Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD6632

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
94858 / KG ZA 08-165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil in kort geding. Geen sprake van feitelijke of juridische misslag in uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis of noodtoestand bij geëxecuteerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 94858 / KG ZA 08-165

datum vonnis: 7 juli 2008 (af)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Naam],

wonende te Enschede,

eiser,

verder te noemen eiser,

procureur: mr. M.D. Ubbink,

tegen

[Naam],

wonende te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen gedaagde,

procureur: mr. R. Smink.

Het procesverloop

Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 30 juni 2008. Ter zitting zijn verschenen: Eiser vergezeld door mr. Ubbink en gedaagde vergezeld door mr. Smink. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

Vaststaande feiten

1. In deze zaak kan van het navolgende worden uitgegaan:

a. Bij vonnis van deze rechtbank, sector Kanton, van 19 februari 2008 is de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het pand Tubantiasingel 7-9 te Enschede ontbonden. Om die reden is – voor zover thans relevant – eiser in dat vonnis tevens veroordeeld het gehuurde te ontruimen en ontruimd te houden. Bij hetzelfde vonnis is eiser veroordeeld om aan gedaagde te betalen uit hoofde van achterstallige huursommen een bedrag van € 10.249,93. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eiser heeft hoger beroep aangetekend van dit vonnis. Dit hoger beroep dient nog steeds;

b. Gedaagde heeft executoriaal beslag gelegd op zich in de gehuurde bedrijfsruimte bevindende roerende zaken. De executoriale verkoop van de beslagen zaken en de ontruiming zijn thans bepaald op 31 juli 2008;

c. Bij brief van 23 april 2008 heeft eiser, zoals hij zelf in de dagvaarding stelt, aangekondigd vrijwillig tot ontruiming over te zullen gaan.

Standpunt van partijen

2. Standpunt eiser

Eiser verzoekt de voorzieningenrechter gedaagde te veroordelen tot het opheffen van het gelegde beslag op de roerende zaken binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, het afzien van het leggen van nieuwe beslagen, alsmede tot het opschorten van de ontruiming van het pand tot één week na ontvangst van de uitspraak in het aanhangige hoger beroep, althans tot 1 september 2008, althans tot een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum, alsmede tot vergoeding van de proceskosten. Subsidiair verzoekt eiser de voorzieningenrechter te oordelen dat gedaagde verdere executiemaatregelen achterwege laat, althans opschort tot één week na ontvangst van de uitspraak in het aanhangige hoger beroep.

Eiser stelt aan te kunnen tonen dat de vorderingen van gedaagde ten onrechte door de kantonrechter zijn toegewezen, nu er geen sprake is van huurachterstanden. Eiser stelt aan al zijn betalingsverplichtingen te hebben voldaan en meent dat gedaagde niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast terzake de stand van de betalingen. Door de executoriale verkoop maakt gedaagde de bedrijfsvoering van eiser in feite onmogelijk. De waarde van de beslagen roerende zaken overstijgt de door eiser aan gedaagde daadwerkelijk verschuldigde bedragen, zo daarvan al sprake zou zijn, buitenproportioneel. Daarnaast stelt eiser een overwegend belang bij opschorting van de onvrijwillige ontruiming totdat hij zelf in alternatieve bedrijfsruimte of een andere oplossing heeft voorzien.

3. Standpunt Gedaagde

De thans door eiser opgegeven betalingen worden (deels) door gedaagde betwist. Eiser heeft zijn laatste betaling verricht in april 2008, hetgeen in strijd is met het vonnis van de kantonrechter, waarin is bepaald dat de schadevergoeding voor voortgezet gebruik betaald moet blijven worden tot vertrek uit het pand. Het verbieden of opschorten van de executie van een vonnis middels een kort gedingprocedure kan blijkens vast jurisprudentie alleen indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische en/of feitelijke misslag berust of indien blijkt van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die aan de kant van de geëxecuteerde een noodtoestand zullen doen ontstaan. Eiser heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat daar thans sprake van is.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

4. Bij de beoordeling van en executiegeschil als het onderhavige is het uitgangspunt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis slechts plaats is, indien de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn, indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien na het wijzen van het vonnis feiten zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen, die klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand doen ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

5. Eiser heeft niet gesteld dat het vonnis van de kantonrechter berust op een juridische misslag. De voorzieningenrechter ziet geen reden tot een ander oordeel te komen.

6. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van eiser aldus dat de kantonrechter ten onrechte is uitgegaan van het bestaan van een betalingsachterstand, zodat het vonnis in zoverre op een feitelijke misslag berust. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan echter binnen de beperkte toetsingsgrenzen van dit kort geding onvoldoende is gebleken.

Hiertoe acht de voorzieningenrechter het volgende van belang.

In het vonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat eiser heeft erkend dat hij een huurachterstand heeft, welke in juni 2007 € 2.990,90 bedroeg. Voor afbetaling hiervan is door eiser en gedaagde een betalingsregeling getroffen.

Eiser heeft thans ter onderbouwing van zijn stelling dat er geen sprake is van huurachterstand een overzicht overgelegd met de door hem veronderstelde betalingsverplichtingen sinds maart 2007 en betalingen, uit welk overzicht zou moeten blijken dat de achterstand in februari 2008 €17,= bedroeg. Hierbij heeft eiser bankafschriften met overgeschreven betalingen en kwitanties van betalingen overgelegd. Ter zitting in dit kort geding d.d. 30 juni 2008 heeft eiser voorts bevestigd zijn huur voor de woonruimte sinds juni 2007 niet te betalen en sinds vier maanden (de maanden april, mei, juni en juli 2008) helemaal niets meer te betalen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser hiermee tenminste niet heeft gesteld of onderbouwd wat er met de eerder erkende betalingsachterstand van € 2.990,90 is gedaan. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat de overgelegde bankafschriften en kwitanties geen onderbouwing geven van beweerdelijke betalingen verricht in juni en juli 2007. Eiser heeft derhalve zijn stelling dat er geen betalingachterstand is onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter overweegt dat eiser mitsdien onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat de kantonrechter uit is gegaan van een onjuiste voorstelling van zaken en het vonnis derhalve op een feitelijke misslag zou berusten. Bovendien kan niet anders dan worden geconcludeerd dat eiser nog steeds in strijd met het vonnis een betalingsachterstand creëert door al sedert april 2008 niets meer te betalen.

7. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat eiser evenmin voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake zal zijn van een noodtoestand indien de executoriale verkoop van de beslagen zaken niet achterwege zal worden gelaten. De enkele stelling dat hij na verkoop zijn bedrijfsvoering zal dienen te staken, is daartoe onvoldoende, mede gelet op het feit dat eiser zijn bedrijfsruimte zal (dienen te) ontruimen en hij reeds sinds het vonnis van de kantonrechter op de hoogte is van zijn plicht tot betaling en ontruiming. Hij heeft derhalve al geruime tijd de gelegenheid gehad zorg te dragen voor een oplossing om zijn bedrijfsvoering, indien gewenst, elders voort te zetten.

8. Ook de subsidiaire vordering is niet voor toewijzing vatbaar. Zoals gezegd, ziet de voorzieningenrechter geen gegronde reden om tot de conclusie te komen dat het vonnis van de kantonrechter berust op een feitelijke of juridische misslag en is evenmin sprake van een noodtoestand die zal ontstaan bij executie, zodat voor opschorting van de executoriale verkoop geen aanleiding bestaat.

9. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van dit geding.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen af

II. Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op € 254,= aan verschotten en € 816,= aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Vermeulen, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.