Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BG7226

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
89114 HA ZA 07-902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3:43 BW, artikel 17 lid 1 Wet op het notarisambt en toewijzen van nakosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 89114 HA ZA 07-902

datum vonnis: 10 december 2008 (m)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSFORM HOLDING B.V.,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

hierna te noemen ‘Transform Holding’,

advocaat mr. R. Kroon,

tegen

1. mr. X,

wonende te Tubbergen,

gedaagde sub 1,

hierna te noemen ‘X’,

advocaat mr. T.J. van Drooge,

2. de naamloze vennootschap

DE BRAUW BLACKSTONE WESTBROEK N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde sub 2,

hierna te noemen ‘De Brauw’,

advocaat: mr. Ph.C. Kleyn van Willigen.

1. Het procesverloop

1.1. In deze zaak is op 17 oktober 2007 een tussenvonnis gewezen. Voor wat betreft het procesverloop verwijst de rechtbank naar dat tussenvonnis.

1.2. Naar aanleiding van het tussenvonnis van de rolrechter d.d. 17 oktober 2007 heeft Transform Holding een akte genomen.

1.3. X en De Brauw hebben voor antwoord geconcludeerd.

1.4. Transform Holding heeft voor repliek geconcludeerd.

1.5. X en De Brauw hebben voor dupliek geconcludeerd.

1.6. Op verzoek van Transform Holding heeft er op 27 oktober 2008 pleidooi plaatsgevonden. Alle partijen hebben hun pleitnotities overgelegd.

1.7. Partijen hebben vonnis gevraagd, welk vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet betwiste producties het navolgende vast.

2.2. Transform Holding is een zustervennootschap van Trip Advocaten &

Notarissen B.V., hierna ‘Trip’ te noemen. Trip Beheer B.V. is enig directeur van Transform Holding en Trip. De directie van Trip Beheer B.V. bestaat uit vijf personen, waaronder

de heer R.S. Y, advocaat bij Trip te Leeuwarden, hierna ‘Y’ te noemen.

2.3. Nemus B.V., hierna ‘Nemus’ te noemen, heeft op 28 november 2000 grond in eigendom verworven, gelegen aan de Wiardaplantage 9 te 8939 AA Zuiderburen, Leeuwarden, waarop zij een kantoor heeft gebouwd, hierna ‘het Trias-pand’ te noemen.

2.4. Enig aandeelhouder en bestuurder van Nemus is Pebem Vastgoed B.V., hierna ‘Pebem’ te noemen. Enig aandeelhouder en bestuurder van Pebem is

Rem Bene Gerere B.V., hierna ‘RBG’ te noemen. Aandeelhouders en bestuurders van RBG zijn de heer T.J.C. T, hier ‘T. T’ te noemen, en de heer J.H.G. T, hierna ‘J. T’ te noemen.

2.5. De financier van Nemus (en van de Pebemgroep), Friesland Bank N.V., hierna

‘de Friesland Bank’ te noemen, heeft op 6 september 2001 op de grond met het daarop te stichten Trias-pand een recht van eerste hypotheek verkregen voor een bedrag van

f 6.000.000,-.

2.6. Eind 2001, begin 2002 heeft de heer E. L, werkzaam bij DTZ Zadelhoff, hierna ‘L’ te noemen, namens Nemus Transform Holding benaderd als mogelijke huurder van het Trias-pand.

2.7. De Friesland Bank heeft op 8 augustus 2003 tot zekerheid van haar vorderingen op Nemus en overige met haar verbonden ondernemingen een verzoek ingediend tot het leggen van conservatoir beslag op onder meer het Trias-pand. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 8 augustus 2003 ingewilligd, waarna het beslag op dezelfde datum is gelegd en op 11 augustus 2003 is ingeschreven bij het kadaster. Het verzoekschrift is voor de Friesland Bank ingediend door de heer mr. R.J.L. G, als advocaat werkzaam bij Trip in Leeuwarden, hierna ‘G’ te noemen. Voor de Friesland Bank is door G herhaaldelijk uitstel gevraagd voor het inleiden van een bodemprocedure.

2.8. Bij faxbrief van 25 september 2003 heeft Transform Holding aan L een bod van € 1.750.000,- gedaan op het Trias-pand. Dit bod is verhoogd bij brief van

26 september 2003 tot € 1.900.000,- en nogmaals op 6 oktober 2003 tot € 2.200.000,-.

2.9. Bij brief van 13 oktober 2003 heeft L aan Y een afschrift doen toekomen van het volgende bericht van T. T:

“Wij zijn van mening dat de (…) door mr. Y van Trip advocaten omschreven biedingen niet acceptabel zijn.

Wij denken dat u mr. Y moet aangeven dat er onder de gegeven omstandigheden meer opbrengst te verwachten is, dat wij ons daarom vrij hebben geacht om met andere partijen in onderhandeling te treden.”

2.10. Nemus heeft vervolgens onderhandeld met Corporatieholding Friesland, hierna ‘CHF’ te noemen, over de verkoop van het Trias-pand. Daarop heeft Y op

23 oktober 2003 een telefonisch bod gedaan van € 2.300.000,-. Dit bod is ingetrokken toen Nemus daarop niet direct inging.

2.11. Er leek overeenstemming te zijn bereikt tussen Nemus en CHF over de koop voor een bedrag van € 2.550.000,- (excl. BTW) onder voorbehoud van toestemming van het bestuur van CHF. CHF was in onderhandeling getreden met Transform Holding over verhuur. Echter, op 11 november 2003 werd aan Nemus en Transform Holding meegedeeld dat het bestuur van CHF geen toestemming had verleend en dat de koop niet doorging.

2.12. Bij faxbrief van 11 november 2003 heeft Y aan L en Nemus onder meer als volgt bericht:

“(…)

Hierbij herhaal ik mijn telefonische aanbod van 23 oktober jl., dat ik toen reeds heb toegelicht als laatste bieding zonder verdere onderhandelingsruimte, te weten aankoop door Trip van het perceel grond en de opstallen van het Trias-pand voor een bedrag van

€ 2.300.000 excl. BTW vrij op naam, te leveren en te betalen 1 januari a.s. of zoveel eerder als onzerzijds mogelijk is.

(…)

Dit voorstel dient uiterlijk 12 november a.s. om 12.00 uur schriftelijk (per fax, gevolgd door verzending per post) en zonder voorbehoud te zijn aanvaard, bij gebreke waarvan het komt te vervallen (…).”

2.13. Bij faxbrief van 12 november 2003 heeft J. T het aanbod van Transform Holding van 11 november 2003 aanvaard.

2.14. Begin december 2003 ontstond discussie tussen partijen over de staat van het pand. Op 17 december 2003 heeft in dat verband een gesprek tussen partijen plaatsgevonden, waarin nadere afspraken zijn gemaakt, vastgelegd in een faxbrief van Y van

18 december 2003.

2.15. Tijdens een inspectie op 29 december 2003 bleek een vrij ernstige lekkage in het Trias-pand aanwezig te zijn. Aangezien Nemus de levering niet wilde uitstellen is afgesproken dat van de koopsom een bedrag van € 100.000,- in depot zou blijven.

2.16. Op 30 december 2003 is op verzoek van de Friesland Bank het beslag op het Trias-pand opgeheven.

2.17. De conceptaktes d.d. 1 december 2003 en 29 december 2003 van levering van het Trias-pand bevatten onder meer de volgende bepalingen:

“DOEL VAN DEZE AKTE

Deze akte heeft ten doel uitvoering te geven aan een tussen verkoper en koper gesloten koopbevestiging door koper de eigendom te verschaffen van de hierna te omschrijven onroerende zaak.

KOOPOVEREENKOMST

Van genoemde koopbevestiging blijkt uit een onderhandse akte de dato elf november tweeduizend drie.”

2.18. Bij faxbrief van 30 december 2003 heeft Y aan X met betrekking tot de conceptakte van 29 december 2003 het volgende bericht:

“Ik ga ervan uit dat de akte van levering morgen kan worden verleden. Ik zou graag nog één wijziging aan willen brengen in de akte van levering, te weten de tekst bij de kopjes: “Doel van deze akte” en “Koopovereenkomst”. Ik verzoek u deze kopjes samen te voegen en de volgende tekst op te nemen:

“Doel van deze akte/Koopovereenkomst

Deze akte heeft ten doel uitvoering te geven aan een heden tot stand gekomen koopovereenkomst, waarvan de inhoud in deze akte is weergegeven.”

Voorts verzoek ik u om in de akte van levering uitdrukkelijk het tijdstip van passeren van die akte te vermelden.

(…)”

2.19. X heeft naar aanleiding van dit faxbericht op 30 december 2003 zijn notarieel medewerkster, mevrouw I. Leerink, een faxbericht naar Y laten zenden, met onder meer de volgende inhoud:

“Met betrekking tot uw faxbericht van hedenmiddag deel ik u mee dat de akte van levering niet aangepast hoeft te worden. Ons inziens kan de volmacht, zoals reeds toegezonden, gewoon worden getekend.”

2.20. Naar aanleiding van dit faxbericht heeft Y telefonisch contact gehad met X om de door hem voorgestelde wijziging toe te lichten onder verwijzing naar artikel 3:43 van het Burgerlijk Wetboek (BW). X heeft vervolgens de wijziging voorgelegd aan J. T en uitgelegd waarom Transform Holding de wijziging wilde doorvoeren.

2.21. Op 31 december 2003 is ten overstaan van X een notariële akte van levering gepasseerd. In deze akte komen onder meer de volgende bepalingen voor:

“(…)

DOEL VAN DEZE AKTE/KOOPOVEREENKOMST

Deze akte heeft ten doel uitvoering te geven aan een heden tot stand gekomen koopovereenkomst, waarvan de inhoud in deze akte is weergegeven.

(…)

KOOP- EN LEVERINGSBEPALINGEN

(…)

3. Onbezwaarde levering. Bijzonder lasten/beperkingen

verkoper levert het gekochte:

- vrij van hypotheken en beslagen of inschrijvingen daarvan.

- (…)

4. Juridische garanties van verkoper; mededelingen van verkoper die geen garanties zijn

Verkoper staat voor het volgende in:

- (…)

- het gekochte is niet betrokken in een lopend geding voor de rechter of voor arbiters;”

2.22. Bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 1 februari 2006 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de tussen Nemus en Transform Holding gesloten koopovereenkomst met betrekking tot het Trias-pand nietig is en dat Nemus ook na 31 december 2003 eigenaar is gebleven van het Trias-pand.

2.23. De rechtbank heeft in dit vonnis onder meer het volgende overwogen:

“3.2. Partijen verschillen onder meer van mening over het tijdstip van het sluiten van de koopovereenkomst van het Trias-pand. De rechtbank volgt op dit punt Nemus in haar stelling dat de overeenkomst tot (ver)koop tussen partijen is gesloten in november 2003 en verwerpt het verweer van Transform dat de koopovereenkomst eerst op 31 december 2003 tot stand is gekomen. Uit de (ook door Transform) overgelegde correspondentie is duidelijk dat een (aan)bod van Transform van

11 november 2003 om het pand te kopen voor een bedrag van € 2.300.000,- op

12 november 2003 door Nemus is aanvaard, waarmee de essentialia van de overeenkomst vast stonden. Dat partijen nadien nog aanvullende afspraken hebben gemaakt over de alarminstallatie, kapotte ruiten en herstel in verband met lekkage, maakt dat niet anders. Uit de in de correspondentie door Transform gebruikte (juridische) terminologie is eveneens duidelijk dat ook Transform na medio november 2003 uitging van een overeenkomst tussen partijen.

3.3. Tussen partijen staat vast dat de Friesland Bank beslag heeft gelegd op het Trias-pand in augustus 2003 en dat het beslag is opgeheven op 30 december 2003. Nu hiervoor in punt 3.1. is overwogen dat de koopovereenkomst in november 2003 tot stand is gekomen, volgt hieruit dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst beslag rustte op het pand.

(…)

3.5. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat artikel 3:43 BW ruim moet worden uitgelegd. De ratio van de bepaling is het dienen van het algemeen belang, gelegen in de onkreukbaarheid van het gerechtelijk apparaat in de ruime zin van het woord. Zelfs de schijn mag niet gewekt worden dat personen, behorende tot het rechtsapparaat in de ruime zin van het woord, belang zouden nemen bij de afloop van een geding (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6) blz. 1145). Het begrip geding als zodanig is niet in de wet terug te vinden, maar gelet op het absolute karakter van het in artikel 3:43 BW neergelegde verbod en de ratio ervan dient het zo breed mogelijk te worden uitgelegd en moet ervan worden uitgegaan dat een goed waarop beslag rust heeft te gelden als een goed waarover een geding aanhangig is.

3.6. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een geding aanhangig was over het Trias-pand in de periode dat op het Trias-pand beslag was gelegd, ook terwijl nog geen dagvaarding was uitgebracht. Onbetwist is dat Trip behoort tot de (rechts)personen op welke artikel 3:43 BW ziet. Nu Trip, middels Transform, het Trias-pand heeft verkregen valt de rechtshandeling daartoe onder artikel 3:43 BW. De schijn kan immers, in elk geval voor ‘leken’, gewekt worden dat Transform belang had bij het voortduren van het beslag en bij de afloop van het eventueel over de vordering van de beslaglegger te voeren geding en daarmee over de mogelijke executie van het pand.

(…)

3.7. Uit het hiervooroverwogene volgt dat de rechtshandeling strekkende tot verkrijging door Transform van het Trias-pand, nietig is van rechtswege.”

2.24. Transform Holding heeft aan De Brauw opdracht gegeven om hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden. De Brauw heeft op 26 april 2006 hoger beroep aangetekend, met dagvaarding van Nemus tegen de zitting van het gerechtshof te Leeuwarden van 9 augustus 2006. De Brauw heeft verzuimd om de appeldagvaarding binnen acht dagen na uitbrenging ter griffie van de rechtbank Leeuwarden in te schrijven in het in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedoelde register. Het vonnis van de rechtbank Leeuwarden is hierdoor onherroepelijk geworden.

2.25. Transform Holding en Nemus hebben vervolgens een schikking getroffen. De vaststellingsovereenkomst is bij notariële akte op 29 september 2006 vastgelegd. Hierdoor is bewerkstelligd dat Transform Holding juridisch eigenaar werd van het Trias-pand. Daarnaast diende Transform Holding tegen finale kwijting nog een bedrag van € 900.000,- aan Nemus te voldoen.

2.26. Op verzoek van Transform Holding heeft er, voorafgaand aan deze procedure, op

30 oktober 2006 en op 11 januari 2007 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden.

2.27. Op 30 oktober 2006 zijn X en J. T in het kader van het voorlopig getuigenverhoor gehoord.

2.28. X, partijgetuige, heeft toen onder meer het volgende verklaard:

“Op 30 december 2003 kwam er een faxbericht van Transform waarbij door Transform een wijziging werd voorgesteld. Deze wijziging is verwoord in sub 5 van het verzoekschrift tot het houden van dit voorlopig getuigenverhoor. Ik heb toen na aanleiding van dat faxbericht een faxbericht uitgedaan waarin ik aangaf dat ik de wijziging niet duidelijk vond en ook niet nodig. De heer Y, vertegenwoordiger van Transform, belde mij op die zelfde 30 december aan het einde van de middag op en legde mij uit wat de reden van de wijziging was. Hij gaf aan dat in de voorfase een kantoorgenoot van hem betrokken was geweest bij het beslag dat op het zogenaamde trias pand lag. En dat mogelijk artikel 43 van boek 3 een rol zou kunnen gaan spelen. Het beslag is op 30 december 2003 doorgehaald. Dit is bij recherche op ons kantoor geconstateerd. Ik denk dat deze recherche op 30 december 2003 heeft plaatsgevonden. Op 29 december 2003 had ik nog een brief of faxbericht gekregen van de advocaat die betrokken was geweest bij het beslag. Hierin stond dat hij de deurwaarder zou opdracht zou geven om het beslag te laten doorhalen op het moment dat de gelden door de Friesland Bank waren ontvangen.

Ik heb in het telefoongesprek aan de heer Y medegedeeld dat ik de wijziging aan de verkopende partij zou gaan voorleggen. Op 30 december heb ik rond 6 uur contact opgenomen met de heer T Sr. (de heer J.H.G. T). Ik heb hem doorgegeven welke wijziging Transform wilde doorvoeren in de transportakte en ook welke reden Transform daarvoor had. Ik heb de heer T Sr. gewezen op de consequenties die de wijzigingen voor hem zouden betekenen. Ik heb hem uitgelegd dat er tegen een partijverklaring in een akte tegenbewijs open staat. Ik heb hem de strekking van artikel 43 van boek 3 uitgelegd. Ik heb niets anders gedaan dan het doorgeven van het verzoek van Transform om de leveringsakte te wijzigen. De heer T deelde mij mede dat hij absoluut de akte door wilde laten gaan. Hij heeft mij toen direct in dat telefoongesprek aangegeven dat de wijziging akkoord was.

(…)

Ik heb met de heer Y niet gesproken over het feit dat tegen een partijverklaring in een akte tegenbewijs open staat. Ik had van doen met een professionele wederpartij die daarvan op de hoogte moet zijn.

(…)

De reden waarom de wijziging moest worden doorgevoerd is duidelijk op mijn overgekomen. Ik vond het niet mijn taak een onzekerheid op dit punt bij Transform weg te nemen. Ik wist ook niet of dit artikel überhaupt van toepassing zou zijn. Ik had te maken met een deskundige tegenpartij en ik dacht dat door Transform alles voldoende was doordacht en dat zij de mogelijke consequenties wel kende en dat ze daardoor met het tekstvoorstel kwam. Ik weet niet of ik het nu anders zou hebben gedaan.

(…)

Mr. Heemskerk vraagt mij of ik heb willen bijdragen om het probleem dat was gerezen voor Transform op te lossen. Nee, dat heb ik niet geprobeerd. Ik heb met Transform niet teruggekoppeld wat ik met vader T op 30 december om 18:00 had besproken. Een professionele partij die met zo’n voorstel komt weet wat de consequenties zijn. er was geen rechtstreeks contact tussen T en Transform. Ik was een soort tussenpersoon. Ik heb de door Transform voorgestelde wijzigingen aan T voorgelegd.

(…)

Mr. DelH wijst mij op de brief van de heer Y van 7 juli 2004 waarin de heer Y aangeeft dat ik zou hebben gezegd dat door de wijziging het probleem van artikel 43 van boek 3 zou zijn opgelost. Ik heb dat absoluut niet gezegd. Ik heb hem ook niet gezegd dat het probleem niet was opgelost.”

2.29. J. T heeft toen onder meer het volgende verklaard:

“De koopovereenkomst is op 11 en 12 november 2003 tot stand gekomen. Deze koopovereenkomst is uit nood tot stand gekomen. Wij stonden financieel met de rug tegen de muur.

(…)

De rechter-commissaris houdt mij sub 5 van het verzoekschrift tot het houden van dit voorlopig getuigenverhoor voor. Hierin staat de door Transform voorgestelde wijziging. Transform wilde dat in de transportakte het werd veranderd naar: “heden” . Dat is niet zo geweest want de overeenkomst was op 11 en 12 november rond. Mr. X heeft ons toen gezegd dat wij dit juridisch gezien altijd konden weerleggen. Ik heb toen gezegd dat ik met de wijziging geen probleem had. Wij stonden immers met de rug tegen de muur.

(…)

Wij hebben de procedure gewonnen maar we hebben er niets aan verdiend. De koopsom en de nabetaling zijn minder dan de totale geïnvesteerde som.

(…)

De bedoeling was dat het transport eerder dan 31 december plaatsvond maar dat kon een paar keer niet doorgaan. Ik wist niet welk spelletje zij met ons speelden.

(…)

Ik weet wel dat hij (X, toevoeging rechtbank) met de akte op

31 december 2003 bij mij is langs geweest. Ik ben toen heel eventjes beneden geweest. Wij hebben het toen kort gehad over de door Transform voorgestelde wijziging dat 11 en 12 november moest worden gewijzigd in heden. Volgens mij heeft mr. X mij toen gezegd dat die wijziging geen juridische gevolgen voor ons zou hebben en dat ik altijd nog zou kunnen bewijzen dat het anders is.

(…)

Ik weet niet meer of ik op die ochtend gevraagd heb waarom Transform die wijziging wilde. Volgens mij is dat wel in eerdere gesprekken aan de orde geweest. Ik ben juridisch niet onderlegd. Ik kan mij herinneren dat de wijziging verband hield met het beslag. Ik dacht toen “het maakt niet uit dat er beslag ligt want als de bank het geld binnen heeft gaat het beslag eraf”.”

2.30. Op 11 januari 2007 zijn X (wederom) en T. T in het kader van het voorlopig getuigenverhoor gehoord.

2.31. X, partijgetuige, heeft toen het volgende verklaard:

“Op 30 december 2003 heb ik een fax gestuurd naar Transform, ter attentie van mr. Y. Vooraf aan dit faxbericht heb ik gen telefonisch contact gehad met Trip of Transform. Naar aanleiding van het faxbericht heeft mr. Y contact met mij opgenomen. Hij heeft mij toen een toelichting gegeven op de wijziging. Hij heeft mij toen niet een probleem voorgelegd. In de naar mij toegezonden aansprakelijkheidsstelling wordt gesuggereerd dat mij wel een probleem is voorgelegd in dat telefoongesprek. Maar daar was absoluut geen sprake van. Verder wordt er gesuggereerd dat ik het probleem aan verkoper zou voorleggen. Ik heb alleen het wijzigingsverzoek aan verkoper voorgelegd.”

2.32. T. T heeft toen onder meer verklaard:

“Ik ben niet betrokken geweest bij het wijzigingsverzoek dat is gedaan door Transform vlak voor het transport. Dat heeft mijn vader gedaan.”

3. De vordering van Transform Holding

3.1. Transform Holding vordert - zakelijk weergegeven - dat X en De Brauw veroordeeld worden tot betaling van een bedrag van € 962.661,27, dat X tevens wordt veroordeeld tot betaling van € 51.059,32, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2. Transform Holding heeft aan haar vorderingen de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

ten aanzien van X:

3.3. X heeft geen of althans onvoldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van Transform Holding. X heeft het voorschrift van artikel 17 lid 1 van de Wet op het notarisambt met voeten getreden c.q. miskend.

3.4. X heeft J. T uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid (door middel van tegenbewijs) om de transactie aan te vechten, nog voordat het transport plaatsvond, zonder dit aan Transform Holding mede te delen. Door deze handelwijze heeft X Transform Holding de mogelijkheid ontnomen om een overeenkomst te sluiten die geen nietigheid in de zin van artikel 3:43 BW met zich mee zou brengen.

3.5. Met het opstellen van een latent nietige akte, het begunstigen of voortrekken van alleen de verkopende partij en het tekortschieten in het informeren van de kopende partij heeft de notaris een risico ter zake van het ontstaan van schade voor Transform Holding in het leven geroepen, dat zich met het beroep van Nemus op artikel 3:43 BW en in de procedure bij de rechtbank Leeuwarden heeft verwezenlijkt. De notaris is derhalve aansprakelijk voor de volledige schade die Transform Holding als gevolg van diens handelen heeft geleden.

3.6. Transform Holding vordert uitsluitend van X:

- advocaatkosten De Brauw procedure

rechtbank Leeuwarden € 40.287,52

- griffierecht rechtbank Leeuwarden € 4.605,40

- proceskostenveroordeling rechtbank Leeuwarden

inclusief nakosten € 6.166,40 +

Totaal: € 51.059,32

ten aanzien van De Brauw

3.7. Transform Holding doet een beroep op het arrest Baijings (HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 m.nt. PAS, rov. 5.2). De Brauw heeft sans préjudice, en onder betwisting van aansprakelijkheid, een tegemoetkoming aan Transform Holding betaald van € 50.000,-.

3.8. Transform Holding stelt dat zij onder druk van het hoger beroep een gunstiger onderhandelingsresultaat zou hebben kunnen realiseren.

ten aanzien van X en De Brauw

3.9. Transform Holding betwist dat Nemus als gevolg van het door de Friesland Bank gelegde beslag op het Trias-pand genoodzaakt was dit pand aan Transform Holding te verkopen. Nemus had Ht met het transport, Transform Holding niet.

3.10. Nemus kon het Trias-pand aan de straatstenen niet kwijt. Een marktconforme prijs is een prijs die de markt bereid is om te betalen.

3.11. De door X en/of De Brauw te vergoeden schade bestaat onder meer uit:

- extra betaling Trias-pand € 900.000,-

- in vaststellingsovereenkomst overeengekomen rente

over voormelde extra betaling vanaf 1 juli 2006 tot

het moment van voldoening € 8.975,34

- advocaatkosten Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn

preprocessueel € 19.336,83

- gemodereerde nota Trip Advocaten & Notarissen

in verband met advies en begeleiding € 26.457,60

- advieskosten Deloitte fiscale gevolgen schikking

Nemus € 7.891,50 +

Totaal € 962.661,27

3.12. Bij repliek heeft Transform Holding gesteld dat de buitengerechtelijke kosten ten aanzien van De Brauw beperkt kunnen worden tot de kosten op basis van het rapport Voorwerk II, ad € 6.422,- (tweemaal tarief VIII).

4. Het verweer van X

4.1. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Transform Holding met veroordeling van Transform Holding in de kosten van deze procedure en heeft daaraan de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

4.2. X betwist dat het verzoek van Y op 30 december 2003 om de transportakte te wijzigingen in verband met het bepaalde in artikel 3:43 BW als probleem aan X is voorgelegd. X betwist dat Y aan hem advies heeft gevraagd. X betwist dat hij aan Y zou hebben medegedeeld dat door de wijziging het probleem van artikel 3:43 lid 1 sub a BW zou zijn opgelost.

4.3. Mr. Y heeft noch in zijn fax, noch in het telefoongesprek, noch nadien aan de notaris gevraagd om een nieuwe overeenkomst tot stand te brengen.

4.4. X betwist dat hij Nemus heeft begunstigd, dan wel dat hij tekort geschoten zou zijn in zijn informatie naar Transform Holding. X betwist dat hij heeft meegewerkt aan het opstellen van een latent nietige akte.

4.5. X stelt dat het zijn plicht is om partijen voor te lichten, zeker nu Nemus een juridisch zwakkere partij is. X wijst in dit kader op de volgende overweging van het zogenaamde Huwelijksvoorwaarden- arrest (HR 20 januari 1989, NJ 1989, 766):

“De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt immers (…) mee dat hij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht.”

X doet een beroep op “compenserende onpartijdigheid”.

4.6. X betwist dat hij Nemus heeft aangespoord om de nietigheid van de koopakte in te roepen. Pas toen Transform Holding weigerde het depot op de derdenrekening vrij te geven, heeft mr. H, de advocaat van Nemus, Nemus op artikel 3:43 BW geattendeerd. Ook als X J. T niet had medegedeeld dat tegen een partijverklaring in aan akte tegenbewijs openstaat, had Nemus nadien op grond van het bepaalde in artikel 3:43 BW de overeenkomst kunnen vernietigen.

4.7. X verwijst in het kader van de zorgplicht van een notaris naar het arrest Meijer/S (HR 27 maart 1992, NJ 1993, 188), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld:

“Deze zorgplicht vindt immers haar grens daar waar de notaris goede gronden heeft te vertrouwen dat de betreffende belanghebbende zichzelf reeds op de hoogte had gesteld of dat deze tevoren reeds voldoende inzicht had in hetgeen voor die gevolgen vereist was.”

Transform Holding was als juridisch deskundige zich volledig bewust van het risico dat zij in het licht van artikel 3:43 BW nam.

4.8. Op het moment dat X de wijziging in de transportakte doorvoerde was het voor hem niet goed te beoordelen of een conservatoir beslag aangemerkt moest worden als een “aanhangig geding” in de zin van artikel 3:43 BW. X kende tot 30 december 2003 de inhoud van artikel 3:43 BW niet.

4.9. Bij gebrek aan wetenschap betwist X dat Nemus moeite had om het Trias-pand te verkopen.

4.10. X betwist dat hij de huisnotaris van Nemus was.

4.11. Transform Holding was op de hoogte van de slechte financiële situatie van Nemus.

4.12. Subsidiair betwist X dat er sprake is van causaal verband tussen zijn handelen en de door Transform Holding gestelde schade. Als X destijds Transform Holding had gewezen op de mogelijke nietigheid, had zij niet afgezien van de afname van het Trias-pand.

4.13. Meer subsidiair stelt X zich op het standpunt dat er sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW. Transform Holding was zich bewust van de risico’s. Daarnaast heeft de advocaat van Transform Holding, De Brauw, een beroepsfout gemaakt bij het ingestelde hoger beroep, waardoor Transform Holding niet-ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep. X stelt zich op het standpunt dat het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 1 februari 2006 in de procedure tussen Nemus en Transform Holding in hoger beroep zou zijn vernietigd, omdat volgens hem een beslag niet valt onder de reikwijdte van het bepaalde in artikel 3:43 BW.

4.14. Uiterst subsidiair betwist X de omvang van de schade. Transform Holding heeft vanwege het door de Friesland Bank gelegde beslag het Trias-pand voor een bedrag verkregen, dat ruim onder de marktconforme prijs lag. Door de latere bijbetaling heeft Transform Holding het Trias-pand voor een marktconforme prijs verkregen.

Als Transform Holding het Trias-pand niet geleverd had gekregen, omdat zij - naar eigen zeggen - van levering zou hebben afgezien, als X haar op de mogelijke consequenties van de door haar voorgestelde wijzigingen gewezen had, had Transform Holding een ander pand moeten zoeken, waar zij hoogstwaarschijnlijk wel een marktconforme prijs voor had moeten betalen.

4.15. X betwist dat Transform Holding aanspraak kan maken op vergoeding van de door haar gestelde buitengerechtelijke kosten.

4.16. X verzet zich tegen de gevorderde uitvoer bij voorraadverklaring. Subsidiair stelt hij dat Transform Holding bij een toewijzend vonnis zekerheid dient te stellen tot een door de rechtbank te bepalen bedrag.

5. Het verweer van De Brauw

5.1. De Brauw heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Transform Holding met veroordeling van Transform Holding in de kosten van deze procedure en heeft daaraan de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

5.2. Volgens De Brauw was het hoger beroep kansloos.

5.3. De Brauw betwist dat de niet-ontvankelijkheid van het appèl een (zelfstandige) invloed had op de onderhandelingspositie van Transform. De onderhandelingspositie van Transform Holding was immers niet verslechterd, want Nemus kon niet weten of Transform Holding van plan was om het appèl door te zetten.

5.4. Een schikking hangende het appèl was mogelijk op grond van artikel 3:43 BW ook aantastbaar geweest.

5.5. De Brauw betwist dat er causaal verband bestaat tussen haar handelen en de door Transform Holding geleden schade.

5.6. Er is sprake van eigen schuld aan de zijde van Transform Holding.

5.7. De Brauw betwist dat de bijbetaling schade is. Door de bijbetaling heeft Transform Holding uiteindelijk een reële prijs voor het Trias-pand betaald. De eerder overeengekomen koopsom ad € 2.300.000,- lag ruimschoots onder het bedrag waarvoor de Friesland Bank haar hypotheek kon uitoefenen. Als Nemus het aanbod van Transform Holding niet zou hebben aanvaard, zou het Trias-pand per executie verkocht zijn, een onaantrekkelijk alternatief voor Nemus.

5.8. Transform Holding had opnieuw met Nemus moeten onderhandelen, nadat het beslag door de Friesland Bank van het Trias-pand was gehaald. Transform Holding had Nemus niet hoeven volgen in de Ht.

5.9. De Brauw betwist dat de door Transform Holding gevorderde kosten gemaakt door Trip redelijke kosten zijn, als ze al door Transform Holding aan Trip zijn betaald. Er zijn nauwelijks schikkingsonderhandelingen met elkaar gevoerd. De Brauw betwist dat Transform Holding aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De vordering betreffende de nakosten dient op grond van het gestelde in artikel 237 leden 3

en 4 Rv. te worden afgewezen.

6. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

ten aanzien van X

6.1. Transform Holding stelt dat X in strijd heeft gehandeld met artikel 17 lid 1 van de Wet op het Notarisambt doordat hij partijdig zou hebben gehandeld en door zijn handelwijze geen rekening heeft gehouden met de belangen van Transform Holding.

Artikel 17 lid 1 van de Wet op het notarisambt bepaalt:

“De notaris oefent zijn ambt in onafhankelijkheid uit en behartigt de belangen van alle bij de rechtshandelingen betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid.”

6.2. De partijdigheid is volgens Transform Holding gelegen in het feit dat X

J. T erop heeft gewezen dat tegen een partijverklaring in een notariële akte tegenbewijs openstaat (artikel 157 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.)) en dat X dat niet heeft gezegd tegen Y van Transform Holding. Naar het oordeel van de rechtbank mag de inhoud van genoemd rechtsartikel als bekend verondersteld geacht te worden bij advocaten en dus ook bij Y. Dat de inhoud van genoemd rechtsartikel niet bekend wordt geacht bij leken, acht de rechtbank aannemelijk. Dat X J. T op genoemd artikel heeft gewezen en Transform Holding niet, acht de rechtbank met inachtneming van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest Meijer/S

(HR 27 maart 1992, NJ 1993, 188) derhalve niet onzorgvuldig. X heeft J. T niet voorgetrokken, maar op een bepaling in de wet gewezen, die Y wel kende.

6.3. Transform Holding wenste de transportakte op het laatste moment te wijzigen. Terecht heeft J. T aan X gevraagd wat de consequenties voor Nemus waren, als Nemus zou instemmen met de voorgestelde wijziging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft X terecht, voorzover hij kon, antwoord gegeven op die vraag. X heeft het met J. T niet gehad over de vraag of het gelegde beslag onder de reikwijdte van artikel 3:43 BW valt. Dat wist X niet. X heeft derhalve niet bewust meegewerkt aan het opstellen van een latent nietige akte. Hij was zich er immers toen niet van bewust dat het gelegde beslag onder de reikwijdte van artikel 3:43 BW viel. Beide partijen wilden dat het transport doorging. Beide partijen waren het eens over de tekst in de transportakte. Er was daarom voor X geen reden om het transport niet door te laten gaan. Integendeel, wellicht was hij schadeplichtig geweest als hij zijn medewerking op het allerlaatste moment niet had verleend.

6.4. Y van Transform Holding wist of had moeten weten dat de door hem voorgestelde wijziging in de transportakte betreffende het moment van de totstandkoming van de koopovereenkomst op grond van artikel 157 lid 2 Rv. aangetast zou kunnen worden. Het had op de weg van Transform Holding gelegen om, nadat het beslag van het Trias-pand was doorgehaald, opnieuw met Nemus in onderhandeling te treden. Transform Holding heeft gegokt en misgegokt. De gevolgen dienen voor haar te blijven. Zij wist dat zij een risico liep op grond van het bepaalde in artikel 3:43 BW en heeft een oplossing daarvoor bedacht, die niet waterdicht is gebleken. De gevolgen hiervan kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet op X worden afgewenteld.

Transform Holding heeft aangevoerd dat het niet reëel was om op zo korte termijn opnieuw met Nemus in onderhandeling te treden. Dat Transform Holding daarvoor in haar ogen geen tijd had, komt voor haar risico. Transform Holding wist al langer van het bestaan van het risico dat een beslag mogelijk onder de reikwijdte van artikel 3:43 BW zou vallen. Het is haar eigen keuze geweest om haar wijzigingsvoorstel pas op 30 december 2003 bij X aan te kaarten, een dag voordat het transport plaatsvond.

6.5. Transform Holding heeft aangevoerd dat zij X om advies heeft gevraagd. Dit is de rechtbank niet gebleken. Als Transform Holding X om advies zou hebben gevraagd voor haar probleem, zou naar het oordeel van de rechtbank het faxbericht van Y aan X van 30 december 2003 anders geredigeerd zijn. In dit faxbericht heeft

Y enkel verzocht om een wijziging in de transportakte door te voeren. Uit de verklaringen van X blijkt niet dat hem door Y van Transform Holding om advies is gevraagd. Maar als Y dat wel had gedaan, had X hem geen antwoord kunnen geven op de vraag of een beslag valt onder de reikwijdte van artikel

3:43 BW, omdat er geen relevante uitspraken over dit artikel gepubliceerd waren. De rechtbank gaat ervan uit dat Y de jurisprudentie op dit artikel had nagetrokken en dat Y dus wist dat er geen relevante jurisprudentie gepubliceerd was.

X had natuurlijk ook Y op het bepaalde in artikel 157 lid 2 Rv. kunnen wijzen, maar dat had de situatie niet veranderd, omdat de rechtbank aanneemt dat

Y de inhoud van dat artikel kende.

6.6. Transform Holding heeft geklaagd over het feit dat X de uitkomst van zijn gesprek met J. T niet heeft teruggekoppeld naar Y. J. T stemde in met de wijziging, dus daarom zag X geen aanleiding om nader contact op te nemen met

Y. De rechtbank acht dit niet onzorgvuldig. J. T stemde immers in met de door Transform Holding voorgestelde wijziging. Y had ook zelf X kunnen bellen met de vraag wat de reactie van J. T was. Dat had wellicht voor de hand gelegen, als het zo zou zijn dat Y X om advies had gevraagd en in afwachting van dat advies was. Niet gesteld of gebleken is dat Transform Holding na het telefoongesprek dat Y met X op 30 december 2003 heeft gehad, nog contact heeft opgenomen met X of getracht heeft om X te bereiken om zijn advies te kunnen vernemen.

6.7. Transform Holding voert terecht aan dat het in deze procedure niet is komen vast te staan dat X door de wijziging in de transportakte door te voeren, het probleem van Transform Holding had opgelost. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat

Transform Holding X heeft verzocht om dat probleem op te lossen. De rechtbank wijst in dit verband weer op het faxbericht van Y van 30 december 2003, waarin enkel verzocht werd om een wijziging door te voeren. Er werd in dit faxbericht niet verzocht om een probleem op te lossen. Transform Holding heeft, zonder overleg met X of Nemus, zèlf een oplossing aangedragen door de tekst van de transportakte te wijzigen. X kon dit probleem ook niet voor Transform Holding oplossen, omdat X net als Y niet wist of een beslag onder de reikwijdte van artikel 3:43 BW viel. Nog daargelaten of X, als hij het probleem wel had kunnen oplossen, Transform Holding zou hebben voorgetrokken.

Transform Holding heeft nog gesteld dat zij geen rechtsreeks contact had met Nemus. Het tegendeel is de rechtbank gebleken. Uit de in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat Transform Holding en Nemus nog tot vlak voor het transport rechtstreeks of via de makelaar contact met elkaar hadden (zie onder meer de producties 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 21 bij dagvaarding).

6.8. Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat X niet onzorgvuldig jegens Transform Holding heeft gehandeld en niet in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 17 lid 1 van de Wet op het notarisambt. Het eigen schuldverweer, het causaliteitsverweer en het verweer betreffende de hoogte van de schade behoeft om die reden geen (verdere) bespreking. De rechtbank zal de vorderingen van Transform Holding op X derhalve afwijzen en Transform Holding als de in het ongelijk gestelde partij ten opzichte van X in de kosten van deze procedure veroordelen.

6.9. Hoewel de tekst van de leden 3 en 4 van art. 237 Rv betreffende de nakosten wellicht zo te interpreteren is, moet dat niet als een dwingende bedoeling van de wetgever worden opgevat. In veruit de meeste gevallen gaat het om de forfaitaire bedragen genoemd in het liquidatietarief. Op grond van art. 237 Rv in samenhang met punt 5.7 betreffende het liquidatietarief, is er vrijwel geen discussie mogelijk over de toewijsbaarheid van de nakosten. De rechtbank zal derhalve de door X verzochte vergoeding van de nakosten toewijzen.

6.10. De rechtbank zal tevens de kosten gemaakt ten behoeve van het voorlopig getuigenverhoor in de proceskostenveroordeling meenemen, nu beide partijen en de rechtbank de verklaringen, die gedaan zijn tijdens dat verhoor, hebben aangewend en geïnterpreteerd in deze procedure.

6.11. De rechtbank begroot de proceskosten met betrekking tot X als volgt:

verschotten:

griffierecht: € 1.136,-

getuigetaxe voorlopig getuigenverhoor: € 375,- +

totaal: € 1.511,-

advocaatkosten:

voorlopig getuigenverhoor: 2 punten

conclusie van antwoord: 1 punt

conclusie van dupliek: 1 punt

pleidooi: 2 punten +

totaal: 6 punten x € 3.211,- = € 19.266,-

nakosten: € 131,- zonder betekening, danwel € 199,- met betekening.

ten aanzien van De Brauw

6.12. Het staat vast dat De Brauw een beroepsfout heeft gemaakt door de appèldagvaarding niet binnen acht dagen na uitbrenging ter griffie van de rechtbank Leeuwarden in te schrijven in het in artikel 433 Rv. bedoelde register.

6.13. In het zogenaamde Baijings-arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

“Het gaat in een geding als het onderhavige om de vraag of, en zo ja in welke mate, de cliënt van een advocaat schade heeft geleden als gevolg van het feit dat deze laatste heeft verzuimd hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarbij die cliënt in het ongelijk was gesteld. Voor het antwoord op deze vraag moet in beginsel worden beoordeeld hoe de appelrechter had behoren te beslissen, althans moet het te dier zake toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de appellant in hoger beroep, zo dit ware ingesteld, zou hebben gehad.

Teneinde de rechter in het geding waarin de aansprakelijkheid van de advocaat voor diens verzuim aan de orde is, in staat te stellen zo nauwkeurig als in het betrokken geval mogelijk is, tot zodanig oordeel, c.q. schatting te geraken, is het wenselijk dat partijen in dat geding - de cliënt en diens voormalige advocaat - aan de rechter alle gegevens verschaffen die, indien hoger beroep ware ingesteld, in de appelprocedure aan de orde zouden zijn gekomen.

Voor wat de cliënt betreft, betekent dit dat hij in het geding tegen zijn voormalige advocaat de mogelijkheid dient te hebben zich zoveel mogelijk op te stellen op de wijze als hij in het achterwege gebleven hoger beroep zou hebben verkozen. Voor de advocaat betekent het dat hij in het door zijn voormalige cliënt tegen hem aangespannen geding de vrijheid moet hebben zich zoveel mogelijk aan te sluiten bij de positie die, zo hoger beroep ware ingesteld, door de in eerste aanleg in het gelijk gestelde partij zou zijn ingenomen.”

6.14. Naar het oordeel van de rechtbank had Transform Holding in deze procedure ten opzichte van De Brauw zich zoveel mogelijk moeten opstellen op de wijze als zij in het achterwege gebleven hoger beroep zou hebben verkozen. Het had volgens de rechtbank voor de hand gelegen als Transform Holding in deze procedure haar grieven had geformuleerd tegen het door haar bestreden vonnis van de rechtbank Leeuwarden. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat X niet onzorgvuldig heeft gehandeld, is het niet aan X om dit onderdeel voor zijn rekening te nemen, zoals door Transform Holding is aangevoerd. Nog daargelaten, dat de rechtank van oordeel is dat Transform Holding sowieso op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv. die stelplicht had, omdat zij stelt schade te hebben geleden door de niet-ontvankelijkverklaring van Transform Holding in het hoger beroep. De rechtbank is van oordeel dat Transform Holding in haar stelplicht op dit onderdeel tekort is geschoten. Uit de stellingen van Transform Holding volgt echter wel dat Transform Holding van oordeel is dat een conservatoir beslag niet onder de reikwijdte van artikel 3:43 BW valt en dat daarom het hoger beroep succesvol zou zijn geweest.

6.15. In de procedure bij de rechtbank Leeuwarden stond de vraag centraal of de koopovereenkomst tussen Transform Holding en Nemus op grond van artikel 3:43 BW vernietigd diende te worden, omdat het Trias-pand een goed is waarover een geding aanhangig is, omdat de Friesland Bank conservatoir beslag heeft gelegd op het Trias-pand en dat beslag gelegd was door een advocaat, werkzaam bij Trip, de zustervennootschap van Transform Holding. Artikel 3:43 BW bepaalt, voor zover in deze procedure van belang:

“1. Rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomende personen, strekken tot verkrijging door:

a. rechters, leden van het openbaar ministerie, gerechtsauditeurs, griffiers, advocaten, procureurs, deurwaarders en notarissen van goederen waarover een geding aanhangig is voor het gerecht, onder welks rechtgebied zij hun bediening uitoefenen;

(…)

zijn nietig en verplichten de verkrijgers tot schadevergoeding.”

6.16. Staat het leggen van beslag gelijk aan het aanhangig zijn van een geding in de zin van artikel 3:43 BW? Transform Holding heeft (ook) in deze procedure aangevoerd dat zij van oordeel is dat die vraag ontkennend beantwoord dient te worden. Zij verwijst onder meer naar de publicatie in de mede door prof. mr. A.I.M. M, de advocaat van De Brauw die de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank Leeuwarden voor Transform Holding heeft gevoerd, bewerkte aantekeningen in de Losbladige Vermogensrecht, aant. 8.2 op

art. 3:43 BW:

“Een verzoekschrift wordt ingediend ter griffie (art. 278, lid 2, Rv). Het geding geldt op dát moment als aanhangig in de zin van art. 3:43 BW. Betwijfeld kan worden of dit ook moet gelden voor de indiening van een beslagrekest op de voet van

art. 700 Rv. gelet op de bijzondere aard van die procedure zouden wij daarvoor dan ook een uitzondering willen aannemen, aldus dat een verkrijging door één van de in art. 43, eerste lid, onder a, BW genoemde personen van een goed ten aanzien waarvan op het moment van de verkrijging een beslagrekest is ingediend niet wordt getroffen door nietigheid. Als extra argument geldt in dit verband overigens dat over het goed in kwestie geen geding aanhangig is (zie ook hierboven onder 8.2). Het vorenstaande geldt evenzeer indien op het rekest verlof van de voorzieningenrechter is verkregen en de verzoeker op basis daarvan beslag legt.”

6.17. De rechtbank Leeuwarden heeft in haar vonnis geoordeeld dat het begrip ‘geding’ zo breed mogelijk moet worden uitgelegd.

De rechtbank begrijpt Transform Holding aldus, dat zij zich op het standpunt stelt dat op dit onderdeel het vonnis van de rechtbank Leeuwarden niet in stand zou zijn gebleven in hoger beroep. Door het gelegde beslag was er volgens Transform Holding geen sprake van een aanhangig geding in de zin van artikel 3:43 BW.

De rechtbank is van oordeel dat de uitleg die de rechtbank Leeuwarden heeft gegeven aan het begrip ‘aanhangig geding’ en de toelichting op de ratio van het bepaalde in artikel 3:43 BW, juist is. Door het door de Friesland Bank gelegde beslag was de onderhandelingspositie van Nemus slechter dan zonder het beslag. Het beslag is gelegd door een advocaat van Trip. Transform Holding is een zustervennootschap van Trip. Het Trias-pand werd door Transform Holding aangekocht met als doel om daar Trip in te huisvesten. Het beslag op het Trias-pand is op 30 december 2003 doorgehaald, zonder dat Nemus op dat moment voldaan had aan haar betalingsverplichtingen jegens de Friesland Bank, waardoor het vermoeden is gerezen dat, gezien het voorstel van Y om de transportakte te wijzigen, het opheffen van het beslag in opdracht van of in samenspraak met Transform Holding/Trip heeft plaatsgevonden. Het bepaalde in artikel 3:43 BW is naar het oordeel van de rechtbank juist in de wet opgenomen om dergelijke constructies tegen te gaan of althans de schijn die hierdoor gewekt is of kan worden, tegen te gaan.

Naar het oordeel van de rechtbank had het Hof in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Leeuwarden dan ook bekrachtigd.

6.18. Ten aanzien van de stelling van Transform Holding dat het onderhandelingsresultaat tussen Transform Holding en Nemus anders was geweest, als De Brauw geen beroepsfout zou hebben gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat Transform Holding onvoldoende heeft gesteld. Zij heeft niet gesteld in welke mate het van invloed zou zijn geweest of op welk bedrag partijen anders waren uitgekomen. De rechtbank zal vanwege deze summiere onderbouwing Transform Holding niet in de gelegenheid stellen om haar stellingen op dit onderdeel te bewijzen. Bovendien heeft Transform Holding bij akte gesteld dat zij geen getuigen hebben genoemd of kunnen noemen, omdat het in casu volgens Transform Holding een uitsluitend juridisch – en dus niet feitelijk – geschil betreft.

6.19. De rechtbank zal op grond van het bovenstaande ook de vorderingen van Transform Holding op De Brauw afwijzen en Transform Holding als de in het ongelijk gestelde partij ten opzichte van De Brauw veroordelen in de kosten van deze procedure. De rechtbank begroot deze kosten als volgt:

verschotten:

griffierecht: € 4.732,-

advocaatkosten:

conclusie van antwoord: 1 punt

conclusie van dupliek: 1 punt

pleidooi: 2 punten +

totaal: 4 punten x € 2.580,- = € 10.320,-

7. De beslissing

De rechtbank:

7.1. Wijst de vordering af.

7.2 Veroordeelt Transform Holding in de proceskosten. De kosten aan de zijde van X worden begroot op € 1.511,- (zegge: vijftien honderd en elf euro) aan verschotten en op € 19.266,- (zegge: negentienduizend en tweehonderd en zesenzestig euro) aan advocaatkosten en aan nakosten op € 131,- (zegge: één honderd en eenendertig euro) zonder betekening danwel € 199,- (zegge: één honderd en negenennegentig euro) in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagbetekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. De kosten aan de zijde van De Brauw worden begroot op € 4.732,- (zegge: vierduizend zevenhonderd en tweeëndertig euro) aan verschotten en op € 10.320,- (zegge: tienduizend driehonderd en twintig euro) aan advocaatkosten.

7.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de mrs. Margadant, Bottenberg-Van Ommeren en Wentink en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 10 december 2008.?