Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD1864

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
06 / 1308 GEMWT N1 A
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitbreiding van een woning heeft gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden door belanghebbenden van een inrit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 1308 GEMWT N1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiser 1] en [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: mr. M.A.A. Gockel-Gieskes, advocaat te Zevenaar,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wierden,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 25 september 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de woning op het perceel [adres] in [woonplaats]. Daarbij heeft verweerder ook vrijstelling van het bestemmingsplan verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Bij beslissing op bezwaar van 17 augustus 2004 heeft verweerder dit besluit gehandhaafd op een andere wettelijke grondslag, te weten vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het hiertegen gerichte beroep is bij uitspraak van 19 april 2006, kenmerk 04/940, gegrond verklaard. Verweerder is hierbij opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eisers.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, opnieuw beslissend in bezwaar, met een aangepaste motivering het primaire besluit gehandhaafd, wederom gebaseerd op artikel 19, tweede lid, van de WRO. Hiertegen hebben eisers bij faxbericht van 3 november 2006 beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 14 maart 2008 waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd, terwijl verweerder, ondanks dat hij daartoe was opgeroepen, niet is verschenen.

Overwegingen

Het geschil

1.1 Kort samengevat heeft de rechtbank in haar uitspraak van 19 april 2006 onder andere geoordeeld dat verweerder in zijn besluitvorming de gevolgen van het bouwplan voor het verkeer op het weggetje naast de woning van eisers (verder: het weggetje) had moeten betrekken. Hij had dit niet gedaan en ook deze gevolgen niet in kaart gebracht, zodat hij in strijd had gehandeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.2 Verweerder heeft het bestreden besluit om de verleende vrijstelling en bouwvergunning te handhaven, voor zover relevant, ten eerste gebaseerd op de overweging dat de inrit die door de uitbreiding van de woning deels wordt dichtgebouwd (verder: de inrit) al sinds 1981 niet meer als doorgang naar het achterliggende terrein kan worden gebruikt. Daardoor kan het niet zo zijn dat door het bouwplan het verkeer op het weggetje toeneemt, dat de enige andere toegangsweg tot het betreffende terrein is. Ten tweede heeft verweerder een verkeerstelling uitgevoerd. Daaruit volgt dat de verkeersbewegingen gelijkmatig over de dag zijn verdeeld en dat niet meer dan twee verkeersbewegingen per uur plaatsvinden. Omdat op het weggetje niet hard kan worden gereden en de woonkamer van eisers niet aan de kant van het weggetje is gelegen, kan niet worden gesproken van een onevenredige aantasting van de belangen van eisers, aldus verweerder. De rechtbank overweegt dat deze tweede grondslag niet is te verenigen met de eerste grondslag. Als het bouwplan geen effect zou kunnen hebben op het verkeer is het niet meer nodig de gevolgen van het bouwplan op het verkeer te onderzoeken. De rechtbank begrijpt daarom dat de tweede grondslag moet worden gezien als een subsidiaire, voor het geval de eerste grondslag geen stand zou kunnen houden.

1.3 Eisers hebben, kort gezegd, tegen het bestreden besluit ingebracht dat de inrit tot aan de realisatie van het vergunde bouwplan steeds als inrit kon worden gebruikt en ook daadwerkelijk als zodanig functioneerde. De verkeerstellingen zijn verder niet representatief voor de feitelijke verkeersbewegingen en verweerder heeft verzuimd eisers voorafgaand aan het bestreden besluit over de verkeerstelling te horen.

1.4 In het navolgende zal de rechtbank zo nodig de gronden van het besluit en het beroep nader weergeven.

Het oordeel over het geschil

2.1 Als eerste zal de rechtbank nagaan of voldoende aannemelijk is dat de inrit al sinds 1981 niet meer als doorgang naar het achterliggende terrein kan worden gebruikt.

2.2 De rechtbank overweegt dat zij beide partijen, eisers in persoon en verweerder bij gemachtigde, heeft opgeroepen ter zitting te verschijnen. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat partijen onder andere zullen worden gehoord over de vraag of toegang via de inrit voorheen wel mogelijk was. Verweerder heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven omdat hij, volgens een brief van 27 februari 2008, het houden van een hoorzitting “niet erg zinvol” achtte. Daarmee is verweerder de wettelijke verplichting van artikel 8:27, eerste lid, van de Awb niet nagekomen. Op grond van artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. Verweerder is bij de oproeping zowel gewezen op zijn verschijningsplicht als op de gevolgen die kunnen zijn verbonden aan niet-nakoming van deze plicht.

2.3 In de onderhavige zaak hebben partijen tegenstrijdige standpunten ingenomen over de gebruiksmogelijkheden van de inrit. Door niet ter zitting te verschijnen kon verweerder geen antwoord geven op vragen over zijn standpunt en over zijn betwisting van het standpunt van eisers. De rechtbank zal daarom uit de niet-nakoming van de verschijningsplicht de gevolgtrekking maken dat het standpunt van verweerder geen stand kan houden en het standpunt van eisers moet worden gevolgd.

2.4 Eisers hebben aangevoerd dat de inrit ook na 1981, tot aan de realisatie van het bouwplan, een grote deel van het jaar vrij als inrit kon worden gebruikt en dat er ook daadwerkelijk gebruik van werd gemaakt. Ergens na 1991 werd in de inrit jaarlijks vanaf Koninginnedag tot half september een terras met een beweegbaar windscherm ingericht, maar ook dan werd de inrit nog wel gebruikt. Eisers hebben deze stelling onder andere onderbouwd met foto’s en schriftelijke verklaringen van getuigen. De rechtbank neemt nu uitdrukkelijk en zonder voorbehoud deze stelling van eisers als vaststaand aan.

2.5 Dit betekent dat de eerste grondslag van het bestreden besluit geen stand kan houden. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Awb omdat een onjuist feit als motivering is gebruikt. Verder is het bestreden besluit in strijd met de artikel 3:2 van de Awb omdat het onderzoek van verweerder heeft geleid tot een onjuiste feitenvaststelling.

3.1 Verweerder heeft als tweede aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat eisers door het aantal verkeersbewegingen over het weggetje niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit op dit punt niet in stand kan blijven omdat zij niet in bezwaar zijn gehoord over de verkeerstellingen waarop de afweging van verweerder is gebaseerd.

3.2 De rechtbank overweegt, dat in artikel 7:2 van de Awb geen algemene verplichting is opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank waarbij de eerste beslissing op bezwaar is vernietigd. Onder omstandigheden kan het uit een oogpunt van zorgvuldigheid echter noodzakelijk zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar opnieuw te horen. Een verplichting tot horen zal bovendien bestaan als feiten en omstandigheden bekend worden die voor de te nemen beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang kunnen zijn, als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb (vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 mei 2005 (JB 2005, 186) en 22 september 2004 (AB 2005, 202)).

3.3 Naar het oordeel van de rechtbank is het resultaat van de verkeerstelling een dergelijk feit van aanmerkelijk belang. In verweerders afweging van de bij het besluit betrokken belangen heeft het aantal gemeten verkeersbewegingen, zowel in totaal als verspreid over de dag, immers nadrukkelijk een rol gespeeld. Verweerder had eisers daarom moeten horen, zeker nu niet uit het dossier blijkt dat eisers op een andere manier hun zienswijze op de uitkomsten van de telling hebben kunnen geven. Dit wordt niet anders door het betoog van verweerder dat het bij de verkeerstelling zou gaan om “objectief geconstateerde feiten”. Juist de objectiviteit en representativiteit van de verkeerstelling had op de hoorzitting aan de orde kunnen komen. Bovendien hadden eisers de gelegenheid moeten hebben hun mening te geven over de interpretatie van de resultaten en de betekenis die de waargenomen verkeersbewegingen hebben voor hun woonsituatie.

3.4 Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikel 7:9 van de Awb tot stand gekomen. Ook om die reden is het beroep gegrond.

4.1 De rechtbank is nagegaan of er reden is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Eisers hebben immers in beroep alsnog hun zienswijze op de verkeerstelling kunnen geven en verweerder heeft daarop kunnen reageren. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat echter nog steeds twijfel over de waarde van de verkeerstelling.

4.2 Eisers hebben aangevoerd dat tijdens de periode waarin de verkeerstelling werd uitgevoerd een aantal reguliere gebruikers van het weggetje hun auto niet meer op het achterterrein parkeerde en het weggetje dus niet meer gebruikte. Hierdoor zou de verkeerstelling geen goed beeld geven van de werkelijkheid. Verweerder heeft aangevoerd dat hij niet anders kan dan met technische apparatuur het aantal verkeersbewegingen te meten. De bewijslast dat tijdens de tellingen het gedrag van de gebruikers wijzigde, ligt volgens verweerder bij eisers.

4.3 Naar het oordeel van de rechtbank rustte echter in het onderhavige geval op verweerder de plicht na te gaan of de telling juist werd uitgevoerd en dit in het bestreden besluit nader te motiveren. Eisers hebben immers al bij brief van 29 mei 2006 aan verweerder medegedeeld dat zij hebben waargenomen dat het gebruik van het weggetje aanzienlijk is verminderd sinds voor de verkeerstelling een kabel is aangebracht over het weggetje. Deze mededeling is gedaan kort na het begin van de telling, die is uitgevoerd in de periode van 19 mei tot en met 21 juni 2006. Na deze brief had het op de weg van verweerder gelegen te controleren dat het verkeersonderzoek niet werd gefrustreerd. Het is niet gebleken dat hij dit heeft gedaan.

5.1 Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw een beslissing op bezwaar moeten nemen.

5.2 Gelet hierop acht de rechtbank het billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep (artikel 8:75 van de Awb). Dit zijn reiskosten (tweemaal retour [woonplaats]-Almelo) en de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (te berekenen naar één punt voor het indienen van het beroepschrift, een half punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en één punt voor het bijwonen van de zitting, bij een zaak van gemiddelde zwaarte).

3. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 816,04, door de gemeente Wierden te betalen aan eisers;

- verstaat dat de gemeente Wierden aan eisers het griffierecht ad EUR 141, vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gegeven door mr. M.E. van Wees, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008

Afschrift verzonden op

CK