Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD5266

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
08/700292-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt onder meer veroordeeld voor de verkoop van “paddorepen”, XTC en hennep en voor het aanwezig hebben van XTC, amfetamine en hennep. Bij de strafmaat is rekening gehouden met het tijdsverloop tussen aanhouding en terechtzitting.

Verdachte is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest, zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/700292-06

Uitspraak d.d.: 24 juni 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in

de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo,

tegen:

[Verdachte]

geboren te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

terechtstaande terzake dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 28 november 2006,

in de gemeente Almelo en/of Losser en/of Assen en/of Gieten en/althans elders

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote)

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of

tenamfetamine (MDA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of cocaïne en/of

een hoeveelheid van een materiaal bevattende psilocybine en/of psilocine (in

de vorm van 'chocolade paddo repen') zijnde MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDEA)

en/of tenamfetamine (MDA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of cocaïne

en/of psylocibine/psilocine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(parketnummer: 700292-06)

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 28 november 2006,

in de gemeente Almelo en/of Losser en/of Assen en/of Gieten, en/althans elders

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk - al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf - heeft

geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een (grote) hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet en/of

- een (grote) hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen

andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende Gammahydroxyboterzuur

(GHB), (telkens) zijnde 4-hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

(parketnummer: 700292-06)

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 november 2006,

in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland,

(een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten (een) veerdrukwapen(s),

zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en

kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met

(een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(parketnummer: 700292-06)

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 28 november 2006,

in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan de firma Cogas, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(parketnummer: 700292-06)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten c.q. misslagen voorkomen zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen - die in de gevallen waarin

de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een

aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen - waarop na te melden beslissing

steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1, sub 2,

sub 3 en het sub 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2006, in de gemeente Almelo telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en een hoeveelheid van een materiaal bevattende psilocine (in de vorm van 'chocolade paddo repen'), zijnde MDMA en psilocine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en

hij op 28 november 2006, in de gemeente Almelo, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2006, in de gemeente Assen en Gieten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

telkens opzettelijk - in de uitoefening van een beroep of bedrijf - heeft geteeld, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd,

- een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende Gammahydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4- hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2006, in de gemeente Almelo opzettelijk - in de uitoefening van een beroep of bedrijf - heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd,

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende Gammahydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4- hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en

hij op 28 november 2006, in de gemeente Almelo telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende Gammahydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4- hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 28 november 2006, in de gemeente Almelo, wapens van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten veerdrukwapens, zijnde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonden met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

4.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2006, in de gemeente Almelo,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan de firma Cogas, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en

omstan¬digheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd

tot bewijs van het feit, waarop die inhoud bijzonderlijk betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen verdachte sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgespro¬ken.

Het bewezene levert op:

voor wat betreft sub 1, de misdrijven:

"Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod", meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet;

en

"Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod", meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet;

voor wat betreft sub 2, de misdrijven:

"Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod", meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet;

en

"In de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod";

strafbaar gesteld bij artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet;

en

"Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod", meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet;

voor wat betreft sub 3, het misdrijf:

"Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie I", meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij art. 55 van de Wet wapens en munitie;

voor wat betreft sub 4, het misdrijf:

"Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking",

strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is deswege strafbaar nu van geen zijn strafbaarheid uitsluitende

omstandig¬heid is gebleken.

De rechtbank overweegt voor wat de straf betreft:

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 maanden en 20 dagen, met aftrek van preventieve hechtenis, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren alsmede tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen vordert de officier van justitie dat de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers

7, 8, 15, 16, 17, 18, 20, 21, 23, 24, 26, 27, 28, 30, 31, 33, 52, 53, 55, 56 en 57 worden onttrokken aan het verkeer.

Met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 9, 11, 34, 35, 36, 37 en 51 vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring.

Met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 5, 6, 10, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45 46, 58, 59, 60 en 61 vordert de officier van justitie dat die voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank overweegt dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf en maatregel behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer elf maanden schuldig gemaakt

aan het verkopen en afleveren van MDMA en psilocine (dit laatste in de vorm

van' chocolade paddo repen').

Daarnaast heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het telen en verkopen van softdrugs,

in sommige gevallen met een of meer anderen en het aanwezig hebben van softdrugs;

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie.

Gelet op hetgeen de rechtbank thans bewezen heeft verklaard, het feit dat verdachte eerder ter

zake de Opiumwet is veroordeeld en het tijdsverloop tussen het inzenden van het proces-

verbaal en de zitting is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke

vrijheidsstraf behoort te worden opgelegd die gelijk is aan het door verdachte doorgebrachte

voorarrest.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen

teneinde verdachte ervan te doordringen dat hij strafbaar heeft gehandeld en om hem

te weerhouden wederom dergelijke feiten te plegen.

De rechtbank zal tenslotte nog aan verdachte een werkstraf opleggen voor de overtredingen

van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf op de voet van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht een eerdere veroordeling van verdachte, opgelegd bij vonnis van de Politierechter te Almelo d.d. 16 januari 2006, in rekening gebracht, te weten:

- een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis;

De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 7, 8, 15, 16, 17, 18, 20, 21, 23, 24, 26, 27, 28, 30, 31, 33, 52, 53, 55, 56 en 57 zijn vatbaar voor onttrek¬king aan het verkeer, nu met behulp van die voorwerpen als gezamenlijkheid de aan verdachte sub 1 en sub 2 tenlastege¬legde en bewezen¬verklaarde feiten zijn begaan en die voorwerpen in handen van deze verdachte van zodanige aard zijn dat het ongecon¬tro¬leerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers

9, 11, 34, 35, 36 en 51 zijn vatbaar voor verbeurdverkla¬ring, nu met behulp van die aan verdachte toebehorende voorwerpen als gezamenlijkheid de aan verdachte sub 1 en sub 2 tenlastegelegde en bewezen¬ver¬klaarde feiten is begaan.

Bij de verbeurdverklaring heeft de rechtbank op de voet van artikel 24 Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

Met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers

5, 6, 10, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45 46, 58, 59, 60 en 61 zal de rechtbank bepalen dat die goederen aan verdachte behoren te worden teruggegeven.

De na te noemen straffen en maatregel zijn gegrond, behalve op voormel¬de artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33a, 33b, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Straf¬recht;

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het sub 1, sub 2, sub 3 en het sub 4 tenlastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot:

een gevangenisstraf voor de tijd van ACHT MAANDEN en TWINTIG DAGEN;

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

Een taakstraf, te weten een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

Verklaart onttrokken aan het verkeer de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 7, 8, 15, 16, 17, 18, 20, 21, 23, 24, 26, 27, 28, 30, 31, 33, 52, 53, 55, 56 en 57;

Verklaart verbeurd de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 9, 11, 34, 35, 36 en 51;

Gelast de teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende

beslaglijst en genoemd onder de nummers 5, 6, 10, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45 46, 58, 59, 60 en 61 aan verdachte;

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Stoové, voorzitter,

mrs. Teekman en Caminada, rechters,

in tegenwoordigheid van Groot, griffier,

en uitgesproken ter terechtzitting van de rechtbank voornoemd,

op 24 juni 2008.