Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD0700

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
08/700256-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, die bij uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 april 2008 schuldig is bevonden aan het leiding geven aan een criminele organisatie die zich onder meer bezighield met grootschalige export van soft drugs (LJN BC9899), wordt in een daarmee samenhangende zaak veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte. Vrijspraak van witwassen, omdat niet bewezen kan worden dat de desbetreffende geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/700256-05

STRAFVONNIS

Uitspraak: 29 april 2008

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te Lelystad.

Terechtstaande dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 6 april 2006 in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van:

* een werkgeversverklaring gedateerd op 6 mei 2004 van Pegero Vastgoed Holding

BV en betreffende hem verdachte, (zakendossier 1, pag. 1016), en/of

* een werkgeversverklaring gedateerd 28 februari 2006 en/of een salarisspecificatie van de maand januari 2006 van CBT Vastgoedmanagers BV en (beiden) betreffende hem, verdachte (zakendossier 4, pag 4018 en 4019),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) die werkgeversverklaring(en) en/of die salarisspecificatie (telkens) heeft/hebben

gevoegd bij een aanvraag voor een hypothecaire lening bij de Bank of Scotland en/of de Fortis Bank NV en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die werkgeversverklaring(en) en/of die salarisspecificatie (telkens) was vermeld dat hij, verdachte, een dienstverband had bij Pegero Vastgoed Holding BV en/of CBT Vastgoedmanager(s) en/of die Pegero Vastgoed Holding BV en/of CBT Vastgoedmanager(s) hem, verdachte, loon had(den) betaald en/of loon verschuldigd was/waren;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 6 april 2006 in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

* de Bank of Scotland heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een hypothecaire geldlening van euro 120.000,--, in elk geval een geldbedrag, (zakendossier 1, aangifte pag. 1011 e.v.), en/of

* de Fortis Bank NV heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een hypothecaire geldlening van euro 470.000,--, in elk geval een geldbedrag, (zakendossier 4, aangifte pag. 4014 e.v.), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) ten behoeve van voornoemde hypothecaire geldlening(en) een valse werkgevers¬verklaring en/of een valse salarisspecificatie(s) verstrekt, waaruit zou moeten blijken dat verdachte een dienstverband had bij Pegero Vastgoed Holding BV en/of CBT Vastgoedmanagers BV, zulks terwijl verdachte (telkens) in werkelijkheid geen dienstverband had bij Pegero Vastgoed Holding BV en/of CBT Vastgoedmanagers BV, waardoor die bank¬instelling(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 1 augustus 2006 in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en), en wel:

- op of omstreeks 22 maart 2006 een (contante) storting van euro 9.500,-- op/van bankrekening 91.33.52.357, en/of

- op of omstreeks 22 maart 2006 een (contante) storting van euro 15.000,-- op/van bankrekening 913407569, en/of

- op of omstreeks 22 maart 2006 een (contante) storting van euro 9.000,-- op eigen rekening, en/of

- op of omstreeks 13 april 2006 een contante storting van euro 4.000,-- op bankrekening 91.33.52.357

- in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 17 juli 2006 (telkens) een bedrag van euro 386,09 per maand (als rentelast) voor het pand [adres] te Enschede, en/of

- in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 17 juli 2006 (telkens) een bedrag van euro 86,10 per maand als premie levensverzekering hypothecaire lening voor het pand [adres] te Enschede, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die/dat voorwep(en) gebruik heeft gemaakt terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(zaakdossier 19)

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

Namens verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding voor wat betreft het onder feit 2 onder het 1e en 2e gedachtenstreepje tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard nu uit de omschrijving van het tenlastegelegde onvoldoende kan worden afgeleid wat aan verdachte wordt verweten.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Door de vermelding van de datum, de bankrekeningnummers en de geldbedragen in de tenlastelegging is, mede gelet op de inhoud van het zaaksdossier 19, naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk wat verdachte wordt verweten.

De rechtbank acht echter niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 2 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met name is niet bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf. Verdachte heeft verklaard dat het genoemde geldbedrag ad 9.000,-- EURO dat hij op 22 maart 2006 contant op zijn eigen rekening heeft gestort, afkomstig was van autohandel. Dit is een mogelijkheid die volgens de rechtbank niet uitgesloten kan worden.

Over de andere contante stortingen genoemd in de tenlastelegging onder sub 2 heeft verdachte verklaard dat hij deze bedragen heeft geleend van een tweetal medeverdachten in het Bank-onderzoek. Verdachte heeft in dit kader verklaard niet te weten hoe de medeverdachten aan deze geldbedragen zijn gekomen. De herkomst van deze geldbedragen is in het onderzoek ook niet aan het licht gekomen, zodat ook van deze geldbedragen niet bewezen kan worden dat deze van misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1, primair, tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 mei 2004 tot en met 6 april 2006 in de gemeente Enschede en elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van:

* een werkgeversverklaring gedateerd op 6 mei 2004 van Pegero Vastgoed Holding BV betreffende hem, verdachte en

* een werkgeversverklaring gedateerd 28 februari 2006 en een salarisspecificatie van de maand januari 2006 van CBT Vastgoedmanagers BV beide betreffende hem, verdachte, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte en zijn mededader die werkgeversverklaringen en die salarisspecificatie hebben gevoegd bij een aanvraag voor een hypothecaire lening bij de Bank of Scotland en de Fortis Bank NV en bestaande die valsheid hierin dat op die werkgeversverklaringen en die salarisspecificatie was vermeld dat hij, verdachte, een dienstverband had bij Pegero Vastgoed Holding BV en CBT Vastgoedmanagers en dat die Pegero Vastgoed Holding BV en CBT Vastgoedmanagers hem, verdachte, loon hadden betaald en loon verschuldigd waren.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1, primair, meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf:

"Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”,

strafbaar gesteld bij artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het sub 2, 5e en 6e gedachtestreepje wordt vrijgesproken en terzake het sub 1, primair, en sub 2, 1e t/m 4e gedachtestreepje, tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen.

Verdachte heeft ter verkrijging van hypothecaire geldleningen gebruik gemaakt van vervalste werkgeversverklaringen en salarisspecificaties. Deze stukken werden verstrekt aan financiële instellingen, welke instellingen vervolgens de hypothecaire leningen verstrekten. De instellingen deden dat verkerende in de onjuiste veronderstelling dat verdachte een bepaald bedrag aan vaste inkomsten uit arbeid had. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij geen witte inkomsten had en dat financiële instellingen, indien zij daarvan op de hoogte zouden zijn, hem nooit een hypothecaire geldlening zouden verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bij voornoemde handelingen louter zijn eigen financiële belangen voor ogen heeft gehad en op geen enkel moment de belangen van de instellingen heeft meegewogen. Daarbij heeft hij ook misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem werd gesteld, welk vertrouwen noodzakelijk is voor het bestaan van het systeem van financiële zekerheidstelling. Dat, zoals verdachte stelt, individuele bankmedewerkers eventueel bekend zouden zijn met de valsheid van de stukken doet daaraan niet af.

Gelet op de ernst van het feit en ter normhandhaving is naar het oordeel van de rechtbank, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur thans de meest passende straf. De rechtbank heeft daarbij, op voet van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht, een eerdere veroordeling van verdachte in haar overweging betrokken. Dit betreft het vonnis van de rechtbank Almelo van 18 april 2008, waarbij verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormeld artikel, op artikel 10, 27, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 1 primair tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee (2) maanden.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Stoové, voorzitter, mr. Teekman en mr. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van Wolbers, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 april 2008.