Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BF5093

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
03-10-2008
Zaaknummer
74664 ha za 14 van 2006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia - aandelenlease

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 74664 ha za 14 van 2006

datum vonnis: 26 maart 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X en Y,

echtelieden,

wonende te Borne (O),

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

verder tezamen te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. E.M.M. van de Loo.

Procesverloop

X heeft Dexia bij inleidende dagvaarding van 28 oktober 2005 gedagvaard. Na een akte van schorsing van Dexia is de procedure middels een akte tot hervatting d.d.

4 april 2007 hervat en heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie genomen.

Na een conclusie van repliek en akte vermeerdering van eis in conventie en antwoord in reconventie zijdens X en een conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie van Dexia, gevolgd door een conclusie van dupliek in reconventie van X, hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Feiten

1. X heeft zich in 2000 tot P. B te Borne gewend met de vraag wat te doen nu de renteaftrek op zijn bij IDM lopende lening werd afgeschaft. X en P. B kenden elkaar al langer, omdat P. B al eerder leningen voor X had verzorgd.

2. P. B heeft X op dat verzoek geadviseerd ter vervanging van die IDM-lening een viertal Profit Effect’s Maandbetaling af te sluiten met een totale maandelijkse verplichting van € 190,-- en daarnaast een aflossingsvrij doorlopend krediet van € 150,-- per maand. Ingeval van stijgende beurskoersen zou volgens P. B al na drie jaar niet meer op de Profit Effect’s betaald hoeven te worden en bij verdere stijging ook het krediet kunnen worden afgelost.

3. Op 5 april 2000 sloot X dienvolgens vier identieke overeenkomsten Profit Effect’s Maanduitbetaling onder de nummers 56082210/11/12/13 (productie 2 dagvaarding,

productie 1 CvA).

Per overeenkomst bedroeg het aankoopbedrag van de aandelen (Ahold, ING, Kon. Olie, Unilever) een bedrag van € 4.579,40, de tijdens de looptijd van 120 maanden van de overeenkomst te betalen rente € 5.678,40, derhalve een totaal overeengekomen leasesom per contract van € 10.257,80.

4. Van elk der overeenkomsten bedroeg de maandelijkse leasetermijn een bedrag van

€ 47,32 (uitsluitend bestaande uit een rentecomponent, geen aflossing), waarvan

58 termijnen tot een bedrag van € 2.744,55 per contract door X is voldaan.

Aan het einde van elke overeenkomst diende X het restant, i.e. de hoofdsom, ten bedrage van € 4.534,02 terug te betalen, dat in principe met de (verkoop-)opbrengst van de aandelen zou worden verrekend.

5. Omdat X vond dat het heel goed ging met de Profit Effect’s sloot hij in oktober 2000 naar aanleiding van reclamefolders nog een WinstVerDriedubbelaar d.d. 18 oktober 2000 onder nummer 74880570 en een WinstVer10Dubbelaar d.d. 27 oktober 2000 onder nummer 76084989.

6. De WinstVerDriedubbelaar betrof de lease van aandelen ABN AMRO, Ahold en ING voor een bedrag van € 3.871,80, te betalen rente gedurende de looptijd van 36 maanden van

€ 812,52 oftewel een totale leasesom van € 4.684,32.

De maandelijkse verplichting voor X gedurende die looptijd bedroeg € 22,57, aan het einde van het contract diende X het restant hoofdsom ad € 3.826,42 te voldoen in principe te verrekenen met de opbrengst van de geleasede waarden.

In 2003, na het verstrijken van de overeengekomen looptijd heeft X deze overeenkomst vanwege de op dat moment bestaande restschuld verlengd.

In totaal betaalde X op dit contract aan termijnen een bedrag van € 1.217,32.

7. De WinstVer10Dubbelaar betrof de lease van Legio WinstVer10Dubbelaar Certificaten, uitgegeven conform prospectus d.d. 19 september 2000 met een hoofdsom van € 3.345,50, te betalen rente gedurende de looptijd van 120 maanden van € 2.722,80, oftewel een totaal overeengekomen leasesom van € 6.068,30.

De maandelijkse verplichting voor X gedurende die 120 maanden bedroeg € 22,69, aan het einde van het contract diende X het restant van de hoofdsom ad € 3.300,12 te voldoen, zo mogelijk te verrekenen met een eventueel voordelig koersverschil op die certificaten.

In totaal betaalde X op dit contract aan termijnen € 1.179,88.

8. Bij brief van 25 februari 2003 (productie 3 dagvaarding) heeft Y als echtgenote van X zich op het standpunt gesteld dat deze zonder haar medeweten en/of toestemming de WinstVerDriedubbelaar en de WinstVer10Dubbelaar heeft gesloten en zich op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW beroepen en aan Dexia verzocht alle betaalde termijnen terug te storten.

9. In 2004 werd X gewaar dat de contracten niet brachten wat hij ervan verwacht had, in die zin dat ook hij Dexia aansprakelijk heeft gesteld (productie 5 dagvaarding) en gesommeerd tot terugbetaling van de door hem aan Dexia betaalde termijnen.

10. Bij brief van 29 augustus 2005 heeft X Dexia nogmaals aansprakelijk gesteld, de overeenkomsten buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en Dexia gesommeerd tot terugbetaling van zijn inleg, conform een formule dezer rechtbank (productie 8 en 9 dagvaarding).

11. Bij brieven van 22 september 2005 (productie 10 dagvaarding) heeft Dexia aan X kenbaar gemaakt vanwege betalingsachterstand inmiddels de onderliggende waarden te hebben geliquideerd en X aangeslagen voor de restschulden:

a. 56082210 ad € 2.869,52

b. 56082211 ad € 2.880,59

c. 56082212 ad € 2.891,84

d. 56082213 ad € 2.880,59

e. 74880570 ad € 1.788,97

f. 56084989 ad € 1.407,58

Voorts heeft Dexia X bij het BKR te Tiel voor het totaal dezer restschulden ad

€ 14.719,09 doen registreren met een z.g. A-codering.

Vordering

12. X vordert inclusief de bij repliek vermeerderde eis:

I. De overeenkomsten te ontbinden althans voor recht te verklaren dat zij

buitengerechtelijk zijn ontbonden.

Althans

II. Verklaring voor recht dat de overeenkomsten nietig zijn, althans buitengerechtelijk

vernietigd, althans Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en Dexia deswege

schadeplichtig is.

III. Dexia te veroordelen tot voldoening aan X van € 13.375,20 althans € 7.886,30

althans € 6.015,88.

IV. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de

onderscheiden deelbetalingen zijn verricht, althans Dexia in verzuim verkeert

(10 maart 2003 althans 1 oktober 2005), althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan

de dag der betaling.

V. Dexia te veroordelen op straffe ener dwangsom het BKR op te dragen de A-notering

van X ongedaan te maken.

VI. Voor recht te verklaren dat de restschulden van X als genoemd in de dagvaarding

vervallen zijn.

VII. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VIII.Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

13. X baseert de vorderingen op de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet (WCK) respectievelijk het niet inachtnemen door Dexia van haar zorgplicht ingevolge de Wet Toezicht Effectenverkeer (WTE), althans het niet vrijgesteld zijn van B van een vergunning in de zin van die wet.

Het verweer (kort samengevat)

14. Omtrent de overeenkomsten Profit Effect’s Vooruitbetaling is X door B geïnformeerd en geadviseerd aan de hand van de brochure, toelichtende brief, aanvraagformulieren en (concept)overeenkomsten.

De WCK acht Dexia op deze overeenkomsten niet van toepassing en aan haar zorgplicht (in de zin van NR99) zegt zij onder meer middels het vorenstaande en de informatie bij het BKR te hebben voldaan, terwijl B als cliëntenremisier was vrijgesteld van enige vergunningsplicht in de zin van WTE).

15. Voor alles stelt Dexia dat X handelt in strijd met diens substantiëringsverplichting ex artikel 111 lid 3 Rv, aangezien hij heeft verzuimd alle bekende verweren in de dagvaarding op te nemen.

Voorts betwist Dexia het causaal verband van de gestelde schade c.q. de hoogte ervan, onder meer vanwege het feit dat aan X een bedrag van € 2.216,74 aan dividend is uitbetaald, verder sprake is van eigen schuld van X, wettelijke rente eerst verschuldigd kan zijn vanaf verzuim en voor zoveel nodig wel een beroep op verrekening wordt gedaan. Dexia concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de vorderingen van X.

Reconventie

16. Na de gedwongen beëindiging van de overeenkomsten per 20 september 2005 is X conform gespecificeerde eindafrekeningen (productie 10 dagvaarding en producties

10 t/m 12 CvA) aan Dexia een bedrag van € 14.719,09 verschuldigd te vermeerderen met de contractuele rente althans de wettelijke rente vanaf dag van verzuim tot aan betaling, die door Dexia in reconventie worden gevorderd.

De beoordeling

In conventie

17. De vier overeenkomsten Profit Effect’s Maandbetaling genummerd 56082210/1/12/13 d.d. 5 april 2000 staan tussen partijen vast evenals de totaal per overeenkomst overeengekomen leasesom van € 10.257,80, het feit dat X per overeenkomst € 2.744,55 aan lease(=rente)termijnen heeft voldaan en hem € 2.216,74 dividend is uitbetaald.

Voorts dat na tussentijdse beëindiging van de overeenkomsten per 20 september 2005 voor X restschulden (overweging 11) zijn gebleven.

18. Eveneens staan tussen partijen vast de overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar d.d.

18 oktober 2000 onder nummer 74880570 en de WinstVer10Dubbelaar d.d. 27 oktober 2000 onder nummer 76084989, de totale leasesommen van € 4.684,32 respectievelijk € 6.068,30, en met name de restschulden per 20 september 2005 van € 1.788,97 respectievelijk

€ 1.407,58 (overweging 11).

Beroep artikel 1:88 en 89 Burgerlijk Wetboek

19. De rechtbank blijft bij het eerder op 26 november 2003 (LJN: AN 9138) uitgesproken oordeel dat (aandelen)leaseovereenkomsten als de onderhavige niet onder huurkoop (als species van koop op afbetaling) vallen en zal dat beroep van Y daarom al niet honoreren en evenmin nader onderzoeken of Y van het sluiten van één of meer overeenkomsten al dan niet op de hoogte was c.q. toestemming heeft gegeven.

Wet op het Consumentenkrediet (WCK)

20. De rechtbank handhaaft haar in eerdere uitspraken ingenomen standpunt, dat de WCK op aandelenleaseovereenkomsten van toepassing is.

Voor de beoordeling van de toepasselijkheid in deze zaak neemt de rechtbank de vier overeenkomsten Profit Effect’s, wat betreft de overeengekomen leasesommen tezamen, waar die overeenkomsten identiek zijn, exact dezelfde bedragen kennen en tegelijkertijd op dezelfde datum gesloten.

Het totaal dezer leasesommen overtreft het op 5 april 2000 geldende plafondbedrag van de WCK ad € 22.652,--, zodat de WCK om die reden toepassing mist.

21. Zulks ligt anders voor de WinstVerDriedubbelaar en WinstVer10Dubbelaar, waarvan de leasesommen apart, maar ook tezamen genomen, voornoemd plafond niet overschrijden en daarop de WCK wel van toepassing is als na te melden.

21.1 In de Wet op het consumentenkrediet, die door de rechtbank ambtshalve is toe te passen, (hierna: WCK) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever één of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1 WCK).

21.2 Deze twee overeenkomst kenmerken zich onder meer hierdoor dat Dexia X een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover X periodiek rente diende te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

21.3 In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

21.4 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomsten niet voldoen aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers telkens geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van X, reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan X kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

21.5 De hiertegenover staande opvatting, die blijkt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrek-king aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

21.6 De rechtbank merkt hierbij nog het volgende op. Naar haar oordeel dwingt ook richtlijnconforme interpretatie van artikel 1 aanhef en sub a onder 1 WCK-oud tot toepasselijkheid van deze wet.

Blijkens de tiende overweging van de considerans en artikel 14 leden 1 en 2 van de richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (hierna: de richtlijn) dient het begrip “kredietovereenkomst”in artikel 1 van de richtlijn ruim te worden geïnterpreteerd en dienen de beschermende bepalingen van de richtlijn strikt te worden toegepast.

Het kan dan ook niet zo zijn dat de doelstelling van de richtlijn kan worden omzeild met een beroep op de rechtszekerheid, omdat Dexia met deze uitleg, gelet op doel en strekking en de bewoordingen van de richtlijn, rekening had moeten houden en ook de tekst van de WCK-oud de toepasselijkheid ervan op de onderhavige overeenkomst ook niet uitsluit. Zie Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 2007, C-429/05,

Celex 62005J0429.

21.7 Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-Cosar (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomsten niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte, edoch deze eerst per 12 april 2003 verkregen heeft.

21.8 Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat deze twee overeenkomst nietig zijn wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: “Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggensteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

21.9 Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

21.10 Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van deze twee overeen-komsten in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag steeds de desbetreffende aandelen zijn “geleased” (art. 3:41 BW).

21.11 De omstandigheid dat Dexia inmiddels per 1 januari 2006 een vergunning ex

artikel 10 Wfd heeft verkregen repareert, anders dan Dexia stelt, niet de bij het afsluiten van de onderhavige twee overeenkomsten ontbrekende vergunning ex artikel 9 WCK; de overgangsregeling van artikel 102 Wfd voorziet niet in de situatie dat die vergunning als zodanig ontbroken heeft.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/B

22. Ten aanzien van de overeenkomsten Profit Effect Maandbetaling is derhalve de gestelde onrechtmatige daad als grondslag voor de vordering van X te bezien:

a. B is een zogenaamde cliëntenremisier en is als zodanig weliswaar aan te merken als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 sub b Wte, maar is op grond van artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht. De belangrijkste van die voorwaarden is dat hij zijn activiteiten beperkt tot het aanbrengen van klanten bij de in dat artikel genoemde instellingen.

b. Dat Dexia een instelling als bedoeld in artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit is, staat niet ter discussie. Nagegaan moet derhalve slechts worden of B zich beperkt heeft tot het aanbrengen van X als klant bij Dexia of dat B verdere, voor een cliëntenremisier ontoelaatbare bemoeienis met de zaak gehad heeft. Daarvoor is het nodig om vast te stellen wat er onder aanbrengen wordt verstaan.

c. Een wettelijke definitie van het begrip aanbrengen in het kader van de Wte en de daarop gegronde regelgeving bestaat niet. Wel wordt er op haar website (www.afm.nl) een uiteenzetting van het begrip gegeven door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daar is, voor zover hier van belang, te lezen: Cliëntenremisiers mogen alleen cliënten aanbrengen bij effecteninstellingen die een vergunning hebben van de AFM. Cliëntenremisiers mogen bijvoorbeeld geen vermogensbeheer verrichten, orders van cliënten doorgeven of geld van cliënten onder zich houden. Daarnaast mogen zij geen cliënten aanbrengen bij andere cliëntenremisiers. Cliëntenremisiers mogen wel cliënten uitleggen wat een aandeel of een obligatie is. Echter zij mogen niet een specifiek aandeel, obligatie, effectenleaseproduct etc. beroeps- of bedrijfsmatig adviseren.

d. Uitgaande van deze uitleg -en de rechtbank gaat bij gebrek aan een andere gezaghebbende uitleg van deze uitleg, die zij ook onderschrijft, uit- was het aan B toegestaan om X te informeren mits die informatie beperkt was tot kenmerken van beleggingscategorieën en om haar door te verwijzen naar Dexia, maar niet om X te adviseren.

e. Een andere voorwaarde is dat de cliëntenremisier zich houdt aan enkele specifieke gedragsregels die voortvloeien uit het Bte en dan hoofdzakelijk uit artikel 24 daarvan en uit de NR, in dit geval de NR 99.[1] Dat zijn, voor zover in deze specifieke zaak van belang, dat hij handelt in het belang van de cliënt en de adequate functionering van de effectenmarkten, in het belang van de cliënt kennis neemt van diens financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstelling voor zover dat redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van zijn diensten, de cliënt de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de door hem aangeboden diensten en de effecten waarop die diensten betrekking hebben en een verbod op het zogenaamde “cold calling” i.e. een verbod om hen die nog geen cliënt zijn telefonisch of persoonlijk te benaderen anders dan in het geval de betrokkenen daar vooraf schriftelijk dan wel telefonisch mee heeft ingestemd dan wel in het contact slechts wordt aangeboden om schriftelijke of elektronische informatie te verschaffen.

f. Op grond van de door partijen ingenomen stellingen moet worden aangenomen dat

B het cold calling-verbod niet heeft overtreden, waar X zich zelf tot

B heeft gewend en hem vervolgens een constructie is gepresenteerd waarmede hij zijn bestaande IDM-lening, waarvan de renteaftrek, verviel, kon vervangen.

g. Met betrekking tot hetgeen door B verricht is om zich een beeld te vormen van de financiële positie en beleggingsdoelstellingen en ervaring van X, blijkt van eerdere contacten tussen X en P. B in het kader van door P. B verzorgde leningen, door P. B van X mondeling ingewonnen informatie, het verstrekken van de voor Profit Effect’s toepasselijke brochure als productinformatie en het verschaffen van schriftelijke toelichting, zulks naast de (concept)overeenkomsten, die ook de nodige informatie omtrent het product geven.

h. Op zich is daarmede door B het nodige verricht, zij het dat uit het persoonlijke statement van X, opgemaakt zes jaar na dato, dat zij zich thans weliswaar voornamelijk de positieve kanten van het advies van P. B herinnert, maar hem geen onvoorwaardelijk en gegarandeerd succes is voorgehouden en anderzijds het risico van een restschuld hem kennelijk niet duidelijk is geworden.

Waar X zelf enerzijds aangeeft de brochure, waaruit dat risico bleek, destijds kennelijk niet gelezen te hebben en anderzijds zich wel degelijk heeft gerealiseerd dat met geleend geld werd belegd c.q. de resultaten afhankelijk waren van (stijgende) beurskoersen, ziet de rechtbank aanleiding dat risico geheel voor zijn rekening te laten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met het voorgaande niet worden aangenomen dat

B zich niet gedragen heeft als een goed opdrachtnemer overeenkomstig de bepalingen van artikel 7:7 BW en niet gehandeld zou hebben als een redelijk bekwaam vakgenoot dient te handelen.

i. Daarnaast blijft te beoordelen in hoeverre B, handelend als cliëntenremisier, de voorschriften van de Vrijstellingsregeling heeft overtreden en daarmede in strijd heeft gehandeld met artikel 7 WTE.

Anders dan in door X aangehaalde jurisprudentie dezer rechtbank, ziet de rechtbank naar aanleiding van het door X gestelde in de wijze van totstandkoming van de overeenkomsten Profit Effect’s noch nadien enige vorm van beleggingsadviezen aan X, althans handelingen die in strijd zijn met die Vrijstellingsregeling, waarop X een vordering tegen Dexia zou kunnen doen steunen.

j. Het voorgaande leidt ertoe dat het optreden van B bij de totstandkoming van de Profit Effect’s niet zodanig is geweest dat Dexia in dat kader onrechtmatig handelen jegens X kan worden verweten.

Met name gezien het als hiervoor overwogen voor X beschikbaar geweest zijnde (informatie)materiaal, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin gezegd worden dat Dexia haar zorgplicht op dit punt geschonden heeft.

Ook het enkel op Profit Effect’s gerichte aanvraagformulier van X, dat Dexia via

B heeft bereikt, had Dexia niet om die reden tot andere gedachten moeten brengen.

Conclusies

23. Het door X gestelde ten aanzien van de vier Profit Effect’s kan de daarop gerichte vorderingen niet dragen en deze zullen worden afgewezen.

24. Gelet op de conclusie dat echter de overeenkomsten WinstVerDriedubbelaar en WinstVer10Dubbelaar wel nietig zijn, is het gevolg daarvan dat de rechtsgrond(en) die ten grondslag lag(en) aan de wederzijds verrichte prestaties met terugwerkende kracht daaraan is(zijn) ontvallen. Beide partijen dienen financieel hersteld te worden in de toestand waarin zij zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten bevonden. Dat betekent dat de aandelen voor rekening van Dexia blijven, Dexia in beginsel niets meer te vorderen had van X en hetgeen door X aan Dexia is betaald in beginsel als onverschuldigd betaald aan hem moet terugbetalen.

Het onderdeel II van de vordering van X is derhalve in principe toewijsbaar.

25. Met betrekking tot onderdeel III wordt daarbij overwogen dat het, zoals door X zelf al in de dagvaarding onder ogen gezien, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de overeenkomsten met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet worden gedaan, omdat aannemelijk is dat die nietigheid van de overeenkomsten door X niet zou zijn ingeroepen als de waarde van de aandelen en/of certificaten niet gestegen was.

De rechtbank vindt daarin aanleiding om op de voet van het bepaalde in artikel

6:278 lid 2 BW te bepalen dat het saldo van het door X op deze twee overeenkomsten aan Dexia betaalde minus de helft van de daarop gebleven restschulden door Dexia aan X worden terugbetaald.

Toegewezen wordt derhalve:

€ 2.397,20 (= € 1.179,88 + € 1.217,32) –(€ 3.196,55 (= € 1.788,97 + € 1.407,58) : 2) =

= € 798,92 met de wettelijke rente vanaf verzuimdatum 1 oktober 2005.

26. Door Dexia is nog een beroep op eigen schuld van X gedaan. De rechtbank onderschrijft de stelling van Dexia dat de schade mede aan X moet worden toegerekend, immers heeft hij zich zonder voldoende beleggingservaring en onderzoek naar het aangeboden product te hebben gedaan, in een voor hem kennelijk duister avontuur gestort.

Toch verbindt de rechtbank daar niet de door Dexia gewenste consequenties aan en ziet geen aanleiding om de schade met toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 eerste lid BW over partijen anders te veroordelen dan onder (25) hiervoor overwogen.

27. De overige vorderingen van X zullen worden afgewezen en de proceskosten zullen worden gecompenseerd.

In reconventie

28. Gezien het hiervoor in conventie overwogene is de vordering van Dexia betreffende de restschulden gebleven op de Profit Effect’s toewijsbaar, nu daartegen door X geen ander verweer is gevoerd dan dat die vordering zich zou op lossen in een toe te passen restitutieformule.

29. Het totaal dier restschulden bedraagt (overweging 11) € 11.522,54.

X is hierover wettelijke rente verschuldigd vanaf de verzuimdatum 2 oktober 2005.

De proceskosten zullen evenals in conventie worden gecompenseerd.

De beslissing

De rechtbank

In conventie:

I. Veroordeelt Dexia om aan X te voldoen een bedrag van € 798,92

(zevenhonderdachtennegentig EURO 92/100) vermeerderd met wettelijk rente vanaf

1 oktober 2005 tot aan de dag der voldoening.

II. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de hare draagt.

III. Verklaart onderdeel I van het dictum uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

V. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen een bedrag van € 11.522,54

(elfduizendvijfhonderdtweeentwintig EURO 54/100) met wettelijke rente vanaf

2 oktober 2005 tot aan de dag der voldoening.

VI. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de hare draagt.

VII. Verklaart onderdeel V. van dit dictum uitvoerbaar bij voorraad.

VIII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 26 maart 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.