Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD5261

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
08/700410-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De eigenaar van een growshop wordt onder meer veroordeeld voor verkoop van “paddorepen” en hennep, alsmede voor het aanwezig hebben van XTC, amfetamine en hennep.

Het tijdsverloop tussen aanhouding en berechting leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De aanvankelijke verdenking van handel in vloeibare XTC en cocaïne heeft - voor het oordeel van de rechtbank - te lang boven het hoofd van verdachte gehanden. Bij de strafmaat wordt rekening gehouden met zowel het tijdsverloop als de onterechte verdenking.

Verdachte is er ten onrechte van overtuigd dat handel in paddorepen is toegestaan en dat de handel in hennep moet worden toegestaan.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden en 20 dagen, waarvan zes maanden voorwaardelijk en het restant overeenkomt met het voorarrest. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/700410-06

Uitspraak d.d.: 24 juni 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in

de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo,

tegen:

[Verdachte]

geboren te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

terechtstaande – na wijziging van de tenlastelegging – ter zake dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 28 november 2006,

in de gemeente Almelo en/of Losser en/of Assen en/of Gieten, en/althans

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote)

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of

tenamfetamine (MDA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of cocaïne en/of

een hoeveelheid van een materiaal bevattende psilocybine en/of psilocine (in

de vorm van 'chocolade paddo repen') zijnde MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDEA)

en/of tenamfetamine (MDA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of cocaïne

en/of psilocybine/psilocine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(parketnummer: 700410-06)

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 28 november 2006,

in de gemeente Almelo en/of Losser en/of Assen en/of Gieten, en/althans

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk - al dan niet in de uitoefening van een beroep of

bedrijf - heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd,

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft

gehad,

- een (grote) hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet en/of

- een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende Gammahydroxyboterzuur

(GHB), (telkens) zijnde 4-hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet en/of

- een (grote) hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen

andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(parketnummer: 700410-06)

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 november 2006,

in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland,

een of meer wapens van categorie I, onder 3 van de Wet wapens en Munitie,

te weten een ploertendoder voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(parketnummer: 700410-06)

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

art 55 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks 28 november 2006,

in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland,

een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,

te weten een of meer gas/vuurwerkpisto(o)l(en) (merk Rohm, type RG 88) en/of

een gasrevolver (merk Rohm, type RG 99),

en/of (een hoeveelheid) munitie van categorie III, te weten (ongeveer 44

stuks) 9 MM (knal)patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(parketnummer: 700410-06)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

5.

hij op of omstreeks 28 november 2006,

in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland,

(een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen,

zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en

kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met

(een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(parketnummer: 700410-06)

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

6.

hij op of omstreeks 28 november 2006,

in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland,

opzettelijk (een) bankbiljet(ten) van 50 euro, dat/die verdachte zelf heeft

nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij

dat/die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat/die als echt en onvervalst

uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

(parketnummer: 700410-06)

art 209 Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

Na het voordragen van de zaak voert de raadsman het woord overeenkomstig de door hem overgelegde - aan dit proces-verbaal gehechte en daarvan integraal deeluitmakende - pleitnota, welke pleitnota betrekking heeft op een preliminair verweer, inhoudende dat het O.M niet ontvankelijk is wegens onterechte verdenking en vervolging alsmede dat het O.M. niet ontvankelijk is wegens overschrijding van een redelijke termijn.

De rechtbank overweegt dat er betrouwbare C.I.E-informatie voorhanden was en dat het niet van belang is dat de feiten waar verdachte uiteindelijk voor vervolgd wordt anders zijn dan de feiten waarop de C.I.E. informatie betrekking had.

Het onderzoek heeft inderdaad lange tijd geduurd doch die tijd is naar het oordeel van de rechtbank nog niet te lang geweest. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat het preliminair verweer van de raadsman verworpen dient te worden.

Met de lange duur van het onderzoek zal de rechtbank rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat in het sub 5 tenlastegelegde de woorden “categorie I onder 7” niet duidelijk maakt waartoe het wapen behoort zodat de aanduiding van dat strafbare feit onvoldoende gepreciseerd en derhalve nietig is.

De rechtbank overweegt daaromtrent:

In de tenlastelegging onder het sub 5 tenlastegelegde feit staat “de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd”.

Deze aanvulling impliceert dat er hier sprake is van de Wet wapens en munitie, zodat voor verdachte niet onduidelijk is waarop de woorden “categorie I onder 7” betrekking hebben. toebehoort. Verdachte wist ook dat het feit over de Wet wapens en munitie ging, aangezien verdachte dat feit immers heeft erkend.

Het verweer van de raadsman behoort op grond van het vorenstaande te worden verworpen.

Overwegende, dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen verdachte

sub 6 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten c.q. misslagen voorkomen zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen - die in de gevallen waarin

de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een

aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen - waarop na te melden beslissing

steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1, sub 2,

sub 3, sub 4 en het sub 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2006, in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal bevattende psilocine (in de vorm van 'chocolade paddo repen'),

zijnde psilocine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en

hij op 28 november 2006, in de gemeente Almelo, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2006, in de gemeente Almelo en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk - in de uitoefening van een beroep of bedrijf - heeft geteeld, bewerkt, verkocht, afgeleverd en vervoerd,

- een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

en

hij op 28 november 2006, in de gemeente Almelo opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 28 november 2006, in de gemeente Almelo, een wapen van categorie I, onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 28 november 2006, in de gemeente Almelo, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten gaspistolen (merk Rohm, type RG 88) en een gasrevolver (merk Rohm, type RG 99), en munitie van categorie III, te weten (ongeveer 44 stuks) 9 MM knalpatronen, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op 28 november 2006, in de gemeente Almelo, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en

omstan¬digheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd

tot bewijs van het feit, waarop die inhoud bijzonderlijk betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen verdachte sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrij gespro¬ken.

Het bewezene levert op:

voor wat betreft sub 1, de misdrijven:

"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod", meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet;

en

"Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod", meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet;

voor wat betreft sub 2, de misdrijven:

"Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod", meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet;

en

"Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod";

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet;

voor wat betreft sub 3 en sub 5, telkens het misdrijf:

"Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie I",

strafbaar gesteld bij art. 55 van de Wet wapens en munitie;

voor wat betreft sub 4, de misdrijven:

"Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij art. 55 van de Wet wapens en munitie;

- alsmede (betreffende de munitie) het misdrijf:

"Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie", strafbaar gesteld bij art. 55 van de Wet wapens en munitie;

De verdachte is deswege strafbaar nu van geen zijn strafbaarheid uitsluitende

omstandig¬heid is gebleken.

De rechtbank overweegt voor wat de straf betreft:

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het sub 6 tenlastegelegde wordt vrijgesproken en voor het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en het sub 5 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 maanden en 20 dagen, met aftrek van preventieve hechtenis, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren alsmede tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen vordert de officier van justitie dat de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers

3, 4, 10, 11, 13, 14, 16, 18, 20, 21, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 51, 53, 54 en 55

worden onttrokken aan het verkeer.

Met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 7A, 7B, 7C en 15 vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring.

Met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 8, 9 en 24 vordert de officier van justitie dat die voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank overweegt dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straffen en maatregel behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer elf maanden zich schuldig gemaakt

aan het verkopen en afleveren van een materiaal bevattende psilocine (in de vorm van'

chocolade paddo repen') aan het aanwezig hebben van harddrugs en softdrugs en het telen,

bewerken verkopen, afleveren en vervoeren van hennep, samen met zijn mededader.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank stelt vast dat, hoewel al vrij snel duidelijk werd dat verdachte zich niet had

bezig gehouden met de handel in vloeibare XTC en cocaïne, deze beschuldigingen op de

tenlastelegging zijn blijven staan. Verdachte heeft zijn verontwaardiging daarover op de

zitting geuit en de rechtbank heeft daar begrip voor.

Gelet op hetgeen de rechtbank thans bewezen heeft verklaard en mede gelet op het

tijdsverloop tussen het inzenden van het proces-verbaal en de zitting is de rechtbank van

oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf behoort te worden opgelegd

die gelijk is aan het door verdachte doorgebrachte voorarrest.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen

teneinde verdachte ervan te doordringen dat hij strafbaar heeft gehandeld en zich niet kan

beroepen op zijn overtuiging dat zijn gedragingen zijn toegestaan ,of dat zouden moeten zijn.

De rechtbank zal tenslotte nog aan verdachte een werkstraf opleggen voor de overtredingen

van de Wet wapens en munitie.

De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 3, 4, 10, 11, 13, 14, 16, 18, 20, 21, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 51, 53, 54 en 55 zijn vatbaar voor onttrek¬king aan het verkeer, nu met behulp van die voorwerpen als gezamenlijkheid de aan verdachte sub 1 en sub 2 tenlastege¬legde en bewezen¬verklaarde feiten zijn begaan en die voorwerpen in handen van deze verdachte van zodanige aard zijn dat het ongecon¬tro¬leerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 7A, 7B, 7C en 15 zijn vatbaar voor verbeurdverkla¬ring, nu met behulp van die aan verdachte toebehorende voorwerpen als gezamenlijkheid de aan verdachte sub 1 en sub 2 tenlastegelegde en bewezen¬ver¬klaarde feiten zijn begaan.

Bij de verbeurdverklaring heeft de rechtbank op de voet van artikel 24 Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

Met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers

8, 9 en 24 zal de rechtbank bepalen dat die goederen aan verdachte behoren te worden teruggegeven.

De na te noemen straffen en maatregel zijn gegrond, behalve op voormel¬de artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Straf¬recht;

R E C H T D O E N D E:

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn recht tot strafvervolging;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte sub 6 is tenlastegelegd;

Spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart bewezen, dat het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en het sub 5 tenlastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot:

een gevangenisstraf voor de tijd van ACHT MAANDEN en TWINTIG DAGEN;

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

Een taakstraf, te weten een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

Verklaart onttrokken aan het verkeer de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 3, 4, 10, 11, 13, 14, 16, 18, 20, 21, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 51, 53, 54 en 55;

Verklaart verbeurd de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst en genoemd onder de nummers 7A, 7B, 7C en 15;

Gelast de teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen, niet teruggegeven, voorwerpen, voorkomende op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende

beslaglijst en genoemd onder de nummers 8, 9 en 24 aan verdachte;

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hierbo¬ven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Caminada, voorzitter,

mrs. Stoové en Teekman, rechters,

in tegenwoordigheid van Groot, griffier,

en uitgesproken ter terechtzitting van de rechtbank voornoemd,

op 24 juni 2008.