Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BG5100

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
05-11-2008
Datum publicatie
24-11-2008
Zaaknummer
88270 HA ZA 759 van 2007
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BN2947, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente moet blad afvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 72
Prg. 2009, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 88270 HA ZA 759 van 2007

datum uitspraak: 5 november 2008 (jsdj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[EISER],

wonende te Wierden,

eiser,

verder te noemen: [EISER],

advocaat: mr. E.J.M. Abels,

tegen

het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam,

GEMEENTE WIERDEN,

zetelende te Wierden,

gedaagde,

verder te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. D.K. ten Cate.

Gehoord partijen;

Gezien de stukken, waaronder het op 19 december 2007 uitgesproken tussenvonnis.

Het procesverloop.

De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld tussenvonnis is overwogen.

Naar aanleiding van voornoemd tussenvonnis heeft op 20 februari 2008 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

Op 17 april 2008 heeft de rechtbank van de gemeente een brief met bijlage ontvangen.

Op 30 juni 2008 heeft [EISER] een drietal foto’s in depot gegeven.

Vervolgens heeft [EISER] geconcludeerd voor repliek, en daarbij zijn eis vermeerderd. Tevens heeft [EISER] bij zijn conclusie vier producties in het geding gebracht.

Daarna heeft de gemeente geconcludeerd voor dupliek en daarbij vier producties in het geding gebracht. Ter aanvulling van productie 11 heeft de rechtbank van de raadsvrouw van de gemeente op 24 september 2008 een brief met bijlage ontvangen.

Partijen hebben vonnis gevraagd, de uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing.

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist.

2. In het proces-verbaal van comparitie wordt aangegeven dat de comparitie zal worden voortgezet. Naar aanleiding van de inhoud van de brief van de gemeente, die de rechtbank op 17 april 2008 heeft ontvangen en waarin de gemeente aangeeft dat zij het wenselijk vindt dat er na comparitie nog een conclusiewisseling kan plaatsvinden, heeft de rechtbank beslist dat voortzetting van de comparitie niet opportuun is en heeft de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie aan de zijde van [EISER].

3. In punt 2 van zijn conclusie van repliek heeft [EISER] gesteld dat het debat dat partijen voeren, kan worden toegespitst op de beantwoording van de vraag: ‘mag de gemeente met een beroep op door haarzelf geformuleerd beleid de kosten van onderhoud en bladafvoer van bomen op de bewoners van het buitengebied afwentelen?’

De gemeente heeft ten verwere gesteld dat de beantwoording van die vraag niet het centrale onderwerp van het debat is. Volgens de gemeente is de juridisch relevante vraag of de door [EISER] gestelde hinder van de bomen van de gemeente, meer in het bijzonder ‘het bladafval’, als onrechtmatig is aan te merken.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

4. Onbetwist is dat de litigieuze bomen eigendom zijn van de gemeente en dat zij in de berm van de openbare weg staan. Ook staat vast dat (een deel van) de bomen staan op een afstand van minder dan twee meter van de erfgrens. De gemeente heeft die bomen in de jaren zeventig/tachtig langs de Straat geplant ten behoeve van de landelijke uitstraling.

Onbetwist is dat [EISER] sinds 1994 bij de gemeente staat ingeschreven op het adres

Straat 1 te Wierden en dat hij sinds 2006 eigenaar van het betreffende perceel is.

5.1 [EISER] heeft in de eerste plaats gevorderd dat de gemeente jaarlijks de overhangende takken van de op haar perceel staande bomen wegneemt. [EISER] stelt daartoe dat hij, kort gezegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek hinder ondervindt van overhangende takken en dat hij daardoor schade lijdt. Die schade wordt veroorzaakt doordat de bomen blad verliezen en vanwege de overhangende takken ook veel blad in en buiten de tuin tegen (onder andere) de (berberis)haag van [EISER] terechtkomt. Door de opeenhoping van het blad sterft de heg af en lijdt [EISER] schade. Ook hebbende bomen achterstallig onderhoud. Volgens [EISER] handelt de gemeente jegens hem onrechtmatig doordat zij haar onderhoudsplicht met betrekking tot de bomen niet nakomt.

De gemeente heeft ten verwere gesteld dat zij haar onderhoudsplicht wel nakomt. Zij ontkent dat zij jegens [EISER] onrechtmatig handelt.

5.2 Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat het in deze zaak gaat om “openbare bomen”. Onbetwist is dat als de bladeren van die bomen vallen, zij in de buurt van de perceelsgrens in de tuin van [EISER] terechtkomen en dat [EISER] daarvan hinder ondervindt, omdat de groei en bloei van planten in de tuin van [EISER], in het bijzonder de berberisheg, wordt belemmerd.

zaaknummer: 88270 HA ZA 759 van 2007

Volgens vaste jurisprudentie hangt de beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke. Daarbij dient men te bedenken dat artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) een le[Eiser] specialis is ten opzichte van artikel 6:162 BW. Het artikel 5:37 BW moet dus altijd worden bezien in samenhang met artikel 6:162 BW.

5.3 Uit de door [EISER] in het geding gebrachte foto’s blijkt de rechtbank dat de bomen vrij dicht nabij de erfgrens staan en dat als gevolg daarvan een deel van de takken noodzakelijkerwijs over het perceel van [EISER] hangen. Uit de stellingen van [EISER] blijkt de rechtbank dat [EISER] alleen verwijdering van takken vordert omdat dan (mogelijk) minder blad in zijn tuin terecht zal komen. Gezien de plaatselijke omstandigheid met betrekking tot de onbetwist gestelde landschappelijke waarde van de bomen, is de rechtbank van oordeel dat het terugsnoeien van de takken van de “openbare bomen”, niet alleen de vorm en groeimogelijkheid van de bomen beknot doch ook dat de landschappelijke waarde van de bomen door het snoeien wordt aantast, hetgeen indruist tegen het maatschappelijke belang.

Met betrekking tot het gestelde achterstallig onderhoud heeft [EISER] in verband met de door hem gestelde schade onvoldoende gesteld, zodat de rechtbank die stelling niet verder zal bespreken.

5.4 Daarnaast geldt dat de aanplant van de bomen heeft plaatsgevonden in een periode die meer dan een decennium ligt voor het tijdstip waarop [EISER] op zijn huidige adres kwam wonen. [EISER] heeft dan ook, op het moment dat hij op zijn huidige perceel kwam wonen, geweten dat hij grote “openbare bomen” nabij de erfgrens had staan. Bij het inrichten van zijn tuin, in het bijzonder vóór het aanplanten van een heg, had [EISER], naar het oordeel van de rechtbank, zich moeten laten voorlichten omtrent de gevolgen voor de door hem beoogde heggensoort en wellicht zijn keus op een ander soort heg moeten laten vallen. Immers, eiken, zowel Amerikaanse als inlandse, zijn bladverliezende bomen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een feit van algemene bekendheid is.

5.5 Verder is de rechtbank van oordeel dat de periode waarin sprake is van bladval, waarbij het dan gaat om een aanzienlijke hoeveelheid, gedurende ongeveer zes tot maximaal acht weken in de herfst plaatsvindt. Daarbij gaat het om een vrij korte periode en, gezien de plaatsing van de bomen, ook om een relatief klein gebied dat met bladeren wordt bedekt.

Verder moet worden bedacht dat [EISER], zoals hij zelf ook aangeeft in punt 4 van zijn conclusie van repliek, met veel genoegen in het buitengebied van Wierden woont en aanvaardt dat aan een dergelijke woonomgeving naast positieve ook negatieve kanten zitten.

5.6 Uit het bovenstaande blijkt dat de omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke, een grote rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de veroorzaakte hinder vanwege het niet terugsnoeien van de takken door de gemeente, waardoor bladeren in een bepaalde (korte) periode in de tuin van [EISER] terechtkomen als onrechtmatig valt te kwalificeren.

Het antwoord op die vraag moet, naar het oordeel van de rechtbank, gezien hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, ontkennend worden beantwoord. Het gevolg daarvan is dat de gemeente door het niet weg- en terugsnoeien van de takken, niet handelt in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens [EISER] in acht behoort te nemen en dat [EISER] moet dulden dat inbreuk op zijn eigendomsrecht wordt gemaakt, doordat bladeren van de takken van de “openbare bomen” op zijn perceel terechtkomen, of tegen de door hem aangeplante heg aankomen.

6.1 Bij zijn conclusie van repliek heeft [EISER] zijn eis vermeerderd, in dier voege dat hij vordert de gemeente te veroordelen in de betaling van de factuur nr. 080034 van 18 juni 2008

ad € 3.269,11. [EISER] heeft ter onderbouwing van zijn vordering foto’s in het geding gebracht en daarbij gesteld dat het blad van de bomen op en tegen de heg zijn aangekomen, waardoor de heg, zo begrijpt de rechtbank, onder het blad werd bedolven, en de heg dood is gegaan. De rechtbank begrijpt verder uit hetgeen [EISER] stelt dat opeenhoping van blad tegen de heg heeft kunnen plaatsvinden omdat de gemeente jegens [EISER] onrechtmatig heeft gehandeld aangezien zij niet aan haar onderhoudsverplichting heeft voldaan.

De gemeente heeft betwist dat de heg door bladopeenhoping is afgestorven en heeft gesteld dat, kort gezegd, het (deels) doodgaan van de hegbeplanting is veroorzaakt door onoordeelkundig onderhoud zijdens [EISER].

6.2 Wat daar ook van zij, de rechtbank is, zoals zij hiervoor in rechtsoverweging 5.4 heeft aangegeven, van oordeel dat [EISER] op het moment dat hij op zijn huidige perceel kwam wonen, wist dat de gemeente grote “openbare bomen” nabij de erfgrens had staan en dat hij bij het inrichten van zijn tuin, in het bijzonder vóór het aanplanten van een heg, zich had moeten laten voorlichten omtrent de gevolgen voor de door hem beoogde heggensoort.

Met betrekking tot de stelling van [EISER] dat de gemeente aan haar onderhoudsverplichting had moeten voldoen door het blad te verwijderen, wijst [EISER] op het arrest van de Hoge Raad van 4 november 1998, NJ 1989, 854.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak sprake van een geheel andere oorzaak dat inbreuk wordt gemaakt op iemands eigendom dan in de casus waarop het arrest betrekking heeft. Immers, in deze zaak gaat het om een kortstondige inbreuk op het eigendomsrecht van [EISER] (hinder) die wordt veroorzaakt door een niet te beïnvloeden cyclus van de natuur.

Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat het gebied van de gemeente, inclusief het buitengebied, te groot is om door haar geheel bladvrij te worden gehouden. Terecht merkt de gemeente op dat de kosten daarvoor veel te hoog zijn in verhouding tot de baten.

Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat [EISER] moet dulden dat bladeren van de takken van de “openbare bomen” op zijn perceel terechtkomen of tegen de door hem aangeplante heg aankomen.

Dat de heg vervolgens door bladeren wordt “ingepakt”, hetgeen ten nadele van de groei en bloei van de heg is, zodat schade ontstaat, moet in de eerste plaats aan het stilzitten van [EISER] worden geweten. Immers, de heg staat op het terrein van [EISER], op een korte afstand van de erfgrens. Het gevolg daarvan is dat [EISER], te voorkoming van schade, het blad van de “openbare bomen” in de buurt van zijn heg had moeten verwijderen.

Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt er toe dat de rechtbank de vordering van [EISER] ter zake de kosten van vernieuwing en herplanten van zijn heg, zal afwijzen.

7.1 [EISER] heeft gevorderd dat, zakelijk weergegeven, de gemeente jaarlijks, telkens uiterlijk op

1 december de bladeren zal (laten) afvoeren, die afkomstig zijn van de “openbare bomen” langs het perceel.

De gemeente heeft verweer gevoerd en gesteld dat, kort gezegd, enerzijds voor een kleine gemeente als de gemeente Wierden de vordering van [EISER] grote financiële gevolgen voor haar zal hebben en anderzijds de bomen in de buurt van het perceel van [EISER] door gebrek aan vocht en voeding afgestorven zijn.

7.2 Wat het eerste verweer betreft, is de rechtbank van oordeel dat de gemeente, zoals zij in bijlage 11 nader heeft aangegeven, een onjuist uitgangspunt hanteert. Immers deze zaak betreft niet een vordering van alle bewoners in het buitengebied om per vier huizen een afvalbrengpunt voor gemeentelijk boomafval te plaatsen. In deze zaak gaat het om de vordering van één inwoner van het buitengebied.

De gemeente heeft met betrekking tot haar eerste verweer tevens aangevoerd dat [EISER] zonder betaling van stortingsrechten het blad van de “openbare bomen” mag storten bij het afvalbrengpunt in de gemeente.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat deze stelling van de gemeente te ver. De rechtbank heeft hiervoor bepaald dat [EISER] moet dulden dat blad van de “openbare bomen” op zijn terrein terechtkomen en dat hij ter voorkoming van schade aan zijn heg het blad moet verwijderen. De gemeente heeft gesteld dat zij kosten zou moeten maken om het blad bij [EISER] op te halen. Echter, als [EISER] het blad van de “openbare bomen” naar het afvalbrengpunt van de gemeente moet brengen moet hij kosten maken, hetgeen de rechtbank kwalificeert als vermogensschade aan de zijde van [EISER].

Daarbij komt dat vaststaat dat de gemeente binnen de bebouwde kom wel bladkorven laat aanbrengen waar bewoners bladeren, zonder dat zij kosten moeten maken, kunnen storten. De gemeente haalt op haar kosten het blad uit die bladkorven op.

Waarom [EISER] als bewoner van het buitengebied vermogensschade moet lijden, omdat de gemeente anders kosten moet maken, die zij te hoog vindt, en bewoners die in de bebouwde kom wonen wel zonder vermogensschade blad kunnen storten, ontgaat de rechtbank.

Dat de gemeente uitgaat van precedentwerking van een toewijzing van de vordering van [EISER] op dit punt, is gezien de motivering niet juist. Het gaat in deze zaak om het afhalen van blad van “openbare bomen” op nadrukkelijk verzoek van een bewoner van het buitengebied, die moet dulden dat bladeren van die bomen op zijn perceel komen, waarvan hij hinder ondervindt en waarvoor zijn GFT container gezien de hoeveelheid van het blad geen soelaas biedt.

Terzijde merkt de rechtbank daarbij op dat de gemeente zich in diverse publicaties, zoals in het blad ‘Overijssels Buiten nummer 24’, afficheert als een gemeente die de ontwikkeling van groene diensten bevordert.

7.3 Het tweede verweer van de gemeente dat de bomen dood zijn en dat [EISER] geen belang meer bij zijn vordering, treft geen doel. De resterende boomstammen zullen volgens de gemeente op termijn worden verwijderd.

Aangezien de gemeente daarna stelt dat zij eventuele vervolgstappen na verwijdering laat afhangen van de uitkomst van deze procedure, doch niet aangeeft wat die vervolgstappen zijn, is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de gemeente niet valide is.

7.4 Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal de rechtbank beslissen dat de vordering van [EISER] zal worden toegewezen, in dier voege dat de gemeente jaarlijks telkens uiterlijk op 1 december zal afvoeren of doen afvoeren de door [EISER] verzamelde bladeren die afkomstig zijn van de “openbare bomen”, zulks op straffe van een dwangsom van € 150,-- per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijft, met een maximum € 4.500,-- voor ieder jaar dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.

Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat partijen, zoals ook summierlijk besproken tijdens de op 20 februari 2008 gehouden comparitie, in goed overleg met elkaar zullen bepalen waar (mogelijk) een bladafhaalpunt nabij of op het perceel van [EISER] kan worden gecreëerd.

8.1 [EISER] heeft gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld hem een bedrag van € 498,69 te betalen. [EISER] heeft gesteld dat de gemeente hem dat bedrag in rekening heeft gebracht met betrekking tot afvoer van bladeren die afkomstig waren van de “openbare bomen”.

De gemeente heeft ten verwere gesteld dat er sprake is van overtreding van artikel 36 van de Afvalstoffenverordening en artikel 10.2 van de Wet Milieubeheer. Daarnaast heeft de gemeente gesteld dat bij verwijdering van het door [EISER] gestorte tuinafval is gebleken dat het hier niet alleen ging om bladafval, afkomstig van de gemeentelijke bomen, maar ook om tuinafval en snoeihout uit de tuin van [EISER] zelf.

8.2 [EISER] betwist niet gemotiveerd dat hij naast bladafval van de “openbare bomen” ook ander afval heeft gestort. Gelet op hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 7.4 heeft beslist, is de rechtbank van oordeel dat de gemeente het door [EISER] verzamelde bladafval van haar bomen op haar kosten had moeten ophalen en de kosten daarvan niet bij [EISER] in rekening moeten brengen.

Aangezien het verwijderde afval door [EISER] deels bestond uit door [EISER] geproduceerd tuinafval, doch onduidelijk is hoe de verhouding tussen de beide afvalsoorten is geweest, beslist de rechtbank dat de gemeente e[Eiser] aequo et bono met betrekking tot deze vordering een bedrag van € 350,-- aan [EISER] moet betalen.

9. [EISER] heeft gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld hem een bedrag te betalen van

€ 6.981,66. [EISER] heeft gesteld dat hij gedurende 14 jaren voor afvoer van het blad heeft zorg gedragen en dat hij daardoor financiële schade heeft geleden. [EISER] hanteert voor zijn berekening hetzelfde bedrag dat de gemeente hem in rekening heeft gebracht.

Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat [EISER] zijn vordering niet correct heeft onderbouwd, maar (kennelijk) is uitgegaan van een begroot bedrag, waarbij [EISER] van stortkosten is uitgegaan die niet meer van toepassing zijn.

Aangezien [EISER] zijn kosten in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt, heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, niet aan zijn stelplicht met betrekking tot deze vordering voldaan en zal de rechtbank de vordering afwijzen.

10. Nu partijen over en weer gedeeltelijk als de in het ongelijk gestelde partij dienen te worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat de kosten van deze procedure, inclusief de door [EISER] gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 1.000,-- moeten worden gecompenseerd, des, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

DE BESLISSING:

I. Veroordeelt de gemeente om telkens uiterlijk op 1 december af te voeren of doen afvoeren de door [EISER] verzamelde bladeren die afkomstig zijn van de “openbare bomen”, zulks op straffe van een dwangsom van € 150,-- per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijft, met een maximum van € 4.500,-- voor ieder jaar dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.

II. Veroordeelt de gemeente om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [EISER] te betalen het bedrag van € 350,--. (drie honderd vijftig Euro).

III. Compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

IV. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.S. de Jong en is op 5 november 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.