Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BE8776

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
94903 KG ZA 2008-168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter acht de door gedaagde BV opgesomde gegronde redenen van voldoende gewicht om de met eiseres BV/eiser gesloten management-overeenkomst eenzijdig en met onmiddellijke ingang te beëindigen. Overigens wordt door eiseres BV/eiser in zijn stellingname miskend dat hier niet sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar “slechts” van een management-overeenkomst, waaraan nu eenmaal (veel) minder bescherming kan worden ontleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-6529
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 94903 KG ZA 2008-168

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2008

in de zaak van

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

procureur: mr. A.C. Blankestijn,

tegen

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Tubbergen,

gedaagde,

procureur: mr. E.P. Cornel.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde BV] genoemd.

De weergave van het procesverloop

1. [Eiseres BV] heeft gesteld en gevorderd conform de inhoud van de inleidende dagvaarding. De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Bij die gelegenheid zijn verschenen: de heer [eiser], bestuurder van [eiseres BV], bijgestaan door mr. Blankestijn, en namens [gedaagde BV]: de heren [naam], bijgestaan door mr. Cornel. [Gedaagde BV] heeft bij die gelegenheid een (eerder aan de wederpartij toegezonden) conclusie van antwoord in het geding gebracht. Na verder debat –waarbij het treffen van een vergelijk niet tot de mogelijkheden bleek te behoren– is in deze voorlopige voorziening vonnis gevraagd. De uitspraak is bepaald op heden.

Waarvan kan worden uitgegaan

2. Het volgende is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk geworden.

3. Partijen hebben de management-overeenkomst met elkaar gesloten die als bijlage 1. bij de dagvaarding is gevoegd. Daarbij is afgesproken dat de heer [eiser] voor de duur van 1 jaar – te weten van 10 oktober 2007 tot 10 oktober 2008 - als interim-manager bij [gedaagde BV] werkzaamheden verricht.

4. Artikel 3.2. van die overeenkomst luidt als volgt:

“Op gegronde redenen kan deze overeenkomst door de Vennootschap met onmiddellijke ingang

worden beëindigd. Een voortijdige beëindiging, als waarvan in dit lid sprake is, kan jegens

de interim-manager nimmer leiden tot enige schadevergoeding door de Vennootschap.”

5. Op 29 mei 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [eiser] en de nieuwe medewerkster (uitzendkracht van Randstad), genaamd [naam]. In dat gesprek is door [eiser] onder meer aan de orde gesteld dat hij, [eiser], als tussenpersoon in China betrokken is bij een project betreffende een “gel-condoom” en een soort bottenlijm, en dat [gedaagde BV] daarvan op de hoogte is. [eiser] heeft van dat gesprek nadien desgevraagd een verslag gemaakt en aan de heer [naam bestuurder], statutair bestuurder van [gedaagde BV], gezonden.

6. Naar aanleiding van dit gesprek is de heer [eiser] verzocht op 2 juni 2008 te verschijnen op het hoofdkantoor van de Holding van [gedaagde BV] te [plaatsnaam]. Daar heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij ook aanwezig waren de heren [naam], [naam] en [naam] (voorzitter OR). Onderwerp van gesprek was de inhoud van het gesprek op 29 mei 2008 en de consequenties daarvan. Daarna heeft de heer [eiser] ook nog kort onder vier ogen met de heer [naam bestuurder] gesproken.

7. Bij brief van 2 juni 2008 heeft [gedaagde BV] in de persoon van de heer [naam bestuurder] de heer [eiser] het volgende bericht:

“Betreft: Verbreking Interim Management Overeenkomst

Geachte heer [eiser],

Volgend op ons gesprek van heden morgen , 02.06.2008, bevestig ik hierbij dat in onderling overleg besloten werd, de Interim management overeenkomst d.d. 10 oktober 2007 tussen [gedaagde BV] vertegenwoordigd door de heer [naam bestuurder] en [eiseres BV]. vertegenwoordigd door de heer [eiser], met onmiddellijke ingang te beëindigen

(“…..”)

Hoogachtend, [naam bestuurder]”

8. Bij brief en E-mail van gelijke datum schrijft [eiser] aan [gedaagde BV]/de heer [naam bestuurder], het volgende:

“Betreft: Factuur [nummer]

(“….”)

[naam],

Hierbij de laatste factuur.

Heb de laptop en de mobiele telefoon bij de receptie in [plaatsnaam] afgegeven.

Hierbij ontvang je nog de druppel en een sleutel van mijn kantoor.

Met vriendelijke groet,

[naam]”

De standpunten van partijen

9. Door [eiser] is aangevoerd dat de management-overeenkomst niet met wederzijds goedvinden is geëindigd en er evenmin sprake is geweest van een voldoende zwaarwichtige toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [eiser], die beëindiging van die overeenkomst rechtvaardigt. De eenzijdige beëindiging van die overeenkomst op 2 juni 2008 door [gedaagde BV] kan in rechte dan ook geen stand houden en het moet er daarom voor worden gehouden dat de overeenkomst nog bestaat. [eiser] vordert in dit kort geding primair voorzieningen te treffen die nakoming van die overeenkomst inhouden, en subsidiair een voorschot op (vervangende) schadevergoeding.

10. [gedaagde BV] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door [eiser] gevorderde. Met recht en reden is de management-overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd op

2 juni 2008. Partijen hebben daartoe met wederzijds goedvinden besloten en dat is door [gedaagde BV] meteen aan [eiser] schriftelijk bevestigd. De afrekening van [eiser] van gelijke datum strookt ook met die afspraak.

11. Reden van deze beëindiging is het gesprek dat de heer [eiser] op 29 mei 2008 heeft gehouden met de nieuwe uitzendkracht van Randstad, genaamd [naam]. Dat gesprek onder vier ogen heeft 60/70 minuten geduurd en deze uitzendkracht kwam naar aanleiding daarvan geheel ontdaan naar buiten, wat vier/vijf personen toen meteen is opgevallen. Deze uitzendkracht bleek met name ontdaan te zijn door de onderwerpen van het gesprek, waaronder het gel-condoom en de spermadodende werking daarvan, en de omstandigheid dat de heer [eiser] haar een baan bij [gedaagde BV] aanbood (interne verkoop met als vereisten een goede kennis in woord en geschrift van de Duitse en Engelse taal) waarvoor zij duidelijk niet gekwalificeerd was omdat zij beide talen niet beheerste. Verder had deze uitzendkracht sterk de indruk dat de heer [eiser] “meer” van haar wilde. Het was haar niet gelukt het gesprek een andere wending te geven en zij heeft het gesprek ook als tendentieus en bedreigend ervaren. De betrokken uitzendkracht heeft volgens [gedaagde BV] een Aziatische/Indonesische achtergrond en van de heer [eiser] is op basis van zijn eigen uitlatingen bekend dat hij acht jaren in Azië had verbleven en dat hij “valt” op Aziatische vrouwen. Aldus is sprake geweest van een ontoelaatbaar voorval. De betrokken uitzendkracht heeft zich nadien ziek gemeld en wilde niet meer bij [gedaagde BV] werken.

12. Verder is een deel van het primair gevorderde in de verzochte vorm niet toewijsbaar omdat het de perken van een voorlopige voorziening te buiten gaat.

De beoordeling van het geschil

13. De overeenkomst van partijen laat in artikel 3.2. toe dat deze tussentijds eenzijdig en met onmiddellijke ingang door [gedaagde BV] kan worden beëindigd, mits sprake is van “gegronde redenen”.

14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is genoegzaam komen vast te staan dat aan die laatstgenoemde voorwaarde is voldaan.

15. De “impact” van het door de heer [eiser] met de uitzendkracht gehouden gesprek heeft in zijn directe werkomgeving er toe geleid dat er gerede twijfel is gerezen over zijn kundigheid en gezag als interim-manager. Velen hebben immers direct na dat gesprek ervaren dat er iets is voorgevallen dat mogelijk niet door de beugel kan. Om die reden is ook meteen (een lid van) de Ondernemingsraad ingeschakeld en deze heeft aanstonds de bedrijfsleiding bij [gedaagde BV] ingeschakeld voor het doen van onderzoek en voor het eventueel nemen van maatregelen.

16. Daarbij komt dat over de inhoud van het gesprek in elk geval is komen vast te staan dat het (zeer) onverstandig is geweest van [eiser] dat hij dat in deze langdurige vorm onder vier ogen heeft gedaan, dat daarbij onvoorbereid en zonder enig nut voor [gedaagde BV] onderwerpen zijn aangeroerd met bovendien een seksueel getinte lading, en waarbij dan ook nog eens - in strijd met de belangen van [gedaagde BV] - deze uitzendkracht bij [gedaagde BV] een (tijdelijke) baan is aangeboden waarvoor de geschiktheid ontbrak. Door de heer [eiser] is naast de nodige tegenspraak, erkend dat dit gesprek in elk geval deze inhoud heeft gehad.

17. De optelsom hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van voldoende gewicht om voormelde “gegronde redenen” aan te nemen. [gedaagde BV] was op basis daarvan in staat deze overeenkomst eenzijdig en met onmiddellijke ingang te beëindigen, en het heeft er alle schijn van dat dit ook daadwerkelijk zo is gebeurd. Immers “in onderling overleg” (zie tekst van de brief van [gedaagde BV] aan [eiser] van 2 juni 2008) besluiten is nog altijd wat anders dan met wederzijds goedvinden besluiten.

18. Door [eiser] wordt in zijn stellingname miskend dat hier niet sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar “slechts” van een management-overeenkomst, waaraan nu eenmaal (veel) minder bescherming kan worden ontleend.

19. Aldus beschouwd heeft [eiser] geen c.q. onvoldoende belang meer bij een beoordeling of partijen nu wel of niet deze overeenkomst met wederzijds goedvinden hebben beëindigd. Het gevorderde moet worden afgewezen en [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de gedingkosten die aan de zijde van [gedaagde BV] zijn gevallen.

20. De overige geschilpunten kunnen dus onbesproken worden gelaten.

De beslissing

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding,

1. wijst de vordering af;

2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde BV] tot op heden begroot op € 954,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Koopmans en in het openbaar in tegenwoordigheid

van de griffier, uitgesproken op 13 augustus 2008.?