Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BE8679

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-08-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
07/1349 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WMO, hulp in het huishouden, Protocol Huishoudelijke verzorging, onzorgvuldig onderzoek, enkel telefonisch onderhoud, motiveringsgebrek

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat verweerder bij de bepaling van de omvang van het aantal uren huishoudelijke verzorging in beginsel gebruik heeft mogen maken van het Protocol. De rechtbank baseert zich hierbij op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 december 2007, LJN: BC1097, waarin de CRvB heeft geoordeeld dat het Protocol berust op een deskundige analyse van de zorgbehoefte van leefeenheden.

Bovendien is, zoals in het protocol is vermeld, de tijdnormering van het Protocol indicatief, zodat verweerder op deze wijze de omstandigheden van het individuele geval kan meewegen om tot een hogere indicatie te komen. Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder op deze wijze in staat worden geacht te voldoen aan de voor hem in de artikelen 4 en 26 Wmo neergelegde compensatieverplichting.

Om evenwel de omstandigheden van het individuele geval mee te kunnen wegen zoals het Protocol voorschrijft en ook in artikel 4, tweede lid, van de Wmo besloten ligt, dient verweerder een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar de zorgbehoefte van de aanvrager. In dit geval heeft verweerder volstaan met een telefonisch onderhoud door zijn WMO-consulente met eiseres waarvan de resultaten zijn neergelegd in een advies, gedateerd 5 juni 2007.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op deze wijze geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de behoefte van eiseres om in aanmerking te worden gebracht voor huishoudelijke verzorging. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet de beschikking heeft gehad over recente medische gegevens, en de vorige indicatie na een keuring van de zijde van het CIZ in 2004 is afgegeven voor 6,9 uur per week. Verweerder heeft weliswaar betoogd dat de vorige indicatie te ruim was omdat meestal gebruik werd gemaakt van het maximale aantal uren van de geïndiceerde klasse terwijl dit feitelijk vaak niet nodig was, doch verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of zulks ook in de situatie van eiseres het geval is geweest. Ook heeft verweerder nagelaten om de gehele problematiek die eiseres ondervindt bij het voeren van een huishouding in kaart te brengen.

De door verweerder gegeven motivering voor het achterwege kunnen blijven van een huisbezoek volgt de rechtbank niet, reeds omdat de in het Protocol vermelde normtijden indicatief zijn en derhalve niet zijn aan te merken als het maximaal aantal toe te kennen uren voor huishoudelijke verzorging, zoals uit de door verweerder gegeven motivering voortvloeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 07 / 1349 WMO

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

***,

wonende te Hengelo, eiseres,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 18 september 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2007 heeft verweerder eiseres met ingang van 28 augustus 2007 in aanmerking gebracht voor een voorziening ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), bestaande uit hulp bij het huishouden gedurende maximaal 4 uur per week.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 juni 2007 een bezwaarschrift ingediend. Eiseres is op 4 september 2007 gehoord.

Conform het op 4 september 2007 uitgebrachte advies van de hoorcommissie WMO, heeft verweerder bij besluit van 18 september 2007, dat de volgende dag is verzonden, het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en 5 uur huishoudelijke hulp per week geïndiceerd geacht.

Eiseres kan zich blijkens het op 29 oktober 2007 door verweerder ontvangen beroepschrift, dat als zodanig door verweerder aan de rechtbank is toegezonden en daar op 19 november 2007 is ontvangen, niet met dit besluit verenigen.

Op 21 december 2007 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 6 juni 2008, waar eiseres is verschenen, vergezeld van haar huishoudelijke hulp ***, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door ***.

3. Overwegingen

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres, bekend met een orthopedische en neurologische aandoening, is een alleenstaande, woonachtig in een gelijkvloerse seniorenwoning. Tot 28 augustus 2007 ontving eiseres in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) huishoudelijke hulp op basis van een persoongebonden budget ter hoogte van 6,9 uur per week. Hiertoe was in 2004 een indicatie afgegeven door het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ), klasse 3 (bandbreedte 4 – 6,9 uur per week).

Op 13 mei 2007 heeft eiseres een aanvraag ingediend op grond van de Wmo om in aanmerking te komen voor meer uren hulp bij het huishouden. Op 5 juni 2007 heeft de WMO-consulente naar aanleiding van deze aanvraag telefonisch contact met eiseres opgenomen. Op grond daarvan heeft zij aan verweerder het advies wordt uitgebracht 4 uren huishoudelijke hulp per week toe te kennen ingaande 28 augustus 2007 tot en met 27 augustus 2012. Dit advies is door verweerder bij het primaire besluit overgenomen. Naar aanleiding van de door eiseres tijdens de hoorzitting gegeven toelichting, heeft verweerder bij het bestreden besluit het aantal uren huishoudelijke hulp vastgesteld op 5 uren per week.

De indicatie voor persoonlijke verzorging is verhoogd naar 3,9 uur per week. Deze indicatie staat niet ter discussie.

Eiseres heeft in haar beroepschrift -kort samengevat- aangevoerd dat 5 uren huishoudelijke hulp per week, gelet op haar medische situatie, onvoldoende is, temeer daar haar lichamelijke klachten sinds 2004, toen er 6,9 uur werd geïndiceerd, alleen maar zijn verergerd. Zij geeft aan dat zij anders dan gebruikelijk is, geen (her)keuring heeft ondergaan en dat er evenmin medische gegevens zijn opgevraagd bij haar huisarts, voordat de nieuwe indicatie is afgegeven.

Verweerder is van mening dat er geen noodzaak was voor het afleggen van een huisbezoek. Verweerder hanteert de landelijke normen uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), volgens welke het mogelijk is om binnen de genoemde tijd de huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren. Omdat de maximale tijden zijn toegekend, hoefde geen huisbezoek afgelegd te worden. Vanwege de grote teruggang in het aantal toegekende uren heeft verweerder 0,5 uur extra toegekend en wegens de in bezwaar gebleken incontinentieklachten en de luchtwegenproblematiek, heeft verweerder een extra uur toegekend, waarmee het in het bestreden besluit toegekende aantal uren huishoudelijke hulp uitkomt op 5 uren per week.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke ondersteuning: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder h, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder huishoudelijke verzorging: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort.

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo bepaalt -voor zover van belang- dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning treft die hem in staat stellen een huishouden te voeren.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wmo vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronische psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

Artikel 3.1 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hengelo 2007 (de Verordening) luidt als volgt:

De door burgemeester en wethouders ter compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden te verstrekken voorziening kan bestaan uit:

a. een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden;

b. hulp bij het huishouden in natura;

c. een persoongebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden.

Ingevolge artikel 3.4 van de Verordening wordt de omvang van hulp bij het huishouden uitgedrukt in uren, afgerond naar decimalen, per week.

Artikel 8.1, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende of de woningeigenaar kunnen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Ingevolge artikel 8.3 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders nadere regels stellen over het beleid ten aanzien van de voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. Verweerder is hiertoe overgegaan in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hengelo 2007 (het Besluit).

Voorts heeft verweerder aansluiting gezocht bij het Protocol Huishoudelijke verzorging april 2005 (hierna: het Protocol), een protocol dat voor invoering van de Wmo in 2007, ook gebruikt werd door het CIZ bij het afgeven van een indicatie voor huishoudelijke verzorging en dat ook door verweerder gevolgd wordt bij het beoordelen van aanvragen huishoudelijke verzorging in het kader van de Wmo. Bovenaan het Protocol staat het volgende vermeld: “tijdnormering is indicatief. Altijd individuele afweging maken. Als er reden is om af te wijken van deze normeringen, kan dat, mits onderbouwd, altijd.”

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat verweerder bij de bepaling van de omvang van het aantal uren huishoudelijke verzorging in beginsel gebruik heeft mogen maken van het Protocol. De rechtbank baseert zich hierbij op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 december 2007, LJN: BC1097, waarin de CRvB heeft geoordeeld dat het Protocol berust op een deskundige analyse van de zorgbehoefte van leefeenheden.

Bovendien is, zoals in het protocol is vermeld, de tijdnormering van het Protocol indicatief, zodat verweerder op deze wijze de omstandigheden van het individuele geval kan meewegen om tot een hogere indicatie te komen. Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder op deze wijze in staat worden geacht te voldoen aan de voor hem in de artikelen 4 en 26 Wmo neergelegde compensatieverplichting.

Om evenwel de omstandigheden van het individuele geval mee te kunnen wegen zoals het Protocol voorschrijft en ook in artikel 4, tweede lid, van de Wmo besloten ligt, dient verweerder een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar de zorgbehoefte van de aanvrager. In dit geval heeft verweerder volstaan met een telefonisch onderhoud door zijn WMO-consulente met eiseres waarvan de resultaten zijn neergelegd in een advies, gedateerd 5 juni 2007.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op deze wijze geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de behoefte van eiseres om in aanmerking te worden gebracht voor huishoudelijke verzorging. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet de beschikking heeft gehad over recente medische gegevens, en de vorige indicatie na een keuring van de zijde van het CIZ in 2004 is afgegeven voor 6,9 uur per week. Verweerder heeft weliswaar betoogd dat de vorige indicatie te ruim was omdat meestal gebruik werd gemaakt van het maximale aantal uren van de geïndiceerde klasse terwijl dit feitelijk vaak niet nodig was, doch verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of zulks ook in de situatie van eiseres het geval is geweest. Ook heeft verweerder nagelaten om de gehele problematiek die eiseres ondervindt bij het voeren van een huishouding in kaart te brengen.

De door verweerder gegeven motivering voor het achterwege kunnen blijven van een huisbezoek volgt de rechtbank niet, reeds omdat de in het Protocol vermelde normtijden indicatief zijn en derhalve niet zijn aan te merken als het maximaal aantal toe te kennen uren voor huishoudelijke verzorging, zoals uit de door verweerder gegeven motivering voortvloeit. Weliswaar heeft verweerder naar aanleiding van het verhandelde tijdens de hoorzitting besloten één uur extra toe te kennen voor huishoudelijke verzorging, doch de rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldigheidsgebrek dat aan het primaire besluit kleeft, hiermee niet is geheeld, reeds omdat medische gegevens over de ernst van de luchtwegenproblematiek en de incontinentieklachten en daarmee de omvang van de noodzakelijke huishoudelijke verzorging, ontbreken. Bovendien heeft verweerder op geen enkele wijze gemotiveerd hoe hij tot zijn besluit is gekomen om in bezwaar de omvang van de huishoudelijke verzorging uit te breiden met één uur en niet met bijvoorbeeld twee uren.

Voorts stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit een motivering zoals deze op grond van artikel 26 Wmo is vereist, ontbreekt.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en niet berust op een deugdelijke motivering en derhalve wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. Verweerder zal derhalve met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar van eiseres dienen te beslissen.

Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de reiskosten van

eiseres en mevrouw *** ( 2 x Hengelo-Almelo v.v.)

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € *,-- door verweerders rechtpersoon te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerders rechtspersoon aan eiseres het griffierecht ad € 39,- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. A.M.S. Kuipers, als voorzitter en mr. C. Verdoold en mr. E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A.M. Booijink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 07-08-2008

Afschrift verzonden op 07-08-2008