Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD2400

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
93771 / KG ZA 08-118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verzet dwangbevel ex artikel 17 Iw 1990. Het verzet van CroHo c.s. levert misbruik van bevoegdheid op, omdat het bij voorbaat zo evident kansloos moet worden geacht dat het belang van CroHo c.s. bij schorsing van de werking van de dwangbevelen niet opweegt tegen het algemeen belang van de Ontvanger bij voortzetting van de executie. Met de Ontvanger is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verzetsgronden in wezen neerkomen op het verkrijgen van nader uitstel van betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 93771 / KG ZA 08-118

datum vonnis: 22 mei 2008 (lm)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de Ontvanger van de Belastingdienst/Oost,

gevestigd te Enschede,

eiser,

verder te noemen de Ontvanger,

procureur: mr. Ph.C. Kleyn van Willigen,

advocaat: mr. M.J.W. Hoogstrate te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Y & X Projectmanagement B.V.,

gevestigd te ,

gedaagde,

verder te noemen Y & X B.V.,

2. de vennootschap onder firma

CroHo Productions,

kantoorhoudende te ,

gedaagde,

verder te noemen CroHo Productions,

3. X,

wonende te ,

gedaagde,

veder te noemen X,

4. Y,

wonende te ,

gedaagde,

verder te noemen Y,

gedaagden,

verder ook gezamenlijk te noemen CroHo c.s.,

procureur: mr.Ph.C.Kleyn van Willigen,

advocaat: mr. R.B.H. Beune te Nijmegen.

1. Het procesverloop

1.1 De Ontvanger heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

1.2 De zaak is behandeld ter terechtzitting van 15 mei 2008. Ter zitting zijn verschenen:

A namens de Ontvanger, vergezeld door mr. Hoogstrate, en X vergezeld door mr. Beune. Mr. Beune is verschenen namens de vier gedaagden. De standpunten zijn

-onder overlegging van pleitnota’s- toegelicht.

1.3 Partijen hebben vonnis verzocht.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

CroHo c.s. hebben -uit hoofde van onder meer niet betaalde aanslagen loonheffing, inkomstenbelasting en omzetbelasting- belastingschulden. Voor de belastingschuld van Croho Productions zijn X en Y hoofdelijk aansprakelijk gesteld bij beschikkingen van 16 augustus 2006 en 16 augustus 2007. Op 22 augustus 2007, 3 oktober 2007,

15 januari 2008 en 14 februari 2008 heeft de belastingdeurwaarder uit kracht van meerdere aan Croho c.s. betekende dwangbevelen executoriaal beslag op roerende zaken van

CroHo c.s. gelegd. De verkoop was gepland op 19 februari 2008. CroHo c.s. hebben, teneinde verkoop van de beslagen zaken te voorkomen, een procedure ex artikel

17 Invorderingswet 1990 (Iw 1990) ingeleid en twee verzetdagvaardingen uitgebracht. Het verzet van CroHo c.s. schorst de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen. De Ontvanger heeft, ondanks het verzet, besloten om de verkoop door te zetten. Daarbij heeft de Ontvanger verwezen naar de (nieuwe) leidraadbepaling, welke inhoudt dat het Ministerie van Financiën in geval van een evident kansloos verzet toestemming kan verlenen een geplande verkoop door te zetten. Daarop hebben CroHo c.s. een kort geding ingeleid ter voorkoming van de verkoop. Ter zitting van dat kort geding hebben partijen afspraken gemaakt. De aangekondigde openbare verkoop heeft geen doorgang gevonden. Omdat CroHo c.s. zich niet aan de gemaakte afspraken hielden heeft de voorzieningenrechter te Almelo op verzoek van de Ontvanger op 10 april 2008 vonnis gewezen. De door Croho c.s. gevraagde voorzieningen zijn geweigerd. De voorzieningenrechter heeft in voornoemd vonnis geen inhoudelijk oordeel gegeven over het ingestelde verzet. Het verzet is thans nog aanhangig.

3. Het geschil

standpunt de Ontvanger

3.1 Aangezien het verzet de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen schorst, kan er geen openbare verkoop van de beslagen zaken plaatsvinden. De Ontvanger wenst opheffing van die schorsende werking, zodat een (nieuwe) openbare verkoop kan worden gepland. De verzetprocedure wordt alleen maar gebruikt om uitstel van betaling te bewerkstelligen. Het verzet is evident kansloos, zodat de schorsende werking kan en behoort te worden opgeheven. De Ontvanger vordert daarom -uitvoerbaar bij voorraad- te bepalen dat het door CroHo c.s. gedane verzet van 14 en 15 februari 2008 geen schorsende werking heeft, althans de schorsende werking aan het verzet van CroHo c.s. te ontzeggen. Daarnaast vordert de Ontvanger te bepalen dat CroHo c.s. moet dulden dat de ten laste van hun in beslag genomen roerende zaken door de Ontvanger worden verkocht, met hoofdelijke veroordeling van CroHo c.s. in de kosten van dit geding.

standpunt CroHo c.s.

3.2 CroHo c.s. voeren verweer en betwisten dat zij misbruik maken van hun bevoegdheid. Zij concluderen tot afwijzing van het door de Ontvanger gevorderde, dan wel bij een eventuele toewijzing van het gevorderde het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van dit geding.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Van een spoedeisend belang van de Ontvanger bij zijn vorderingen is voldoende gebleken. De Ontvanger wenst zo snel mogelijk een nieuwe openbare verkoop van de in beslag genomen roerende zaken te plannen, zodat hij tot inning van de belastingschulden kan overgaan. De in beslag genomen roerende zaken verminderen in waarde. Het verweer van CroHo c.s. dat de antieke zaken niet in waarde dalen, maar eerder in waarde stijgen, is wellicht juist, maar dit kan niet worden gezegd van alle overige in beslag genomen roerende zaken, zoals de bedrijfsinventaris.

4.2 Op grond van artikel 17 lid 2 Iw 1990 schorst het instellen van verzet de werking van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden.

De Ontvanger heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat CroHo c.s. met het instellen van het verzet misbruik maken van hun bevoegdheid en dat deze daarom dient te worden opgeheven, verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 1994, NJ 1995, 411 en de nadien daarop gebaseerde jurisprudentie.

In dat arrest heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:

"(...) dat de regel dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt, voor een geval als het onderhavige meebrengt dat een belastingschuldige, die in verzet is gekomen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel teneinde schorsing van de executie te bewerkstelligen, de voor hem uit art. 17 lid 2 voortvloeiende bevoegdheid om zich op de schorsing van de tenuitvoerlegging te beroepen misbruikt indien hij, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen zijn belang bij handhaving van schorsende werking van het verzet en het belang van de ontvanger bij voortgang van de executie dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid de aan het verzet verbonden schorsing van de executie niet kan inroepen".

en vervolgens:

"Vooropgesteld moet worden dat (...) de rechter aan zijn oordeel dat een belastingplichtige (...) zijn bevoegdheid misbruikt door de aan het verzet verbonden schorsing van de tenuitvoerlegging in te roepen, ten grondslag kan leggen dat het verzet, gelet op hetgeen de belastingplichtige ter ondersteuning daarvan heeft aangevoerd, zo duidelijk kansloos is dat het belang van de belastingplichtige bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging".

4.3 De vraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is daarom of het verzet van CroHo c.s. misbruik van bevoegdheid oplevert, omdat het bij voorbaat zo kansloos moet worden geacht dat het belang van CroHo c.s. bij schorsing niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de executie.

Vooropgesteld dient te worden dat de bij de wet aan de Ontvanger gegeven bevoegdheid om tot uitwinning over te gaan voor hem een onmisbaar instrument is tot invordering, ten behoeve van de schatkist en daarmee van het algemeen belang, van op andere wijze niet te innen premies en belastinggelden. Dit vertegenwoordigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zodanig zwaarwegend belang dat het indien tot executie wordt overgegaan, slechts in uitzonderingsgevallen zal moeten wijken voor de op zich zelf mogelijk zeer aanzienlijke belangen van de belastingschuldige.

Het belang van CroHo c.s. bij afwijzing van de gevraagde voorziening is erin gelegen dat zij voortzetting wensen van beide ondernemingen. Een verkoop van de in beslag genomen zaken betekent het einde van Y & X B.V en CroHo Productions. Daardoor zullen zij geen inkomsten meer genereren. Alles wat ze hebben opgebouwd zal, zo stellen CroHo c.s., in één klap teniet worden gedaan.

Niet in geschil is dat CroHo c.s. belastingschulden hebben. Door de Ontvanger is erkend dat in feite sprake is van een gedeeltelijke dubbeltelling, omdat X en Y ook in persoon aansprakelijk worden gehouden voor de belastingschuld van CroHo Productions. Echter, ook indien deze dubbeltelling in mindering wordt gebracht, resteren nog aanzienlijke belastingschulden aan de zijde van CroHo c.s..

4.4 Uit de verzetdagvaardingen van CroHo c.s. blijkt een drietal verzetsgronden:

a) X en Y valt geen verwijt te maken van het ontstaan van de schulden van CroHo Productions waarvoor zij aansprakelijk zijn gesteld door de Ontvanger;

b) de Ontvanger heeft onrechtmatig gehandeld jegens CroHo c.s. als gevolg waarvan zij een vordering uit onrechtmatige daad op de Ontvanger hebben die kan worden verrekend met de belastingschuld;

c) er bestaat onduidelijkheid over de vraag wie eigenaar is van de in beslag genomen goederen, zodat de voorgenomen verkoop van de Ontvanger voorbarig is.

4.4.1 ad a) Het standpunt van de Ontvanger dat deze verzetsgrond evident kansloos is, wordt gevolgd. Uit artikel 17 lid 3 Iw 1990 volgt dat het verzet niet gegrond kan zijn op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Uit artikel 52 lid 2 Iw 1990 volgt dat dit artikel eveneens geldt voor aansprakelijkheidsschulden. Slechts indien de tenuitvoerlegging een belastingaanslag betreft die nog niet onherroepelijk vaststaat en ook bij marginale toetsing zo twijfelachtig is wat de materiële juistheid betreft dat de Ontvanger in redelijkheid niet had mogen beslissen om tot invordering over te gaan, kan op deze bepaling een uitzondering worden gemaakt. Onweersproken is dat de betreffende aanslagen onherroepelijk zijn.

4.4.2 ad b) De stelling van de Ontvanger dat ook deze verzetsgrond evident kansloos is, slaagt, nu ingevolge artikel 24 lid 1 Iw 1990 verrekening van een vermeende vordering uit onrechtmatige daad op de Ontvanger niet mogelijk is. Reeds daarom kan voornoemde verzetsgrond niet slagen, zodat een verdere bespreking van hetgeen CroHo c.s. betreffende deze verzetsgrond hebben gesteld achterwege kan blijven. Het toestaan van verrekening van vermeende vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad van belastingschuldigen op de Ontvanger met belastingschulden zou overigens een praktisch onwerkbare situatie opleveren voor de Ontvanger.

4.4.3 ad c) Deze verzetsgrond faalt eveneens. De voorzieningenrechter is van oordeel dat CroHo c.s. hun stelling dat de eigendomsverhoudingen niet duidelijk zijn, onvoldoende hebben onderbouwd of geconcretiseerd. De Ontvanger heeft onbetwist gesteld dat hij meerdere keren aan CroHo c.s. heeft verzocht om een onderbouwing van de eigendomspretenties van CroHo c.s.. CroHo c.s. hebben daarop uiteindelijk enkel een inventarislijst overgelegd met letters die zouden verwijzen naar de rechthebbende van de betreffende zaken. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende. Tot slot zij hier opgemerkt dat de Ontvanger heeft toegezegd dat de verkoop zo veel mogelijk zal plaatsvinden met inachtneming van de eigendomclaims. Deze verzetsgrond vormt dan ook geen reden om de voorgenomen verkoop geen doorgang te laten vinden.

4.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet vooralsnog worden geoordeeld dat het verzet evident kansloos is en dat het belang van CroHo c.s. bij schorsing van de werking van de dwangbevelen niet opweegt tegen het algemeen belang van de Ontvanger bij voortzetting van de executie. CroHo c.s. misbruiken hun bevoegdheid door de aan het verzet verbonden schorsing van de tenuitvoerlegging in te roepen. Met de Ontvanger is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verzetsgronden in wezen neerkomen op het verkrijgen van nader uitstel van betaling. Niet weersproken is, dat aan de lopende verplichtingen niet wordt voldaan door CroHo c.s., zodat de totale schuld aan de Ontvanger verder oploopt. Partijen verschillen overigens kennelijk van mening of er al dan niet nog een verzoek van CroHo c.s. tot uitstel van betaling bij de Ontvanger openstaat, maar het voert in het bestek van dit kort geding te ver om daarover een oordeel te geven. Genoegzaam is gebleken dat de Ontvanger in het onderhavige geval niet op een andere wijze dan door executie de belastinggelden kan innen. CroHo c.s. hebben immers ook geen concrete betalingsvoorstellen gedaan. De enkele mogelijkheid dat executie als neveneffect kan hebben dat een onderneming beëindigd dient te worden, al dan niet mede veroorzaakt door publiciteit van de aangekondigde openbare verkoop, maakt de executie op zich niet onrechtmatig, zeker niet in een geval dat er geen reëel uitzicht op betaling op korte termijn wordt geboden.

4.6 Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de Ontvanger gevorderde voorzieningen als na te melden voor toewijzing gereed liggen. CroHo c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. bepaalt dat het door CroHo c.s. gedane verzet van 14 en 15 februari 2008 geen schorsende werking heeft;

II. bepaalt dat CroHo c.s. moeten dulden dat de ten laste van hun in beslag genomen roerende zaken door de Ontvanger worden verkocht;

III. veroordeelt CroHo c.s. hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 268,= aan verschotten en € 816,= aan salaris van de procureur;

IV. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.