Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD1913

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
92896 FT RK 288/2008
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening teneinde uithuiszetting te voorkomen, ingediend tegelijkertijd met verzoek tot opheffing van faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Verzoeker in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

Zaaknummer: 92896 FT RK 288/2008

Datum uitspraak: 21 maart 2008

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren op,

wonende te Almelo,

Het procesverloop

Op 18 maart 2008 is op diens verzoek het faillissement van [verzoeker] uitgesproken.

[verzoeker] heeft op 20 maart 2008 een verzoekschrift ingediend het faillissement op te heffen onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

In het verzoekschrift is eveneens gevraagd een voorlopige voorziening te treffen teneinde uithuiszetting te voorkomen.

[verzoeker] is niet gehoord op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De beoordeling:

Bij vonnis van 4 december 2007 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [verzoeker] betreffende de woning aan de [] te Almelo ontbonden en [verzoeker] veroordeeld vorengenoemde woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis van de kantonrechter te ontruimen.

Op 10 maart 2008 is de ontruiming van de woning van [verzoeker] aan de [] te Almelo op 26 maart 2008 aangezegd.

De rechtbank merkt, mede gelet op de wijze van indiening, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening teneinde uithuiszetting te voorkomen aan als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 287 lid 4 Faillissementswet.

In artikel 287 lid 4 Faillissementswet is bepaald dat de voorlopige voorziening moet worden gevraagd in het verzoekschrift of, indien dit al is ingediend, bij afzonderlijk verzoekschrift. Met het eerstgenoemde verzoekschrift wordt gedoeld op het verzoekschrift zoals dat is omschreven in artikel 284 Faillissementswet. Het thans door [verzoeker] gedane (omzettings)verzoek is een verzoek ex artikel 15b lid2 Fw. In artikel 15b lid 2 Faillissementswet wordt bepaald dat een gefailleerde een verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling moet indienen bij een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Faillissementswet.

De rechtbank overweegt dat, nu het indienen van een verzoekschrift tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling dient plaats te vinden op de wijze die in artikel 284 Faillissementswet is voorgeschreven, geconcludeerd zou kunnen worden dat de weg van het laten treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet voor [verzoeker] zou openstaan.

De rechtbank overweegt daartoe dat de mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet is bestemd voor het geval dat in afwachting van de behandeling van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, derhalve voorafgaand aan en ten behoeve van een succesvolle wettelijke regeling een toestand wordt gefixeerd. In de onderhavige situatie is daartoe geen noodzaak: er is sprake van fixatie ten gevolge van een insolventieregime, namelijk het uitgesproken faillissement.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] door tijdens zijn faillissement een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet in te dienen, een oneigenlijke weg bewandelt. Niet aannemelijk is dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een vereenvoudigde mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige voorziening voorafgaand aan (en ten behoeve van) een insolventieregime ook te laten gelden voor de periode gedurende welke een (ander) insolventieregime reeds van toepassing is.

Nu [verzoeker] failliet is verklaard, is er reeds sprake van een gefixeerde situatie. Voor zover die fixatie zich niet uitstrekt over het aan de orde zijnde onderwerp, de vordering tot ontruiming, dient ter voorkoming van een mogelijk onrechtmatige ontruiming de “normale weg” van een kort geding te worden gevolgd.

De rechtbank verklaart [verzoeker] in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillisssementswet dan ook niet-ontvankelijk.

De rechtbank concludeert, op grond van artikel 287 lid 6 Faillissementswet dat de rechtbank niet is gehouden [verzoeker] te horen op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet.

Het verzoekschrift tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal op 13 mei 2008 ter zitting door de rechtbank worden behandeld. [verzoeker] zal bij afzonderlijk schrijven voor deze behandeling worden opgeroepen.

De beslissing:

De rechtbank:

verklaart [verzoeker] in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet niet-ontvankelijk.

Gewezen door mr. G.G. Vermeulen, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 21 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.