Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD9302

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-07-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
95150 / KG ZA 08-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert onmiddellijke opheffing van een toegangsverbod voor het stadhuis en stadskantoor, hoewel verbod reeds half jaar eerder is opgelegd. Eiser is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 95150 / KG ZA 08-177

datum vonnis: 29-7-2008 (z)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

X,

wonende te X,

eiser,

procureur mr. X,

tegen

Y,

gevestigd te Y,

gedaagde,

procureur: mr. Y.

Het procesverloop

Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 22 juli 2008. Ter zitting zijn verschenen: eiser vergezeld door mr. X en de heer Y namens gedaagde, vergezeld door mr. Y. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

Bij beslissing van gedaagde d.d. 18 februari 2008 is aan eiser voor de duur van één jaar de toegang ontzegd tot het stadhuis en het stadskantoor te Hengelo, zulks ten tweeden male, nu de gedragingen van eiser (bedreigingen) daartoe aanleiding zouden geven.

Eiser is het daarmee niet eens en vordert in kort geding onmiddellijke opheffing van dat toegangsverbod, op verbeurte van een dwangsom van € 500,= per keer, althans een zodanig in goede justitie te bepalen bedrag per keer, voor iedere keer dat gedaagde na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijft met de nakoming/uitvoering er van, met veroordeling van gedaagde in de kosten van de onderhavige procedure. Tevens verzoekt eiser het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2. Het standpunt van eiser:

Eiser is met name van mening dat de nadelige gevolgen van het gewraakte toegangsverbod onevenredig zijn in verhouding tot het doel van het opgelegde toegangsverbod, hetgeen in de ogen van eiser strijdt oplevert met lid 2 van artikel 3:4 Awb.

Gedaagde heeft de belangen van eiser onvoldoende gewogen.

Gedaagde is ten onrechte van mening dat een telefoongesprek met een ambtenaar op diens werkplek en een gesprek met een andere ambtenaar in de nabijheid van een school voldoende argumenten biedt om een toegangsverbod tot het stadhuis en het stadskantoor op te leggen. Daarbij ontbreekt volgens eiser elk logisch verband.

Bij brief van 20 juli 2006 is door gedaagde aan eiser ook al de toegang tot het stadhuis en het stadskantoor voor de duur van één jaar ontzegd. Eiser is vervolgens een klachtenprocedure begonnen, die naar de mening van eiser traag en in onvoldoende mate is afgehandeld, reden voor hem om een externe klachtenprocedure bij de Overijsselse Ombudsman te beginnen. De Overijsselse Ombudsman gaf bij oordeel van 6 september 2007 eiser op alle punten gelijk.

Daaruit blijkt al voldoende hoe onzorgvuldig gedaagde met de belangen van eiser is omgegaan.

Eiser stelt dat er sprake is van spoedeisend belang. Hij moet aan allerlei verplichtingen voldoen, maar dat wordt hem onmogelijk dan wel zeer moeilijk gemaakt, niet alleen met betrekking tot zaken die hem persoonlijk betreffen, zoals erkenning van het kind van zijn partner, maar ook zaken die in verhouding tussen hem en gedaagde liggen. Nu er een toegangsverbod is opgelegd, duurt het maanden voordat er iets wordt geregeld, als eiser iets wil of moet. Zo heeft er al eens een hoorzitting op het politiebureau plaatsgevonden.

Een ambtenaar heeft aangifte van een bedreiging door eiser gedaan. De behandeling van de strafzaak heeft al plaatsgevonden. De strafrechter wilde nog geen oordeel geven en heeft zijn beslissing tot medio september 2008 aangehouden in afwachting van het resultaat van een eventueel mediation-traject.

3. Het oordeel van gedaagde:

Gedaagde stelt primair dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Het toegangsverbod is op 18 februari 2008 opgelegd en pas nu, na een half jaar, vordert eiser in kort geding onmiddellijke opheffing van het opgelegde toegangsverbod. Gedaagde verzoekt de voorzieningenrechter dan ook eiser niet-ontvankelijk te verklaren.

Subsidiair verzoekt gedaagde de vordering van eiser af te wijzen. Het toegangsverbod is door gedaagde terecht opgelegd. Eiser heeft eerst telefonisch en later op het schoolplein een medewerkster van gedaagde op bedreigende wijze bejegend. Van deze bedreiging is geen aangifte gedaan. Ook is een andere medewerker telefonisch bedreigd. Daar zijn getuigen van. Van die (ernstige) bedreiging is wel aangifte gedaan, met een strafzaak tot gevolg. Deze bedreigingen zijn door eiser geuit na het oordeel van de Overijsselse Ombudsman

d.d. 6 september 2007. Gedaagde is van mening dat het toegangsverbod terecht door haar is opgelegd. De doorslag moet in deze slaan richting bescherming van de medewerkers van gedaagde en niet in die van de belangen van eiser. De belangen van eiser blijven overigens gewaarborgd nu hij binnen het gemeentehuis een paar aanspreekpunten heeft, met wie hij iets kan regelen, namelijk de heer xxxx over huishoudelijke zaken en mevrouw xxxx over zijn dossier.

Gedaagde wil nadenken over een mediation-traject. De overtuiging dat eiser zijn gedrag zal aanpassen ontbreekt vooralsnog.

4. De voorzieningenrechter zal eiser niet-ontvankelijk verklaren. Hij is met gedaagde van oordeel dat, nu eiser na circa een half jaar na het door gedaagde opgelegde toegangsverbod onmiddellijke opheffing ervan vordert, eiser niet meer kan stellen dat hij spoedeisend belang heeft bij de vordering.

De voorzieningenrechter oordeelt ten overvloede dat het verzochte zou zijn afgewezen, als er naar zijn oordeel wel sprake van een spoedeisend belang zou zijn geweest.

Gedaagde heeft niet onrechtmatig of onzorgvuldig gehandeld door op 18 februari 2008 (ten tweeden male) aan eiser de toegang tot het stadhuis en het standskantoor (voor de duur van één jaar) te ontzeggen.

De door gedaagde gestelde bedreigingen dateren van na het oordeel van de Overijsselse Ombudsman van 7 september 2007 en die bedreigingen zijn naar oordeel van de voorzieningenrechter bovendien door eiser onvoldoende weersproken. De bedreigingen zijn tevens van dien aard dat gedaagde terecht van mening is dat haar personeel zoveel mogelijk tegen (bedreigingen van) eiser dient te worden beschermd.

Dat betekent niet dat eiser niets meer met gedaagde kan regelen. Hij kan daartoe een tweetal medewerkers van gedaagde bellen, waarna er iets geregeld wordt.

De voorzieningenrechter hoopt dat beide partijen het mediation-traject in willen en dat dit dan tot een positief resultaat leidt.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal eiser in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Verklaart eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk.

II. Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op € 254,= aan verschotten en € 527,= aan salaris van de procureur.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Inden, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2008, in tegenwoordigheid van Zomer, griffier.