Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BG6579

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
98181 / KG ZA 08-311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing contact- en straatverbod. Voorshands oordelend heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 op dusdanige (ontoelaatbare) wijze inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer dat het opleggen van een contact- en straatverbod is gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 98181 / KG ZA 08-311

datum vonnis: 3 december 2008 (lm)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

Eiser,

wonende te Almelo,

eiser,

verder te noemen eiser,

advocaat: mr. M.P. Smit,

tegen

Gedaagde sub 1,

Gedaagde sub 2,

beiden wonende te Almelo,

gedaagden,

verder te noemen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2,

advocaat: mr. P.F. Wolbers.

1. Het procesverloop

1.1 Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding en in de akte wijziging van eis.

1.2.De zaak is behandeld ter terechtzitting van 26 november 2008. Ter zitting zijn verschenen: eiser vergezeld door mr. Smit en gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 vergezeld door mr. Wolbers. De standpunten zijn toegelicht.

1.3. Partijen hebben ten slotte vonnis verzocht.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

Eiser en gedaagde sub 1 hebben jarenlang samengewoond. Uit die relatie is een aantal kinderen geboren, waaronder x. Eind september 2006 is de relatie beëindigd.

Op 12 februari 2007 is x onder toezicht gesteld met benoeming van Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel als gezinsvoogdijinstelling. X heeft zijn hoofdverblijfplaats bij eiser. Gedaagde sub 1 woont samen met gedaagde sub 2. Er heeft op 7 oktober jl. een voorval plaatsgevonden waarbij onder meer eiser, gedaagde sub 2 en x betrokken waren. Ten gevolge van dit voorval zijn alle betrokkenen - met uitzondering van x- aangehouden. De tussen x en gedaagde sub 1 in het kader van de ondertoezichtstelling vastgestelde omgangsregeling is in oktober jl. stopgezet. Voor week 51 staat een bijeenkomst gepland waarbij de betrokkenen in gesprek zullen gaan over het weer opstarten van de omgangsregeling tussen x en gedaagde sub 1.

3. Het geschil

3.1. Eiser vordert veroordeling van gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 tot een contact- en straatverbod voor de duur van twee jaren in het door eiser bij akte wijziging van eis aangegeven gebied te Almelo, op straffe van lijfsdwang, zonodig met behulp van de sterke arm, hetzij op straffe van een dwangsom, voor elke keer dat gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 aan deze verboden geen gehoor geven, zulks met veroordeling van gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 in de kosten van deze procedure.

3.2. Gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 verweren zich en concluderen tot afwijzing van het door eiser gevorderde, met veroordeling van eiser in de proceskosten.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In het onderhavige geval moet er voorshands van worden uitgegaan dat de relatie tussen eiser, gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 ernstig is verstoord. Uit het verhandelde ter zitting is in voldoende mate gebleken dat eiser er belang bij heeft dat aan die gestelde gespannen situatie spoedig een einde komt. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen is daarmee gegeven.

4.2. Vaststaat dat de gevorderde verboden inbreuk maken op het in verdragen en wetten vastgestelde (grond)recht van gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 om zich vrijelijk te bewegen. Voor toewijzing van een dergelijke maatregel moet in hoge mate aannemelijk zijn dat er feiten en omstandigheden zijn die een zodanige inbreuk op hun rechten kunnen rechtvaardigen. Voorshands oordelend heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 op dusdanige (ontoelaatbare) wijze inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer dat het opleggen van een contact- en straatverbod is gerechtvaardigd. Eiser heeft zijn stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2, onvoldoende onderbouwd. Tussen partijen staat weliswaar vast dat gedaagde sub 2 eiser op 7 oktober jl. heeft klemgereden, onvoldoende aannemelijk is echter geworden dat gedaagde sub 2 eiser heeft klemgereden met als doel x bij eiser weg te halen. Dat er over en weer gewelddadige handelingen hebben plaatsgevonden en dat dit niet in het belang is van x, staat wel vast, maar rechtvaardigt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen contact- en straatverbod, temeer daar over het aandeel dat eiser heeft gehad in het voorval eveneens onduidelijkheid bestaat. Bovendien is al helemaal niet gebleken van enige betrokkenheid van gedaagde sub 1 bij het voorval op 7 oktober jl.. Evenmin is vooralsnog gebleken van andere bedreigingen door gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 aan het adres van eiser. Het gevorderde contact- en straatverbod zal daarom worden afgewezen. Het enkele feit dat de gezinsvoogd op 7 november jl. een brief heeft geschreven waarin zij aangeeft dat het voorval op 7 oktober jl. de reden is geweest om de bezoekregeling stop te zetten, maakt het voorgaande niet anders.

4.3. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Gedaagde sub 1 en x

hebben recht op omgang met elkaar, maar daarbuiten dienen gedaagde sub 1 en gedaagde

sub 2, eiser en x met rust te laten. Het is voor alle partijen, maar met name voor x van groot

belang dat er rust, stabiliteit en veiligheid is in zijn leven.

4.4. In de omstandigheid dat eiser en gedaagde sub 1 een affectieve relatie hebben gehad, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. wijst af de vordering van eiser;

5.2. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.