Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD2946

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
02-06-2008
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
94349 / KG ZA 08-140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert in kort geding gedaagde te verbieden dwangsommen, welke zijn ontstaan door het door eiser niet juist executeren van een eerder kort geding vonnis, te verbeuren. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af, nu het aan eiser te wijten is, althans voor zijn risico komt, dat de opgedrragen doorhaling in het kadaster niet heeft plaatsgevonden. Dat het eerdere vonnis niet juist zou zijn betekend, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter dat het voor het verbeuren van dwangsommen niet relevant is of het hoger beroep van eiser in de bodemprocedure kans van slagen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 94349 / KG ZA 08-140

datum vonnis: 2 juni 2008 (af)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

Eiser,

wonende te Enschede,

eiser,

verder te noemen eiser,

procureur: mr. K.J. Coenen,

tegen

Gedaagde,

wonende te Hengelo,

gedaagde,

verder te noemen gedaagde,

procureur: mr. A.P. Drosten.

Het procesverloop

Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 29 mei 2008. Ter zitting zijn verschenen: eiser vergezeld door mr. Coenen en gedaagde vergezeld door mr. Drosten. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De Feiten

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

a. Eiser en gedaagde hebben op 7 oktober 2006 afgesproken dat eiser een aanbouw zou maken aan de achterzijde van de woning van gedaagde. De totale aanneemsom bedroeg € 25.570,=, inclusief BTW.

b. Eiser heeft op 3 mei 2007 een procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank, omdat gedaagde tot dat moment een bedrag van € 4.750,00 van de aanneemsom onbetaald had gelaten. De rechtbank heeft bij vonnis van 18 juli 2007 de vordering van eiser toegewezen.

c. Op 30 juli 2007 is dit vonnis betekend aan gedaagde, waarna op 3 augustus 2007 in opdracht van eiser executoriaal beslag is gelegd op de onverdeelde helft van het woonhuis van gedaagde.

d. Gedaagde heeft appel aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank van 18 juli 2007 en heeft eiser op 8 oktober 2007 in hoger beroep gedagvaard.

e. In een nieuwe bodemprocedure heeft gedaagde eiser aansprakelijk gesteld voor schade aan de woning van gedaagde.

f. Nadat gedaagde eiser in kort geding heeft gedagvaard, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 22 oktober 2007 vonnis gewezen, waarin het eiser wordt verboden het vonnis van de rechtbank d.d. 18 juli 2007 (verder) te executeren wegens nieuwe informatie waardoor de vordering van eiser in de eerdere procedure niet zonder meer zou zijn toegewezen. Tevens zijn alle beslagen opgeheven en is eiser veroordeeld om de opheffing van de beslagen binnen zeven dagen na betekening van dat vonnis te vermelden in het kadaster, op straffe van een dwangsom van € 1.000,= voor iedere dag waarop eiser aan deze veroordeling niet voldoet, met een maximum van € 50.000,=.

g. Eiser heeft bij brief van 24 oktober 2007 zijn deurwaarder geïnformeerd over de door te voeren doorhaling in het kadaster van de beslagen.

h. Op 30 oktober 2007 is het kort gedingvonnis van 22 oktober 2007 betekend, welke betekening, althans de rechtmatigheid van de betekening, door eiser wordt betwist.

i. Op 10 december 2007 heeft gedaagde bij exploot het vonnis dd. 22 oktober 2007 (nogmaals) laten betekenen en aanspraak gemaakt op verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 29.000,=.

j. Op 12 december 2007 zijn de door eiser gelegde executoriale beslagen doorgehaald in het kadaster.

k. Gedaagde zal in het kader van executie ter zake van deze dwangsom overgaan tot openbare verkoop op 3 juni 2008 van het bedrijfspand van eiser aan de [adres] te Enschede.

Het geschil

2. Eiser vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te verbieden het vonnis van 22 oktober 2007 te executeren, op straffe van een dwangsom van € 100.000,00, alle door gedaagde gelegde executoriale beslagen op te heffen, gedaagde te veroordelen om de opheffing van die beslagen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te vermelden in het kadaster, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag waarop gedaagde aan deze veroordeling niet voldoet, met een maximum van € 50.000,00 en gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

Eiser voert hiertoe het volgende aan. Eiser verwacht in de procedure waarin gedaagde hem aansprakelijk heeft gesteld voor de schade, te kunnen voldoen aan de bewijsopdracht, waarna naar de mening van eiser weinig zal overblijven van de vordering van gedaagde op hem. Ook in de hoger beroepsprocedure zal het Gerechtshof naar de verwachting van eiser het vonnis van de rechtbank van 18 juli 2007 bekrachtigen. Er is dan ook volgens eiser geen grond meer om hem te verbieden het vonnis van 18 juli 2007 te executeren. Het vonnis van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2007, waarbij aan eiser dwangsommen zijn opgelegd, zal dan achterhaald zijn en onjuist blijken te zijn. Naar de huidige stand van bovengenoemde procedures zouden aan eiser derhalve niet de dwangsommen zijn opgelegd, waardoor het doorzetten van de executie van dit kort gedingvonnis onrechtmatig is.

Daarbij komt dat eiser zijn deurwaarder de instructie heeft gegeven het beslag door te halen in het kadaster, waarmee naar de mening van eiser voldaan was aan het vonnis in kort geding van 22 oktober 2007. Na ontvangst van het exploot van 10 december 2007 is eiser echter gebleken dat zijn deurwaarder deze instructie niet had opgevolgd. Bovendien stelt eiser dat hij nimmer het exploot d.d. 30 oktober 2007 heeft ontvangen, waarbij het vonnis van 22 oktober 2007 zou zijn betekend. Het is volgens eiser zeer wel mogelijk dat, wanneer de betekening wel mocht hebben plaatsgevonden, door de betreffende deurwaarder een afschrift is achtergelaten op een zodanige plaats en/of wijze dat dit afschrift eiser nooit heeft bereikt. De oplegging van dwangsommen is naar de mening van eiser niet beoogd voor een situatie als deze.

Ten slotte stelt eiser dat executie door gedaagde van het vonnis ter zake de dwangsommen naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in strijd is met de betamelijkheid, nu gedaagde geen schade heeft geleden door het te laat doorhalen van de beslagen in het kadaster.

3. Gedaagde voert verweer tegen de vordering van eiser. Voor zover van belang zal hieronder op dat verweer nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat tegen het kort gedingvonnis van 22 oktober 2007 geen appel is aangetekend, zodat dit vonnis onherroepelijk is geworden. Eiser had derhalve het dictum van dit vonnis moeten uitvoeren.

5. Niet in geschil is dat eiser heeft berust in het niet (verder) executeren van het vonnis van 18 juli 2007. Het geschil concentreert zich derhalve op de vraag of het eiser is te verwijten dat geen uitvoering is gegeven aan dictumonderdeel III van het vonnis van 22 oktober 2007, te weten het (laten) doorhalen van de beslagen in het kadaster.

6. De voorzieningenrechter ziet in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen reden te oordelen dat de betekening van het vonnis bij exploot van 30 oktober 2007 niet, althans niet rechtmatig zou hebben plaatsgevonden. Zoals uit het exploot (bij productie 4 van de dagvaarding) d.d. 30 oktober 2007 blijkt, is het vonnis van 22 oktober 2007 door middel van achterlating in een gesloten enveloppe op 30 oktober 2007 betekend op het adres [adres] te Enschede. Deze wijze van betekening is rechtmatig. Eiser heeft ter zitting van 29 mei 2008 bevestigd dat hij destijds voornoemd adres als woonadres heeft opgegeven, zodat ook daarin geen reden kan zijn gelegen te oordelen dat de betekening op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Overige omstandigheden als door eiser gesteld, nog daargelaten of deze stellingen meer zijn dan enkel speculaties, komen voor zijn risico.

7. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook het feit dat de door hem ingeschakelde deurwaarder niet de instructie heeft opgevolgd tot doorhaling van de beslagen in het kadaster, niet voor risico van gedaagde kan en mag komen.

8. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het opleggen van dwangsommen tot doel heeft het bieden van meer zekerheid dat het vonnis wordt nageleefd. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen aanleiding is het executeren van dergelijke dwangsommen door gedaagde bij niet naleving van het vonnis door eiser als in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te verbieden, enkel omdat gedaagde geen schade van deze niet-naleving zou hebben ondervonden.

9. De voorzieningenrechter zal derhalve de vordering afwijzen.

10. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vordering af.

II. Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op € 254,= aan verschotten en € 527,= aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Vermeulen, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.