet op hetgeen verdachte zelf heeft aangevoerd;

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid bepleit van het openbaar ministerie.

Primair voert hij daartoe aan dat zich in het dossier geen document bevindt dat is aan te duiden als een klacht in de zin van artikel 285b Wetboek van Strafrecht en dat afkomstig is van de in de telastelegging als slachtoffer van belaging opgevoerde [aangeefster].

Voor het geval de politierechter de aangifte van [aangeefster] uit het dossier als zodanig zou aanmerken, is de officier van justitie niet ontvankelijk omdat de aangifte/klacht niet is op schrift is gesteld door een officier van justitie of een hulpofficier van justitie. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 165 Wetboek van Strafvordering.

De politierechter overweegt dienaangaande als volgt.

De aangifte van [aangeefster] van 10 juli 2007, die blijkens het latere proces-verbaal van 5 december 2007 op 5 september 2007 of 5 december 2007 is ondertekend, begint met de woorden

“Ik wil aangifte doen van stalking of belaging”

Na een opsomming van door [aangeefster] ondervonden inbreuken op haar privéleven, zegt zij onderaan bladzijde 2:

“Ik doe aangifte en klacht tegen [verdachte] terzake belaging.”

Op bladzijde 3 tenslotte vermeldt zij:

”In maart 2007 heb ik al informatie ingewonnen bij de politie Twente naar de slagingskans bij eventuele aangifte tegen [verdachte] terzake belaging. Waarschijnlijk omdat mijn moeder een telefoongesprek heeft gevoerd met [verdachte] is het een tijdje rustig geweest, maar nu is de ellende alweer geruime tijd gaande. Ik wil dat [verdachte] stopt met zijn activiteiten.

Ik wens te worden geinformeerd over het verloop en de afdoening van de strafzaak.”

Uit een en ander leidt de politierechter af dat de in de telastelegging genoemde persoon uitdrukkelijk wenst dat vervolging zou worden ingesteld tegen verdachte. Er is geen twijfel over mogelijk dat zij bedoeld heeft klacht te doen als bedoeld in artikel 285b Sr, al is het maar door het gebruik van het woord klacht naast het woord aangifte, en door te spreken over een strafzaak die zij kennelijk noodzakelijk acht om verdachte te doen ophouden met het door haar gestelde gedrag en door de diverse momenten van politiecontact, waaruit naar voren komt dat de aangifte/klacht geen impulsieve handeling is maar kennelijk ook maanden later nog serieus bedoeld wordt.

Nu artikel 164 Wetboek van Sv bepaalt dat de klacht mondeling of schriftelijk geschiedt en in dit geval door haar is gedaan ten overstaan van de brigadier Witteveen van politie Twente, faalt in elk geval de primair aangevoerde grond tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De politierechter stelt met de raadsman vast dat artikel 165 Sv bepaalt dat de klacht door een officier van justitie of een hulpofficier van justitie wordt ontvangen. Nergens uit blijkt dat dit voorschrift is nageleefd, terwijl de rang van brigadier van de verbalisant die de aangifte/klacht opnam, doet vermoeden dat het niet is nageleefd. De politierechter stelt voorts vast dat de wetgever op niet-naleving van dit vormvoorschrift geen sanctie heeft gesteld. Voor zover het een functie heeft, lijkt dit voorschrift echter uitsluitend de jegens de klachtgerechtigde in acht te nemen zorgvuldigheid te dienen. Het raakt verdachtes belang in elk geval niet. Nu klachtgerechtigden niet in de hand hebben wie hun klacht ontvangt, zou het ook buitengewoon onwenselijk voor de rechtsorde in het algemeen en het rechtsgevoel van de klachtgerechtigde in het bijzonder zijn als niet-naleving van het voorschrift de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bij de vervolging van dit misdrijf met zich meebrengt. Nu de Hoge Raad in zijn arrest van 14 oktober 1977, NJ 1998, 661 tot dezelfde uitkomst komt, kan de politierechter tot geen ander oordeel komen dan dat het voorschrift van artikel 165, eerste lid Sv niet is nageleefd en dat dit niet resulteert in de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Nu de niet-naleving verdachte in het geheel niet in enig jegens hem te respecteren belang raakt, laat de politierechter het ook bij de enkele vaststelling dat dit vormvoorschrift is geschonden, derhalve zonder nader gevolg aan deze vaststelling te hechten (overeenkomstig HR 22 september 1998, NJ 1999, 104).

Ten aanzien van de bewijsmiddelen die in het dossier voorkomen heeft verdachte opgemerkt dat zich daar weliswaar een bekentenis tegenover de politie in voorkomt, maar dat hij, toen hij die aflegde, gespannen was en ervan uit ging dat er inderdaad bewijs tegen hem was zoals de politie hem vertelde, omdat hij ervan uitging dat de politie de waarheid spreekt, hoewel hij zelf niet zo voelde dat hij zich crimineel gedragen had en zelf niet gedacht had dat er dus bewijs was. Maar, zoals gezegd, hij geloofde de politie en legde zich daar bij neer. Nu hij echter via zijn raadsman het dossier had kunnen bekijken, was hij tot de conclusie dat het bewijs, zoals hij dat zelf ook al vermoedde, nogal mager was. Voor bijna alle emails die hij had geschreven en die in het dossier zitten heeft hij een alternatieve verklaring. Zo heeft hij meerdere keren contact gezocht met [aangeefster] of haar werkgever of haar familie en kennissen in verband met geld dat hij meende nog van haar te goed te hebben, in verband met aangelegenheden die hun beroepsmatige activiteiten betreffen, uit zorgen die hij zich over haar en haar nieuwe relatie maakte, enzovoort.

Uit de verklaring van aangeefster en verdachte komt naar voren dat de breuk in hun relatie is gekomen in oktober/november 2005.

In september 2006 krijgt aangeefster per sms de vraag voorgelegd of zij haar nieuwe vriend reeds heeft gepijpt. In oktober 2006 meldt een collega van aangeefster dat verdachte bij haar op het werk verscheen met de vraag of aangeefster er ook is en op 21 november 2006 fietst verdachte langs de woning van aangeefster in Enschede. Op 6 december 2006 krijgt aangeefster zelfs een hele serie ongewenste mails als “kans is risico keer frequentie” en “wil toch met je praten. Wil weten […]” en “Vertrouw me. Er zit ruis in je berichten. Ik ken je in voor en tegenspoed. Je wilt dit zelf oplossen. Bel me. Je kan me vertrouwen”

Zoals uit de verklaring van de moeder van aangeefster blijkt – deze moeder is telefoniste bij de gemeente Enschede – belde verdachte ook in 2007 nog zo vaak naar de gemeente Enschede en kennelijk ook naar personen met wie hij kennelijk meer dan zakelijk wilde spreken, dat het opviel en zelfs zo vaak dat zij door een medewerkster het verzoek kreeg het ertoe te leiden dat verdachte zou ophouden met bellen.

Uit de verklaring van de moeder blijkt voorts dat hij haar en haar man in 2007 nog gebeld heeft om in contact te komen met aangeefster, in eenzelfde telefoongesprek met het voorwendsel dat aangeefster nog dia’s van hem heeft, dat hij nog geld tegoed heeft, en dat hij aangeefster wil spreken. Nadat hem is gezegd dat die wens niet wederzijds is, wordt verdachte boos en wenst redenen te horen. Vervolgens laat hij de ouders van aangeefster bellen door een opbelservice van KPNtelecom met een ingesproken SMSbericht, waarin hij aangeeft dat hij kan bewijzen dat hij met aangeefster op vakantie is geweest.

Ook heeft hij de ouders onder een valse naam, dezelfde achternaam als de nieuwe vriend van aangeefster, met een verhaal als zou hij een student zijn die met aangeefster in contact wilde komen in verband met een reis. Hij wilde haar mobiele telefoonnummer.

Uit de verklaring van de nieuwe vriend van aangeefster blijkt voorts dat verdachte kennelijk in 2006 en de eerste helft van 2007 ook naar deze nieuwe vriend belde met het verzoek aangeefster naar hem te laten terugbellen omdat hij met haar wilde spreken. Toen deze aangaf dat dat niet zou gebeuren werd verdachte boos en stelde hij daar recht op te hebben.

Uit die verklaring en die van aangeefster blijkt voorts dat verdachte zich ook in 2007 nog regelmatig liet zien in de omgeving van de woning van de nieuwe vriend. Hij stond daar te kijken of kwam langsfietsen op het moment dat zij of haar vriend bezig waren de woning te verlaten. Aangeefster en haar vriend geven aan dat de straat alleen door bestemmingsverkeer wordt gebruikt.

Zowel uit de verklaring van aangeefster als ter zitting ook van verdachte blijkt dat verdachte diverse malen ’s nachts bierdopjes van zijn favoriete biermerk, Westmalle tripel, voor de voordeur van de woning van de nieuwe vriend van aangeefster had gelegd, zodat zij die bij het verlaten van de woning van die vriend zou vinden en kennelijk zou weten dat hij in de loop van de nacht daar was geweest. Volgens verdachte is het hooguit een keer of twee/drie geweest, aangeefster noemt meerdere keren. Ook geeft zij aan dat eenmaal ook zo een bierdopje in het kozijn van het slaapkamerraam is gevonden.

Volgens aangeefster en haar vriend hield verdachte de nieuwe vriends gedragingen ook nauwlettend in de gaten en deed hij daarvan zowel aan haar als aan hem verslag in briefjes en mails.

Volgens aangeefster in haar bijgehouden logboek van ongewenste contacten met verdachte heeft zij reeds in december 2005 duidelijk gezegd geen contact meer te willen. Tijdens een groepsreis in november had zij reeds een eigen slaapkamer genomen en aan het begin van die reis had verdachte op Schiphol reeds haar nieuwe vriend gezien. Vanaf dat moment had hem dus duidelijk moeten zijn dat het “uit” was en vanaf december 2005 ook dat zijn contact zoeken niet op prijs gesteld werd.

Op 12 januari 2007 is er in elk geval weer een duidelijk vastgelegd niets aan verbeeldingskracht overlatend telefoongesprek, met verdachte als iniatitiefnemer, waarin aangeefster nadat ze zijn naam heeft gehoord, tegen verdachte zegt dat hij haar met rust moet laten. Hij reageert daarop met de mededeling ”maar je moet praten”.

Op 15 februari 2007 verzend verdachte bovendien een zeer dwingende onaangename mail naar aangeefster. Deze bevindt zich op bladzijde 51 van het dossier. Naast de mededeling dat haar nieuwe vriend nu wel weet dat er op hem gelet wordt, zegt hij haar dat zij hem moet bellen, het initiatief daartoe moet nemen en snel. “Ik ben voor je toekomst. Ik weet teveel”, zijn zo een aantal frases die in die mail voorkomen, net als: “Ben nu slim anders zie ik je de 19e in Holten of ik kom de 23ste in Enschede. Mijn geduld is op. Ik ben heel coulant geweest.”

In diezelfde tijd vinden in overleg tussen aangeefster en haar werkgever reeds gesprekken plaats over het inschakelen van de politie.

In januari wordt verdachte door een brief van de werkgever van aangeefster gevraagd zich niet meer met haar in contact te stellen. Ook deze brief bevindt zich in kopie in het dossier.

Niettemin staat verdachte volgens aangeefster haar op 7 januari 2008 weer op te wachten op een perron van treinstation Amsterdam-Zuid waarop zij moet uitstappen, en wel bij de roltrap, zodat zij daar wel langs hem heen moet lopen.

Anders dan verdachte zegt, hecht de politierechter er geen enkel geloof aan dat de contacten tussen hem en aangeefster sinds december 2005 bijna allemaal acceptabele doelstellingen hadden. Daarvoor is de aard van de door diverse personen gerelateeerde contacten en de frequentie waarmee en methodes waarop ze gedaan zijn redengevend. Bovendien speelt mee dat de zakelijke contacten tussen verdachte en de gemeente Enschede blijkens het dossier zeker sinds ergens in de eerste helft van 2007 reeds zijn beëindigd.

De politierechter is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging is gekomen en wettig bewezen acht dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 november 2005 tot en met 7 januari 2008,

in de gemeenten Enschede en Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster], met het

oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte toen en daar:

- meermalen zich naar de woning waarin die [aangeefster] verbleef begeven en daarbij bierdopjes voor die woning achtergelaten en

- veelvuldig die [aangeefster] gevolgd of opgewacht of geobserveerd en

- veelvuldig telefonisch contact gezocht met genoemde [aangeefster] en een of

meer van haar familieleden en kennissen en vrienden en collega's

en

- veelvuldig sms-berichten verzonden naar genoemde [aangeefster] en

-veelvuldig e-mail berichten verzonden naar genoemde [aangeefster] en kennissen of vrienden en collega's

De politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte meer is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf “belaging”, strafbaar gesteld bij artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De politierechter overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte kon het niet verkroppen dat aangeefster op enig moment een andere vriend kreeg, ofschoon hijzelf kennelijk wel naast zijn huwelijk jarenlang een andere relatie gemeend had te kunnen hebben. Vanzelfsprekend is dat hij emotioneel aan het initiatief tot beëindiging van de relatie door zijn vriendin moest wennen. Dat hij vervolgens is blijven streven naar herstel van het contact door verregaand op haar privéleven inbreukmakende handelingen, zoals door telkens aan te dringen op gesprekken en te benadrukken dat hij het beste voor haar toekomst is en dat haar nieuwe vriend niet deugt, kennelijk om haar te bewegen die relatie te beëindigen, en vrees aan te jagen voor haar nieuwe vriend en voor hemzelf als ze geen gehoor geeft aan zijn wensen, is gedrag van ronduit criminele aard. De vorm die hij soms koos voor zijn overheersende gedrag, het neerleggen van bierflesdopjes van zijn favoriete merk voor de deur en in het slaapkamerraam van de woning van de nieuwe vriend om kenbaar te maken dat hij er ’s nachts was geweest, is ronduit stuitend. Dat deze situatie twee jaar heeft geduurd en dat er pas een einde aankwam door ingrijpen van de politie na de aangifte, is veelzeggend. Voor aangeefster moet het handelen van verdachte afschuwelijk zijn geweest.

Tijdens de zitting en in het bijzonder bij zijn laatste woord heeft verdachte bovendien duidelijk gemaakt dat hij er nog maar weinig van snapt. Hij heeft aangegeven dat het hem allemaal veel geld heeft gekost en hij vraagt in zijn laatste woord vooral aandacht voor zijn eigen zorgen en zijn eigen generositeit. Ter zitting gaf hij nog aan te vrezen voor zijn politieke aspiraties als deze strafzaak bekend raakt. Van werkelijk inzicht en doorleefde spijt is ondanks de hoge opleiding en sociale vaardigheden van verdachte helemaal niets gebleken.

Omdat aangeefster er bij haar aangifte om heeft gevraagd en verdachte zich er volgens zijn laatste woord aan wil houden, zal de politierechter in de na te noemen straf ook een straatverbod en een contactverbod opleggen. Daarbij zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd omdat de politierechter er nog niet zo zeker van is dat verdachte in voorkomende gevallen de grenzen van het betamelijke zal kennen en zich binnen de grenzen van de wet zal blijven bewegen. Dat de reclassering in haar rapport aanneemt dat verdachte wat de relatie met aangeefster betreft nu wel inziet dat het “uit” is en niet meer “aan” raakt, geeft de politierechter te weinig vertrouwen dat verdachte in de toekomst zijn eigen ambities altijd zal weten achter te stellen bij de grenzen van de wet en de gerechtvaardigde belangen en wensen van anderen.

De na te noemen straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 14a, 14b, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Verklaart bewezen, dat het tenlastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot een taakstraf in de zin van een werkstraf voor de duur van 90 uren, bij niet behoorlijk of onvolledig verrichten te vervangen door 45 dagen hechtenis;

Veroordeelt hem voorts tot een gevangenisstraf van 5 dagen, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en verbindt daaraan de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal ophouden in de Montbretiastraat in Enschede of de Sluisstraat te Amsterdam, en dat hij gedurende de proeftijd geen enkel direct of indirect contact met [aangeefster] zal initiëren, behalve voor het afhandelen van eventueel nog niet afgehandelde zakelijke geschillen die hij niet anders dan door tussenkomst van officiële instanties en professionele rechtshulpverleners zal kunnen laten verlopen.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte anders is telastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr F.C. Berg politierechter, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2008 door de politierechter in de Rechtbank voornoemd.