Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BF9982

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-10-2008
Datum publicatie
20-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/596 WIA BI1 A, 07/599 WIA BI1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 25 WIA, Reïntegratieverplichtingen en verplichte loondoorbetaling werkgever.

Geconstateerde nalatigheid van werkgever t.a.v. advies en verrichtingen van door haar ingeschakelde arbodienst in dit geval onvoldoende om met verweerder (UWV) te oordelen dat zij is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 07/596 WIA BI1 A en 07/599 WIA BI1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in de geschillen tussen:

[besloten vennootschap],

gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

locatie Utrecht, verweerder.

1. Bestreden besluiten

Besluiten van verweerder d.d. 18 april 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2006 heeft verweerder op grond van artikel 25 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan eiseres een verplichting opgelegd tot doorbetaling van het loon van haar werknemer [werknemer] (hierna: [werknemer]) voor een periode van 52 weken.

Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder de behandeling van de aanvraag van [werknemer] om een uitkering op grond van de WIA opgeschort.

Tegen het besluit waarbij haar de loondoorbetalingverplichting is opgelegd, heeft eiseres bij brief van 16 januari 2007, aangevuld bij brief van 1 maart 2007, bezwaar gemaakt.

Tegen het besluit tot opschorting van de behandeling van zijn aanvraag om een WIA uitkering heeft [werknemer] bij brief van 17 januari 2007 bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke besluiten van 18 april 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiseres en [werknemer] ongegrond verklaard.

Tegen het aan [werknemer] gerichte besluit op bezwaar heeft eiseres bij brief van 29 mei 2007, aangevuld bij brief van 29 juni 2007, beroep ingesteld.

Dit beroep is geregistreerd onder nummer 07/596 WIA

Tegen het aan haar gerichte besluit op bezwaar heeft eiseres bij brief van gelijke datum, aangevuld bij brief van 28 juni 2007, beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 07/599 WIA.

Bij brieven van 24 september 2007 heeft verweerder verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 juli 2008, waar eiseres is verschenen bij mr. M.A. de Bont, kantoorgenoot van mr. mr. J.G.M. Roijers. Verweerder is niet verschenen.

3. Overwegingen

Ten aanzien van het beroep van eiseres, geregistreerd onder nummer 07/596 WIA, ziet de rechtbank zich allereerst gesteld voor de ambtshalve te beantwoorden vraag of eiseres wel in haar beroep kan worden ontvangen.

Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, bepaalt dat geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

Niet is gebleken dat eiseres tegen het aan [werknemer] gerichte besluit van 7 december 2006 bezwaar heeft gemaakt. Anders dan namens eiseres ter zitting is gesteld, valt uit het bezwaarschrift dat zij tegen het aan haar gerichte besluit van 7 december 2006 heeft ingediend, niet af te leiden dat zij daarmee tevens beoogde bezwaar te maken tegen het aan [werknemer] gerichte primaire besluit. Weliswaar heeft eiseres in haar bezwaarschrift het kenmerk van verweerder genoemd dat in beide besluiten van 7 december 2006 gelijkluidend is, maar in haar bezwaarschrift verwijst eiseres voor het bestreden besluit naar de kopie die als bijlage aan het bezwaarschrift is aangehecht en dat is het aan haar gerichte besluit van 7 december 2006.

Eiseres heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen van het feit dat haar redelijkerwijs niet verweten kan worden geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het aan [werknemer] gericht besluit.

Gelet op artikel 6:13 van de Awb kan eiseres daarom niet worden ontvangen in haar beroep tegen het besluit op het bezwaar ten name van [werknemer].

Het beroep van eiseres, geregistreerd onder nummer 07/596 WIA, dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van het beroep van eiseres, geregistreerd onder nummer 07/599 WIA, overweegt de rechtbank het volgende.

In geschil is of verweerder eiseres terecht een verplichting heeft opgelegd tot doorbetaling van het loon van [werknemer] voor een periode van 52 weken omdat zij zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd. Daarbij heeft zij mogen afgaan op het advies van de door haar ingeschakelde, gecertificeerde arbodienst dat [werknemer] gedurende de gehele wachttijd niet belastbaar was met werk. Er bestond voor eiseres geen aanleiding om aan het advies van de arbodienst te twijfelen. Voorts stelt eiseres dat verweerder met het opleggen van de verplichting het loon door te betalen heeft gehandeld in strijd met de mededeling van de arbeidsdeskundige dat, indien er tijdig een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zou worden opgesteld en aan verweerder ter hand gesteld, verweerder geen loonsanctie zou opleggen.

Ten slotte is eiseres van mening dat verweerder niet alle feiten en af te wegen belangen in ogenschouw heeft genomen en dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust.

Artikel 25 van de WIA luidt, voor zover van belang:

‘‘1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de re-integratie van de verzekerde.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op.

De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een re-integratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.

(...)

5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of door een arbodienst.

(...)

7. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.

(...)

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

(...)

14. Het tijdvak, bedoeld in het negende lid, eindigt zes weken nadat het UWV heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet later dan na 52 weken. Indien het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid of de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming is hersteld te laat geeft, eindigt het tijdvak zoveel eerder als de beschikking later is afgegeven.

(...)

16. Bij ministeriële regeling kunnen voor de toepassing van het negende tot en met het vijftiende lid nadere regels worden gesteld’’.

In de ministeriële Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (regeling van 25 maart 2002, Stcrt. 2002, 60, zoals laatstelijk gewijzigd bij regeling van 16 december 2005, Stcrt. 2005, 249) is nader uitwerking gegeven aan artikel 25, eerste, tweede lid en derde lid, van de WIA.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) is bepaald dat het UWV bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van de WIA, het beoordelingskader hanteert, zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.

Gebleken is dat [werknemer], directeur van een productieafdeling bij eiseres, zich op 31 januari 2005 ziek heeft gemeld met psychische klachten.

Op 26 oktober 2006 heeft [werknemer] bij verweerder een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend, met probleemanalyse en bijstellingen (inclusief actueel oordeel) en medische informatie van bedrijfsarts I.G. Knottnerus van de arbodienst Maetis. De FML is op verzoek van de primaire arbeidsdeskundige G.M. van der Heuvel nagezonden en door verweerder op 30 november 2006 ontvangen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar de herbeoordeling die heeft plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven en de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband, zijn primaire standpunt gehandhaafd dat [werknemer] niet verkeerde in de situatie dat hij op medische gronden in het geheel niet belastbaar was met arbeid. In het verlengde hiervan is verweerder van mening dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

In zijn rapportage van 16 april 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van dossieronderzoek en de hoorzitting geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van het voortdurend ontbreken van functionele mogelijkheden voor (eventueel aangepaste) arbeid en dat de richtlijn voor het handelen bij werknemers met psychische klachten niet is gevolgd.

In zijn rapportage van 17 april 2007 heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres in de wachtjaren onvoldoende zijn geweest en dat de werkgever daarvoor geen deugdelijke grond heeft aangevoerd.

De bezwaararbeidsdeskundige onderschrijft blijkens zijn rapportage de opvatting van de primaire arbeidsdeskundige dat eiseres niet zonder meer op het advies van de door haar ingeschakelde arbodienst had mogen afgaan. Zij had, als degene die eindverantwoordelijk is voor de re-integratie, de verrichtingen van de arbodienst kritisch moeten volgen wat betreft het nakomen van de afspraken en door te vragen als de afspraak niet wordt nagekomen. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige is ten onrechte niet onderzocht hoe [werknemer] wel aan de slag kon komen, met name in de periode nadat de trajecten bij het re-integratiebedrijf HSK en de psycholoog waren gestaakt. Nu er een FML is ingevuld op basis waarvan functies kunnen worden geduid, getuigt het volgens de bezwaararbeidsdeskundige niet van een gedegen aanpak dat er in feite al twee jaar de behandeling wordt afgewacht.

In de door de bedrijfsarts opgestelde probleemanalyse van 11 maart 2005 is vermeld dat [werknemer] beperkingen ondervindt als gevolg waarvan hij niet in staat is zijn eigen werkzaamheden te verrichten, en dat het doel van de re-integratie geleidelijke werkhervatting in de eigen functie is. Als interventie adviseerde de bedrijfsarts een intake door HSK. In het eerste plan van aanpak van 1 april 2005 is vervolgens afgesproken dat [werknemer] op 11 april 2005 zou beginnen met werkzaamheden, na overleg met zijn huisarts in verband met medicijngebruik. Op 20 oktober 2005 is het plan van aanpak bijgesteld omdat [werknemer] wegens medicijngebruik de werkzaamheden niet kon hervatten op 11 april 2005. Vervolgens is in de eerstejaarsevaluatie van het plan van aanpak van 3 februari 2006 door de bedrijfsarts vermeld dat de afgesproken re integratieactiviteiten niet volgens plan zijn verricht, omdat dat niet mogelijk was wegens medicijngebruik.

[werknemer] was niet in staat zijn werkzaamheden of een gedeelte daarvan te verrichten.

Op 17 oktober 2006 heeft bedrijfarts A.J. ter Balkt aangegeven dat de klachten van [werknemer] op dat moment onveranderd waren en dat [werknemer] zes gesprekken had gehad met een psycholoog. Bij de vraag waarom werd afgeweken van geadviseerde protocol/richtlijn/leidraad, heeft hij vermeld “Bij HSK toename klachten hyperventilatie: gestopt en op verzoek van huisarts”. De bedrijfsarts verwachtte geen herstel van de belastbaarheid op korte termijn.

Niet in geschil is dat [werknemer] van eind juni 2005 tot begin februari 2006 niet onder specialistische behandeling heeft gestaan voor zijn klachten. In die periode is [werknemer] wel gevolgd door de bedrijfsarts, die eiseres bij brieven van 19 juli, 13 september en 16 december 2005 ervan op de hoogte heeft gehouden dat spreekuurcontacten met [werknemer] hadden plaatsgevonden. Op 16 december 2005 heeft de bedrijfsarts eiseres voorts bericht dat hij [werknemer] arbeidsongeschikt achtte en dat deze arbeidsongeschiktheid werd veroorzaakt door de noodzakelijke hersteltijd als gevolg van de medische klachten. Indien eiseres en [werknemer] met elkaar van mening verschilden over de (uitvoering) van het advies, konden eisers en/of [werknemer] een deskundigenoordeel (second opinion) aanvragen bij het UWV. Op 21 februari 2006 heeft de bedrijfsarts eiseres wederom meegedeeld dat [werknemer] op dat moment arbeidsongeschikt werd geacht en dat op dat moment ook werkhervatting niet mogelijk werd geacht. In zijn daaropvolgende brieven van 5 april, 2 juni, 19 juli, 20 september, 2 oktober en 17 oktober 2006 heeft de bedrijfsarts eiseres op de hoogte gesteld van de spreekuurcontacten die met [werknemer] hadden plaatsgevonden en haar meegedeeld dat de behandeling weer was gestart. Daarbij heeft de bedrijfsarts voorts twee maal aangegeven dat [werknemer] arbeidsongeschikt was en niet in staat was tot (aangepaste) werkhervatting.

De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiseres kennelijk meent, de enkele omstandigheid dat zij zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, vijfde lid, van de WIA bij haar re-integratie-inspanningen heeft laten bijstaan door een gecertificeerde arbodienst, niet betekent dat zij reeds om die reden zonder meer kon afgaan op de adviezen van die arbodienst.

In dit verband wijst de rechtbank op de bijlage bij de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter, waarin in onderdeel 6 ‘Rol van ondersteunende dienstverleners’ staat vermeld dat, hoewel van een bevoegde arbodienst/bedrijfsarts mag worden verwacht dat deze zijn adviserende en ondersteunende taak adequaat uitvoert, het inschakelen van deze deskundigen niet betekent dat de werkgever zich zonder meer achter de medische beoordeling kan verschuilen. De werkgever blijft eindverantwoordelijke voor de verzuimbegeleiding en de re-integratie.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, gelet op de summiere berichtgeving van de bedrijfsarts en de eigen verantwoordelijkheid van eiseres voor de verzuimbegeleiding, in dit geval van eiseres had mogen worden verwacht dat zij de verrichtingen van de door de door haar ingeschakelde arbodienst kritischer had gevolgd en dat zij door middel van interactie met zowel [werknemer] als de bedrijfsarts was nagegaan welke actie noodzakelijk was voor een optimaal re-integratieresultaat. Namens eiseres is weliswaar gesteld dat zij regelmatig telefonisch contact heeft gehouden met [werknemer], maar over die contacten valt in het dossier niets terug te vinden.

De rechtbank acht de hiervoor geconstateerde nalatigheid van eiseres in dit geval evenwel onvoldoende om met verweerder te oordelen dat zij is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen.

In dit verband acht de rechtbank van belang dat de aanvullende informatie die door de bedrijfsarts in bezwaar aan verweerder is verschaft, bevestigt dat de bedrijfsarts periodiek heeft beoordeeld of herstel respectievelijk verbetering van de arbeidsmogelijkheden van [werknemer] binnen een redelijke termijn was te verwachten of kon worden bewerkstelligd, maar dat daarvan geen sprake was in verband met diens psychische klachten.

Voor zover verweerder desondanks de mening was toegedaan dat extra informatie tot een andere conclusie had kunnen leiden, had van verweerder mogen worden verwacht dat hij dit in de bezwaarfase nader had onderzocht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het in bewaar gehandhaafde besluit tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep dient gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 644,-- (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,--). Voorts dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 285,-- te vergoeden.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep van eiseres, geregistreerd onder nummer 07/596 WIA, niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eiseres, geregistreerd onder nummer 07/599 WIA, gegrond;

- vernietigt het aan eiseres gerichte besluit op bezwaar van 18 april 2007

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres van 16 januari 2007, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-- en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- aan haar vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.C.R. Schut, voorzitter, mr. C. Verdoold en mr. W.F. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Griffier is buiten staat te tekenen