Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD3926

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
94242 / KG ZA 08-136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vrouw weigert een akte van verdeling, zoals overeengekomen in een eerder gesloten echtscheidingsconvenant, te ondertekenen, omdat er sprake zou zijn geweest van dwang, dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden. De voorzieningenrechter acht dit, gelet op de langdurige onderhandelingen, de aanpassing van het compensatiebedrag voor de overbedeling en overige voorwaarden, vooralsnog niet aannemelijk. De voorzieningenrechter bepaalt dat, indien de vrouw niet binnen zeven dag ondertekent, het vonnis in de plaats zal treden van voormelde wilsverklaring/ondertekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 94242 / KG ZA 08-136

datum vonnis: 13 juni 2008 (gc)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Eiser],

wonende te Enschede,

eiser,

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. B.A.M. Oude Breuil,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Enschede,

gedaagde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. K.J. Coenen.

Het procesverloop

De man heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 11 juni 2008. Ter zitting zijn verschenen: de man vergezeld door mr. Oude Breuil en mr. Coenen namens de vrouw. De standpunten zijn toegelicht. Het vonnis is bepaald op vandaag.

De feiten

1. In deze zaak staat het navolgende vast. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 6 december 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap hebben partijen in onderling overleg afspraken gemaakt en deze afspraken vastgelegd bij convenant van 18 april 2008.

De standpunten van partijen

2. De man stelt dat partijen in het genoemde convenant onder andere overeen zijn gekomen dat de voormalig echtelijke woning c.a. aan de man zou worden toebedeeld, onder de voorwaarde dat de vrouw terzake de hypothecaire lening uit haar hoofdelijkheid zou worden ontslagen. Daarnaast hebben partijen in het convenant, op voorstel van de vrouw, vastgelegd dat de man door de verdeling is overbedeeld en dat hij om die reden een bedrag van € 20.000,00 aan de vrouw zou moeten voldoen. Gelet daarop is op 15 februari 2008 aan de man een offerte voor een hypothecaire lening verstrekt zodat de vrouw kon worden ontslagen uit haar hoofdelijkheid alsmede aan haar het bedrag van € 20.000,00 kon worden voldaan. Gelet op de geldigheidsduur van de geaccepteerde offerte, 3 maanden na offertedatum, was het voor de man noodzaak dat partijen uiterlijk 15 mei 2008 de akte van verdeling zouden ondertekenen. Ondanks haar toezegging verscheen de vrouw echter niet op 13 mei 2008 op de gemaakte afspraak bij de notaris en via de notaris heeft de man moeten vernemen dat de vrouw geen medewerking meer wenste te verlenen aan de ondertekening van de akte. De geaccepteerde offerte was tot 15 mei 2008 geldig. Deze termijn kan met 6 maanden worden verlengd maar dan is de man voor iedere maand verlenging een vergoeding verschuldigd. Thans is de man al een vergoeding van € 330,00 verschuldigd. Het is in het belang van de man dat de akte van verdeling alsnog zo spoedig mogelijk wordt ondertekend. Het is voor hem immers onacceptabel dat hij door toedoen van de vrouw een vergoeding verschuldigd zou zijn, aldus nog steeds de man.

3. De vrouw stelt dat de man het zelf in de hand heeft of de verlenging van de offerte hem geld kost. Hij is immers niet gehouden de offerte te laten doorlopen. Daar komt bij dat hij ook een nieuwe offerte kan aanvragen, zodat hij de verlengingsvergoeding niet hoeft te voldoen. Volgens de vrouw is het niet noodzakelijk thans via kort geding een verdeling te forceren, te meer omdat de verdeling onjuist is. Er is weliswaar een door partijen ondertekend convenant, maar dat convenant bevat meerdere niet gewilde onjuistheden waardoor de vrouw ernstig wordt benadeeld. Deze benadeling bestaat hieruit dat in het convenant een bedrag van slechts € 20.000,00 aan de vrouw wordt toebedeeld, terwijl zij bij een evenwichtige en eerlijke verdeling een bedrag van € 64.649,65 zou behoren te krijgen. De vrouw kan niet instemmen met deze benadeling en zij betwist dat zij de wijze van verdeling zou hebben voorgesteld. De vrouw stelt dat het convenant tot stand is gekomen door middel van dwang en bedrog jegens haar, onder invloed van dwaling omtrent de overwaarde van de woning en omtrent de gevolgen terzake van alimentatie en bijstandsverhaal. De vrouw beroept zich op vernietiging van het convenant op grond van de in artikel 3:44 BW bedoelde wilsgebreken. Voorts is de vrouw van mening dat voor de onderhavige vordering in kort geding geen plaats is, omdat voor deze situatie reeds een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde executoriale titel bestaat, te weten de beschikking van 6 december 2006, waarin een notaris en een onzijdige persoon zijn benoemd, teneinde de verdeling c.q. toedeling te realiseren. De vrouw stelt verder dat de door eiser gevorderde dwangsommen dienen te worden afgewezen omdat de man met het in dit kort geding te wijzen vonnis zelf de verdeling kan realiseren. Gelet op het voorgaande vordert de vrouw om de man niet ontvankelijk te verklaren, althans de vordering af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

De beoordeling:

Genoegzaam is komen vast te staan dat partijen geruime tijd hebben onderhandeld over de boedelverdeling. Uiteindelijk is een concept-convenant opgesteld door de raadsman van de man, en dat is ter beoordeling en ter verdere onderhandeling verzonden naar de toenmalige raadsman van de vrouw, mr. Sabaroedin. Vervolgens is ook verder onderhandeld, waarop een gewijzigde versie van dat convenant is verzonden door mr .Oude Breuill naar mr. Sabaroedin. Uiteindelijk is het convenant in die vorm door partijen ondertekend. Eerst later en niet om reden dat het convenant tot stand is gekomen, heeft de vrouw een andere advocaat gekozen en heeft de vrouw van derden gehoord dat het convenant voor haar wel eens nadelig zou kunnen zijn.

In het eerste concept van het convenant heeft de man de vrouw aangeboden om te betalen

€ 17.000,- wegens overbedeling. Dit is na onderhandelingen € 20.000 geworden. Tevens is door de vrouw als eis gesteld voor totstandkoming van het convenant, dat de man niet in hoger beroep ging c.q. het hoger beroep introk van de beslissing over de gezagsvoorziening/omgang betreffende het kind van partijen. Aan die voorwaarde is door de man voldaan. Kennelijk is ook dit reden geweest voor de vrouw om in te stemmen met de gewijzigde versie van het convenant.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw aldus afgewogen en in relatieve rust kunnen beslissen tot het aangaan van het convenant in de huidige vorm. De vrouw is daarbij bij voortduring bijgestaan door mr. Sabaroedin, en uit niets blijkt dat zij de cliëntrelatie met die advocaat heeft beëindigd juist vanwege het aangaan van het convenant in de vorm zoals die door partijen is ondertekend.

Het komt de voorzieningenrechter dan ook weinig aannemelijk voor dat dat convenant alsnog in een bodemprocedure zal worden vernietigd op grond van – kort gezegd – dwang, dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden.

Door de man is voldoende duidelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van na te melden voorziening. De financiële situatie van de man is dusdanig, dat deze zeer gebaat is bij het snel rond krijgen van de boedelverdeling en in het bijzonder het snel op basis van de voorliggende offerte gefinancierd krijgen van de aan hem toebedeelde woning. De sterk stijgende rente van de afgelopen weken noopt daartoe.

Namens de vrouw zijn geen inhoudelijke bedenkingen geuit tegen de in het geding gebrachte concept notariële akte van verdeling na echtscheiding, zodat ook daarom er van uit gegaan mag worden dat de inhoud daarvan strookt met de inhoud van het convenant.

De voorzieningenrechter zal alleen na te noemen voorziening toewijzen. Een dwangsomveroordeling en de gevraagde machtiging wordt minder opportuun geacht.

De gevraagde betalingsveroordeling zal worden afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat de man zo dringend die gelden nodig heeft, dat daarvoor een voorlopige voorziening moet worden bepaald. In zoverre is dus geen sprake van voldoende spoedeisendheid.

Om reden dat partijen ex-echtelieden zijn zal de voorzieningenrechter de kosten van dit geding compenseren op na te melden wijze.

Rechtdoende:

I. Verklaart de man niet-ontvankelijk in diens vordering tot betaling genoemd onder III van het petitum van de dagvaarding.

II. Bepaalt dat voor het geval de vrouw niet binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis ten kantore van Hofsteenge & Wesseling Notarissen te Enschede de voorliggende akte van verdeling heeft ondertekend dan wel daartoe volmacht heeft verstrekt, dit vonnis in de plaats zal treden van voormelde wilsverklaring/ondertekening door de vrouw

III. Verklaart de hiervoor onder II aangeduide voorziening uitvoerbaar bij voorraad

IV. Wijst af wat meer of anders is verzocht.

V. Compenseert de kosten van dit geding aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.