Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BE9384

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
08/997001-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vangen van en handelen in beschermde in- en uitheemse vogels. Werkstraf van 200 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

"Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opsporen, vangen, bemachtigen, vervoeren en onder zich hebben van beschermde inheemse en/of beschermde uitheemse vogels. De illegaal gevangen vogels werden, voor zover mogelijk, voorzien van pootringen opdat deze konden dienen als handelswaar. Bekend is dat bij het aanbrengen van pootringen beschadigingen aan de vogels kunnen ontstaan. Ook de inzet van vangkooien, vangnetten en lijmstokken (vangmiddelen met een zogenoemde ‘non-selectieve’ methode, dat wil zeggen dat zowel algemene als zeldzame soorten vogels kunnen worden gevangen) getuigt niet van oog hebben voor dierenwelzijn. Verdachte heeft met zijn handelen aanzienlijke schade toegebracht aan de vogelstand. Dit alles staat in schril contrast met de (grote) vogelliefhebber die verdachte zegt te zijn. De rechtbank acht derhalve een forse werkstraf geïndiceerd. Gelet op de proceshouding van verdachte en de gepassioneerde wijze waarop verdachte zijn (vogel)hobby beoefent, acht de rechtbank een recidivekans aanwezig en acht zij derhalve mede een voorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/997001-07

STRAFVONNIS

Uitspraak: 26 augustus 2008

De rechtbank te Almelo, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [1962],

wonende te [woonplaats],

[adres],

terechtstaande terzake dat:

1.

verdachte op een of meer tijdstippen in het jaar 2006 in de gemeente(n) Hardenberg, Twenterand en/of Ommen, althans in Nederland al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer dieren, te weten een of meer goudvinken en/of een pestvogel en/of een of meer fazanten, (telkens) behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gevangen en/of bemachtigd en/of met het oog daarop heeft opgespoord;

2.

verdachte op of omstreeks 21 december 2006, althans in of omstreeks de maand december 2006, in de gemeente Arnhem,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer dieren, te weten een of meer putters, althans dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te vangen en/of te bemachtigen en/of met het oog daarop op te sporen,

in of nabij het natuurgebied "Meinerswijk" een voerplek heeft aangelegd en/of disteltakken heeft uitgelegd en/of zaad

heeft uitgestrooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 t/m 03 januari 2007, in de gemeente Twenterand en/of (elders) in Nederland, al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meer dieren (te weten een aantal goudvinken en/of putters en/of sijsjes en/of koolmezen en/of een kanarie en/of een pestvogel en/of een appelvink en/of een fazant) behorende tot een beschermde inheemse en/of beschermde

uitheemse diersoort, heeft vervoerd en/of onder zich heeft gehad;

4.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de maand december 2006 in de gemeente Twenterand, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen echte merken, te weten een of meer pootringen, heeft gebruikt voor goederen, te weten een of meer vogels (goudvinken/putter) waarvoor die merken niet bestemd waren, zulks (telkens) met het oogmerk om die goederen of dat goed te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken daarvoor bestemd waren;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de eventuele in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring. Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De raadsvrouw heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat, nu uit het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming blijkt dat er slechts sprake was van een machtiging tot binnentreding ter aanhouding, de huiszoeking is geschied in strijd met het bepaalde in artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering, zodat het bij die huiszoeking aangetroffen materiaal onrechtmatig is verkregen en niet tot het bewijs mag worden gebezigd.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 97 Wetboek van Strafvordering is een hulpofficier van justitie die daartoe door de rechter-commissaris is gemachtigd, op grond van art. 97 Sv bevoegd tot een doorzoeking van een woning zonder toestemming van de bewoner.

Het enkele feit dat er sprake is van een fout in de verslaglegging achteraf, nu daar ten onrechte artikel 55 Wetboek van Strafvordering is aangevinkt in plaats van artikel 97 Wetboek van Strafvordering, maakt niet dat een rechtmatige binnentreding alsnog onrechtmatig wordt nu uit het verslag immers heel duidelijk blijkt wat er heeft plaatsgevonden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat nu er bij het Openbaar Ministerie informatie was dat er bij verdachte in huis vuurwapens konden zijn die mogelijk gebruikt zouden kunnen worden, de inzet van een arrestatieteam (AT) niet buitenproportioneel is geweest.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen, welke in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in aan dit vonnis aan te hechten bijlage zullen worden opgenomen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

verdachte in het jaar 2006 in de gemeenten Hardenberg en Twenterand, opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, dieren, te weten goudvinken en een pestvogel en een fazant, telkens behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gevangen en/of bemachtigd.

2.

verdachte op 21 december 2006, in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en verdachtes mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk dieren, te weten putters, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te vangen en te bemachtigen en met het oog daarop op te sporen, in of nabij het natuurgebied "Meinerswijk" een voerplek heeft aangelegd en/of disteltakken heeft uitgelegd en/of zaad heeft uitgestrooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

verdachte in de periode van 1 oktober 2006 t/m 03 januari 2007, in de gemeente Twenterand en elders in Nederland, opzettelijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, dieren (te weten een aantal goudvinken en putters en sijsjes en een kanarie en een pestvogelen een fazant) behorende tot een beschermde inheemse en/of beschermde uitheemse diersoort, heeft vervoerd en onder zich heeft gehad ;

4.

verdachte in de maand december 2006 in de gemeente Twenterand, echte merken, te weten pootringen, heeft gebruikt voor goederen, te weten vogels (goudvinken/putter) waarvoor die merken niet bestemd waren, zulks met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken daarvoor bestemd waren;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1, het misdrijf:

“Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en Faunawet, opzettelijk begaan”, meermalen gepleegd, telkens strafbaar gesteld bij artikel 6, van de Wet op de economische delicten juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 2, het misdrijf:

“Medeplegen van poging tot overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan”, strafbaar gesteld bij artikel 6, van de Wet op de economische delicten, juncto de artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 3, het misdrijf:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid onder a, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan”, meermalen gepleegd, telkens strafbaar gesteld bij artikel 6, van de Wet op de economische delicten juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 4, het misdrijf:

“Andere dan de in de artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen moeten worden geplaatst, daarop valselijk plaatsen, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren”, meermalen gepleegd, telkens strafbaar gesteld bij artikel 219 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf, te weten de werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen, met aftrek van voorarrest en met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen vogels en een machtiging ingevolge artikel 117 Wetboek van Strafvordering teneinde de vrijlating van de vogels uit de schuur te realiseren.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straffen behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opsporen, vangen, bemachtigen, vervoeren en onder zich hebben van beschermde inheemse en/of beschermde uitheemse vogels. De illegaal gevangen vogels werden, voor zover mogelijk, voorzien van pootringen opdat deze konden dienen als handelswaar. Bekend is dat bij het aanbrengen van pootringen beschadigingen aan de vogels kunnen ontstaan. Ook de inzet van vangkooien, vangnetten en lijmstokken (vangmiddelen met een zogenoemde ‘non-selectieve’ methode, dat wil zeggen dat zowel algemene als zeldzame soorten vogels kunnen worden gevangen) getuigt niet van oog hebben voor dierenwelzijn. Verdachte heeft met zijn handelen aanzienlijke schade toegebracht aan de vogelstand. Dit alles staat in schril contrast met de (grote) vogelliefhebber die verdachte zegt te zijn. De rechtbank acht derhalve een forse werkstraf geïndiceerd. Gelet op de proceshouding van verdachte en de gepassioneerde wijze waarop verdachte zijn (vogel)hobby beoefent, acht de rechtbank een recidivekans aanwezig en acht zij derhalve mede een voorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd.

De rechtbank overweegt verder dat de onder verdachte inbeslaggenomen kooien en hengels (peurstokken), vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, aangezien deze voorwerpen – die de rechtbank als een gezamenlijkheid van voorwerpen opvat - aan verdachte toebehoren en met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan. Bij de verbeurdverklaring heeft de rechtbank op de voet van artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De na te melden straffen zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 9 en 13 van de Flora- en faunawet.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het als sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een taakstraf, te weten een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen.

Bepaalt, dat bij de uitvoering van de werkstraf, voor de tijd door veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht (te weten 16 dagen), 32 uren in mindering worden gebracht, zodat 168 uren resteren, subsidiair 84 dagen vervangende hechtenis.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen kooien en hengels (peurstokken).

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte als sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Wentink, voorzitter, mr. Geeve en mr. Taalman, rechters, in tegenwoordigheid van Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 augustus 2008.

De voorzitter is wegens uitstedigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.