Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BG6273

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 168 WW N1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 14 juli 2006 de WW-uitkering van eiser vastgesteld. In geding is de beoordeling van de hoogte van het dagloon door verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 07 / 168 WW N1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 12 januari 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2006 heeft verweerder geweigerd terug te komen van zijn eerdere besluit van 14 juli 2006. Met deze laatste beslissing heeft verweerder eiser per 19 juni 2006 een loongerelateerde uitkering volgens de Werkloosheidswet (WW) toegekend, gebaseerd op een dagloon van € 82,05.

Eiser heeft op 12 oktober 2006 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 september 2006. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar gegrond verklaard, het dagloon vastgesteld op € 82,09 en het besluit voor het overige gehandhaafd.

Bij brief van 19 februari 2007 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en stukken ingediend.

Het beroep is voor de eerste maal behandeld op de openbare terechtzitting van de rechtbank van 3 juli 2007. Daarbij was eiser in persoon aanwezig en werd verweerder vertegenwoordigd door mr. D.H. Harbers en A.A. Verbeek.

Vervolgens heeft de rechtbank op 20 september 2007 het onderzoek heropend en partijen vragen gesteld. Beide partijen hebben een schriftelijke reactie gegeven.

Op 25 november 2008 is het beroep vervolgens een tweede keer behandeld op de openbare zitting van de rechtbank. Eiser was wederom in persoon aanwezig, terwijl verweerder zich liet vertegenwoordigen door A.A. Verbeek.

3. Overwegingen

Het geschil

3.1.1. Verweerder heeft bij het genoemde besluit van 14 juli 2006 de WW-uitkering van eiser vastgesteld. Dit besluit is op 25 augustus 2006 onherroepelijk geworden. Bij brief van 31 augustus 2006 heeft eiser aan verweerder een tweetal salarisstroken toegezonden die eiser na het besluit van 14 juli 2006 had ontvangen. Verweerder heeft deze brief zowel aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 14 juli 2006 als een verzoek tot herziening van dit besluit. Het bezwaarschrift heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek tot herziening heeft verweerder op 27 september 2006 afgewezen omdat geen sprake zou zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Eiser heeft tegen dit laatste besluit bezwaar gemaakt. Bij dit bezwaarschrift heeft eiser een derde, na 14 juli 2006 ontvangen, salarisstrook gevoegd. In het bestreden besluit heeft verweerder, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat de drie toegezonden salarisstroken alsnog worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden. Verweerder heeft daarop de hoogte van het dagloon nogmaals beoordeeld. Bij deze herbeoordeling heeft verweerder de nabetalingen die uit de drie salarisstroken blijken, buiten beschouwing gelaten. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat deze betalingen niet door eisers voormalige werkgever zijn opgegeven aan de belastingdienst als loon dat eiser in het geldende refertejaar heeft verdiend. Door een rekenfout te herstellen komt het dagloon echter toch € 0,04 hoger uit.

3.1.2. Samengevat heeft eiser hiertegen aangevoerd dat de nabetalingen wel betrekking hebben op het refertejaar. Volgens eiser is het te wijten aan zijn voormalige werkgever, dat deze betalingen pas na afloop van het refertejaar zijn gedaan en aan de belastingdienst als loon zijn opgegeven.

3.2.1. De rechtbank stelt voorop dat zij hier niet de onherroepelijke beslissing tot toekenning van een WW-uitkering moet beoordelen. Het beroep richt zich tegen de beslissing op bezwaar van 12 januari 2007. Dit bezwaar was gericht tegen het besluit om slechts gedeeltelijk terug te komen van de genoemde onherroepelijk toekenning.

3.2.2. Daarbij is het volgende van belang. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld kan het bestuursorgaan, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Niettemin is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.2.3. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de na het besluit van 14 juli 2006 ontvangen nabetalingen en salarisstroken nieuw gebleken feiten zijn. De rechtbank zal daarom moeten nagaan of deze nabetalingen verweerder aanleiding hadden moeten geven het dagloon op een hoger bedrag te stellen. Voor zover verweerder met zijn herbeoordeling in bezwaar verder is gegaan en de hoogte van het dagloon nogmaals integraal heeft beoordeeld, valt dit buiten de omvang van het geschil.

De beoordeling van het geschil

3.3.1. In artikel 45, eerste lid, van de WW is, voor zover relevant, bepaald dat voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in een periode van één jaar. Deze periode van één jaar eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden.

Op grond van artikel 45, tweede lid, van de WW zijn bij het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) nadere regels vastgesteld voor de vaststelling van het dagloon.

In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat voor de toepassing van dit besluit de werknemer geacht wordt zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.

3.3.2. Wat de Werkloosheidswet verstaat onder loon, bepaalt artikel 14, eerste lid, van die wet. Volgens dit artikel is loon, het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Onderdeel van dit hoofdstuk zijn de artikelen 16 en 59. Deze artikelen bepalen, kort gezegd, dat onder loon wordt verstaan het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) respectievelijk dat de premieheffing voor werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de heffing van loonbelasting. Artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB bepaalt, dat loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het:

a. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel

b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.

3.4.1. Het voorgaande betekent dat de nabetalingen die hier in het geding zijn, alleen dan bij de berekening van het dagloon moeten worden betrokken, als het gaat om loon dat is verdiend in het refertejaar in de zin van artikel 45, eerste lid, van de WW, zoals een en ander is uitgewerkt in onder andere artikel 2 van het Besluit. Het refertejaar loopt in eisers geval van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006.

3.4.2. Het staat vast dat eisers voormalige werkgever van de drie nabetalingen geen opgave heeft gedaan over een aangiftetijdvak dat valt in het refertejaar. Volgens het Besluit zouden de nabetalingen dan toch kunnen meetellen voor het dagloon als zij in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar zijn geworden. Het is aan eiser om dit aan te tonen.

3.5.1. De rechtbank zal als eerste ingaan op de nabetaling die eiser in juli 2006 heeft ontvangen. Op de overgelegde salarisstrook staat deze betaling omschreven als “Sal. extra uren.” Uit de stukken en de zitting van 3 juli 2007 had de rechtbank in eerste instantie begrepen dat het zou gaan om een uitbetaling van overuren, dat wil zeggen uren die zijn gewerkt buiten de reguliere werktijden om. Uit eisers brief van 21 maart 2008 en uit de zitting van 25 november 2008 heeft de rechtbank echter opgemaakt dat het gaat om een vergoeding voor vakantie-uren. Deze uren konden niet voor het einde van het dienstverband worden opgenomen. Het moment waarop de vergoeding voor de vakantie-uren vorderbaar is geworden, hangt mede af van wat de grondslag is voor de betaling van deze vergoeding.

3.5.2. Eiser heeft zelf artikel 13.8.1 van de CAO Ziekenhuizen 2006-2008 aangewezen als grondslag. Volgens deze bepaling is het een werknemer op grond van artikel 7:640, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) toegestaan opgebouwde vakantie te verzilveren met dien verstande dat de werknemer ten minste recht houdt op het in artikel 7:634 van het BW bedoelde minimum. Dit betekent volgens eiser dat de vakantie-uren al voor het einde van de dienstbetrekking konden worden uitbetaald.

3.5.3. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter niet aannemelijk geworden. Omdat de nabetaling heeft plaatsgevonden na het einde van de dienstbetrekking, is het even goed mogelijk dat de nabetaling is gebaseerd op artikel 7:641, eerste lid, van het BW. Deze wettelijke bepaling geeft een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, recht op een uitkering in geld. Tot dit oordeel draagt bij dat eiser heeft gesteld dat de uitbetaling van de vakantie-uren aan de orde is gekomen in hetzelfde gesprek als waarbij de beëindiging van de dienstbetrekking is besproken. Dit was een gesprek met de directeur van zijn voormalige werkgever op 25 april 2006. In dat gesprek is bovendien volgens eiser geen betalingsmoment is genoemd, dus ook geen moment dat ligt voor het einde van de dienstbetrekking. Verder heeft eisers voormalige werkgever in een brief van 10 maart 2008 uitgesproken dat de vergoeding van de vakantie-uren had moeten worden uitbetaald in juni 2006. Dat is dus na het einde van het refertejaar en mogelijk ook na het einde van de arbeidsovereenkomst. Omdat ieder verder bewijs voor eisers stelling ontbreekt, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat de vergoeding voor vakantie-uren voor 1 juni 2006 opeisbaar en dus vorderbaar is geworden.

3.5.4. Omdat de nabetaling niet al vorderbaar was in het refertejaar, kan zij alleen al daarom niet worden gebracht onder de uitzondering van artikel 2, vierde lid, van het Besluit. De rechtbank zal daarom in het midden laten of en, zo ja, op welk moment de nabetaling inbaar was. Verweerder heeft terecht geen toepassing gegeven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit.

3.6. Ook van de tweede en derde nabetaling heeft eiser niet aangetoond dat zij al voor 1 juni 2006 vorderbaar waren. De precieze grondslag voor deze betalingen blijft namelijk onduidelijk. De overgelegde salarisstroken geven niet zonder meer opheldering. Eisers voormalige werkgever stelt in een brief van 19 maart 2008 slechts dat de tweede betaling een foutcorrectie is naar aanleiding van de CAO. Volgens deze brief zou een nacontrole de aanleiding zijn voor de derde betaling. Daarmee is echter niet uitgesloten dat in de reden voor de nabetaling ligt besloten dat de betreffende bedragen eerst na 31 mei 2006 opeisbaar waren, bijvoorbeeld door een wijziging van de CAO of van de wet. Verweerder heeft daarom ook voor deze betalingen geen toepassing hoeven geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit.

3.7.1. Eisers betoog faalt, voor zover daarin besloten ligt dat artikel 2, eerste lid, van het Besluit strijdig is met artikel 45, eerste lid, van de WW omdat loonbetalingen die betrekking hebben op het refertejaar buiten beschouwing blijven, enkel doordat zijn voormalige werkgever van deze betalingen opgave heeft gedaan over een onjuist aangiftetijdvak.

3.7.2. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nabetalingen immers ook in de definitie van artikel 45, eerste lid, van de WW niet verdiend in het refertejaar. Zoals uiteengezet in rechtsoverweging 3.3.2., is loon verdiend in de zin van artikel 45, eerste lid, van de WW, als het is betaald, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend is geworden of vorderbaar en inbaar is in het refertejaar. Tussen partijen staat vast, en de rechtbank kan zich ermee verenigen, dat de nabetalingen niet in het refertejaar zijn betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend zijn geworden. Zoals hierboven al is overwogen, is verder ook niet komen vast te staan dat nabetalingen al in het refertejaar vorderbaar waren.

3.7.3. De rechtbank concludeert daarom dat er in deze gevallen geen verschil in uitkomst is tussen artikel 45, eerste lid, van de WW en de daaraan gegeven uitwerking in artikel 2, eerste lid, van het Besluit. Wat zou moeten worden geoordeeld als een dergelijk verschil wel zou bestaan, kan de rechtbank onbesproken laten.

3.8 Uit het voorgaande volgt dat verweerder in de nabetalingen geen aanleiding heeft hoeven zien het dagloon vast te stellen op een hoger bedrag. Het beroep is daarom ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat geen reden.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo, recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.E. van Wees, mr. A.M.S. Kuipers en mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van mr. H.W.A. de Jong als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Afschrift verzonden op

PA