Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BD0053

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
08.710685-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als autobestuurder in juli 2007 - onder invloed van alcohol, drugs en een antidepressivum - de maximumsnelheid overtreden en een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hierbij is een jeugdige fietser om het leven is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met haar roekeloze handelswijze een onaanvaardbaar risico heeft genomen en zichzelf en andere verkeersdeelnemers heeft blootgesteld aan een gevaarlijke situatie. Dit heeft de dood van een fietser tot gevolg gehad. Verdachte is in het verleden reeds eerder veroordeeld terzake overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Door haar handelen geeft verdachte er blijk van zich van die eerdere veroordeling niets aan te trekken en de daarin begrepen waarschuwing volledig te negeren alsmede het laakbare van haar handelen niet in te zien. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, ontzegging van de rijbevoegdheid gedurende 3 jaren en TBS met bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/46
NJFS 2008, 147
VR 2009, 55

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/710685-07

STRAFVONNIS

Uitspraak: 22 april 2008

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in P.I. Overijssel, P.I.V. Zwolle te Zwolle

terechtstaande terzake dat:

zij op of omstreeks 21 juli 2007, te Overdinkel, gemeente Losser, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Glanestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft zij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl zij (aanmerkelijk) onder invloed was van alcohol en/of cannabis en/of seroxat, met een snelheid van (ongeveer) 85 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, althans met een snelheid die -gezien de verkeerssituatie ter plaatse- te hoog was, op die weg gereden en/of het door haar bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehad en/of is zij, verdachte, niet voortdurend in staat geweest de handelingen te verrichten die van haar werden vereist en/of kon

zij het door haar bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand brengen binnen de afstand die zij kon overzien en/of heeft zij bij het inhalen van een ander voertuig onvoldoende zijdelingse afstand bewaard, immers heeft zij, verdachte, (vervolgens)

-kennelijk met het voornemen om één of meer voor haar op die Glanestraat rijdende fietsers in te halen- zodanig gemanoeuvreerd dat zij met het door haar bestuurde motorrijtuig tegen een fietser (genaamd [slachtoffer]) en/of de fiets van die [slachtoffer] is gereden en/of gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, althans zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/althans (ernstig) hersenletsel, werd toegebracht, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zoukunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 21 juli 2007 te Overdinkel, gemeente Losser, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,89 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

en/of

zij op of omstreeks 21 juli 2007, te Overdinkel, gemeente Losser, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Glanestraat, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kon worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kon worden gehinderd,

immers heeft zij, verdachte, terwijl zij (aanmerkelijk) onder invloed was van

alcohol en/of cannabis en/of seroxat, met een snelheid van (ongeveer) 85 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, althans met een snelheid die -gezien de verkeerssituatie ter plaatse- te hoog was, op die weg gereden en/of het door haar bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehad en/of is zij, verdachte, niet voortdurend in staat geweest de handelingen te verrichten die van haar werden vereist en/of kon

zij het door haar bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand brengen binnen de afstand die zij kon overzien en/of heeft zij bij het inhalen van een ander voertuig onvoldoende zijdelingse afstand bewaard, immers heeft zij, verdachte, (vervolgens)

-kennelijk met het voornemen om één of meer voor haar op die Glanestraat rijdende fietsers in te halen- zodanig gemanoeuvreerd dat zij met het door haar bestuurde motorrijtuig tegen een fietser (genaamd [slachtoffer]) en/of de fiets van die [slachtoffer] is gereden en/of gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, althans zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/althans (ernstig) hersenletsel, werd toegebracht;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in haar verdediging niet geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat

verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 21 juli 2007, te Overdinkel, gemeente Losser, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Glanestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft zij, verdachte, roekeloos en onoplettend, terwijl zij aanmerkelijk onder invloed was van alcohol en cannabis en seroxat, met een snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur op die weg gereden en het door haar bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehad en is zij, verdachte, niet voortdurend in staat geweest de handelingen te verrichten die van haar werden vereist en kon

zij het door haar bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand brengen binnen de afstand die zij kon overzien en heeft zij bij het inhalen van een ander voertuig onvoldoende afstand bewaard, immers heeft zij, verdachte, -kennelijk met het voornemen om één of meer voor haar op die Glanestraat rijdende fietsers in te halen- zodanig gemanoeuvreerd dat zij met het door haar bestuurde motorrijtuig tegen een fietser genaamd [slachtoffer] en/of de fiets van die [slachtoffer] is gereden, waardoor [slachtoffer] werd gedood, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

Met betrekking tot vorenvermelde bewezenverklaring overweegt de rechtbank nog in het bijzonder:

Door de raadsman is aangevoerd dat geen sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994, maar dat zijn cliënte slechts een grove verkeersfout heeft begaan, nu zij het slachtoffer, dat aan de verkeerde (linker-) kant van de weg fietste en de weg ineens dwars overstak, niet heeft gezien, omdat zij gefixeerd was op de fietsers aan de rechterzijde van de weg en deze wilde inhalen.

De rechtbank overweegt dat met “roekeloosheid” in artikel 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld. Dit zijn gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag met een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid, waarbij welbewust onaanvaardbare risico’s zijn genomen met desastreuze gevolgen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte onder invloed van een antidepressivum, drugs en een aanzienlijke hoeveelheid alcohol en na een ruzie met haar vriend, in haar auto is gestapt en deze auto heeft bestuurd over een van fietssuggestiestroken voorziene 60 km/u weg, terwijl zij de maximum snelheid behoorlijk overschreed, een ongeluk heeft veroorzaakt, waarbij een jeugdige fietser om het leven is gekomen.

Naar aanleiding van voornoemd verweer van de raadsman van verdachte dat de fietser [slachtoffer] aan de verkeerde kant van de weg fietste en de weg overstak op het moment dat zijn cliënte aan kwam rijden en aldus medeschuld aan het ongeval zou hebben, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de uitspraak van het Hof Den Bosch van 29 oktober 2003, VR 2004, 64, waarmee de rechtbank zich verenigt, in zijn algemeenheid de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, de schuld aan de zijde van verdachte niet opheft. Ondanks de door het slachtoffer gemaakte fout, door aan de verkeerde kant van de weg te fietsen, blijven de gedragingen van verdachte in onverminderde mate roekeloos en boeten derhalve aan schuld niet in. De rechtbank weegt mee dat het ongeval plaats vond bij daglicht en op een overzichtelijk weggedeelte en dat uit de vermijdbaarheidsberekening uit het proces-verbaal (verkeersongevalanalyse) is af te leiden dat de aanrijding, indien verdachte zich zou hebben gehouden aan de toegestane maximum snelheid, niet zou hebben plaatsgevonden.

Uit de overschrijding van de maximale snelheid in samenhang met voornoemde vastgestelde omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank afgeleid dat verdachte onaanvaardbare risico’s heeft genomen door onder invloed van zowel drugs, medicatie en drank en in een zeer emotionele gemoedstoestand haar auto te besturen. De rechtbank concludeert dat dergelijk handelen door verdachte zeker als roekeloos verkeersgedrag is aan te merken.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

"Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 eerste en tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994",

strafbaar gesteld bij artikel 6 jo. artikel 8 jo. artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een haar strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest,

alsmede tot een terbeschikkingstelling met voorwaarden,

alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van 3 jaren met aftrek

en met verbeurdverklaring van de auto, te weten een rode Mazda.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straffen en maatregelen behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Het dient verdachte ernstig te worden aangerekend dat zij, onder invloed van verschillende stoffen, waaronder een antidepressivum, drugs en een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, haar auto heeft bestuurd en dat zij, terwijl zij de maximum snelheid behoorlijk overschreed, een ongeluk heeft veroorzaakt, waarbij een jeugdige fietser om het leven is gekomen. Verdachte heeft met haar roekeloze handelswijze een onaanvaardbaar risico genomen en zichzelf en andere verkeersdeelnemers blootgesteld aan een gevaarlijke situatie en de mogelijk daaruit voortvloeiende ernstige gevolgen, welke gevolgen voor het slachtoffer [naam] ook daadwerkelijk zijn ingetreden.

Verdachte is in het verleden reeds eerder veroordeeld terzake overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Door haar handelen geeft verdachte er blijk van zich van die eerdere veroordeling niets aan te trekken en de daarin begrepen waarschuwing volledig te negeren alsmede het laakbare van haar handelen niet in te zien.

Met betrekking tot het opleggen van na te melden maatregel terbeschikkingstelling heeft de rechtbank nog in het bijzonder in aanmerking genomen:

A.

De door drs. P.A. de Mon, psychiater, d.d. 01 december 2007 opgemaakte rapportage, welke, zakelijk weergegeven, ondermeer het navolgende inhoudt:

Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens namelijk alcoholafhankelijkheid, cannabis- en speedmisbruik. De verslavingsproblematiek is thans in gedwongen remissie vanwege de detentie van betrokkene. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens namelijk een low level borderline persoonlijkheidsstoornis.

Gezien de duurzaamheid van de diagnose persoonlijkheidsstoornis was hier ook sprake van ten tijde van het tenlastegelegde. Betrokkene is sinds enkele jaren bekend met verslavingsproblematiek. Hier was dus ook sprake van tijdens het tenlastegelegde. Betrokkene was tijdens het tenlastegelegde in sterke mate onder invloed van drank. Daarnaast was zij ook onder invloed van een antidepressivum (Seroxat) en cannabis.

Betrokkene heeft vanwege de aanwezige persoonlijkheidsproblematiek haar impulsen maar matig onder controle en daardoor weinig vat op haar gedrag. Tijdens het tenlastegelegde was zij sterk onder invloed van alcohol, had zij een antidepressivum gebruikt en een joint gerookt. De toch al gebrekkige impulscontrole zal door het overmatige alcoholgebruik nog gebrekkiger zijn geworden waardoor betrokkene nog minder goed in staat was de gevolgen van haar gedrag goed te kunnen overzien. Het feit dat betrokkene bovendien ruzie had met haar vriend maakte dat zij in een zeer emotionele gemoedstoestand in de auto stapte. Zij was gezien haar emotionele gemoedstoestand vrijwel geheel overgeleverd aan haar impulsen waar zij mede vanwege haar alcoholgebruik geen weerstand aan kon bieden. Doordat haar vriend haar achterna reed, voelde betrokkene zich toenemend opgefokt, gespannen en opgejaagd. Zij ging zich steeds meer op hem fixeren, verloor daarbij de maximaal toegestane snelheid uit het oog en was mede als gevolg van haar overmatige alcoholgebruik en het gebruik van Seroxat niet meer in staat om adequaat auto te rijden met het noodlottige ongeval als gevolg.

Betrokkene dient alle factoren in ogenschouw nemend met betrekking tot het tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd te worden.

Betrokkene is van mening dat de kans op recidive nihil is en zij is er van overtuigd dat zij haar verslavingsproblematiek inmiddels onder controle heeft. Betrokkene laat hier een sterke mate van zelfoverschatting zien die zeker niet reëel is. Zonder enige vorm van behandeling, wordt de kans op recidive als zeer groot ingeschat.

Een behandeling is geïndiceerd om de psychopathologie van betrokkene zodanig te bewerken dat de kans op recidive zoveel mogelijk geminimaliseerd wordt. Een zeer dwingend juridisch kader zal noodzakelijk zijn niet alleen om betrokkene in behandeling te krijgen maar ook te houden. Er moet te allen tijde voorkomen worden dat betrokkene in een behandeling kan afhaken.

De rapporteur wil de rechtbank dan ook in overweging geven om betrokkene een TBS met voorwaarden op te leggen zodat zij verplicht wordt zich te laten behandelen. Een dergelijke behandeling zou vorm gegeven kunnen worden bij een forensisch psychiatrische polikliniek zoals de Tender te Deventer of een soortgelijke instelling waarbij er aanvankelijk gestart dient te worden met een deeltijdbehandeling waarna, indien voldoende stabilisatie is opgetreden, de behandeling ambulant gecontinueerd kan worden.

B.

De door drs. J.P.M. van der Leeuw, klinische psycholoog/psychotherapeut, d.d. 02 december 2007 opgemaakte rapportage, welke, zakelijk weergegeven, ondermeer het navolgende inhoudt:

Betrokkene heeft haar medewerking aan het onderzoek verleend zij het dat zij wel een geheugenverlies claimt voor een aantal gebeurtenissen, zowel ten tijde van het tenlastegelegde maar ook in de periode eraan voorafgaand.

Betrokkene is lijdende aan ziekelijke stoornissen en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is sprake van alcoholmisbruik (gedwongen in remissie), cannabisgebruik (gedwongen in remissie) en partner-relatieproblematiek bij een jonge vrouw met een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren bovengenoemde ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens aanwezig waarbij aangetekend moet worden dat betrokkene onder invloed verkeerde van alcohol, cannabis en een antidepressivum.

Betrokkene had een conflict met haar toenmalige vriend. Tevens had zij daaraan voorafgaand alcohol en drugs gebruikt en een antidepressivum. Door haar borderline persoonlijkheidsorganisatie is zij door deze gebeurtenissen behoorlijk ontregeld en ontredderd geraakt. In die geestestoestand is zij in de auto gestapt. Haar toenmalige vriend is haar achterna gereden en betrokkene heeft zich, mede door haar achterdochtige perceptie, opgejaagd en opgejut gevoeld, althans naar haar zeggen. Dit heeft bij betrokkene geleid tot kwaadheid, verdwaasdheid, onoplettendheid en mogelijk enige paniek. Tezamen hebben deze factoren de rijvaardigheid van betrokkene beïnvloed en heeft het tenlastegelegde aldus kunnen plaatsvinden. Vanwege genoemde factoren is betrokkene t.a.v. het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar te houden.

Bij betrokkene is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis waarvan zij zelf aangeeft dat zij er niet zoveel last van heeft en dat zij haar kwetsbaarheden wel onder controle heeft. Deze onjuiste inschatting is sterk risicobepalend. De kans is groot dat, indien betrokkene onbehandeld blijft, dat zij weer tot een partnerkeuze komt en een relatie aangaat die veel conflicten met zich meebrengt. Deze conflicten worden door betrokkene niet adequaat gehanteerd. Zij vlucht in alcohol en drugs en gevoelens van kwaadheid kunnen gemakkelijk de kop opsteken en leiden tot impulsief en onnadenkend gedrag. Het recidiverisico is derhalve groot.

De onderzoeker adviseert om betrokkene binnen het kader van een TBS met voorwaarden te verplichten tot een behandeling bij een forensisch psychiatrisch centrum waarbij in eerste instantie dagbehandeling plaatsvindt en nadien ambulante behandeling welke niet alleen gericht is op het delictsscenario maar ook op de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene en haar verslavingsproblematiek. Te denken valt bijvoorbeeld aan de Tender.

Daarnaast is een verplicht reclasseringscontact aangewezen om zowel de bedoelde behandeling te entameren, als toe te zien op de naleving van de voorwaarden, als begeleiding te geven bij het alledaagse functioneren van betrokkene wat betreft o.a. het wonen, de financien, eventueel werk, relaties enz.

C.

De door I. Younsi, reclasseringswerker Tactus, d.d. 07 april 2008 opgemaakte rapportage, welke, zakelijk weergegeven, ondermeer het navolgende inhoudt:

In de NIFP rapportage is er sprake van een low level borderline profiel, hetgeen betekent dat betrokkene een uiterst kwetsbaar iemand is die zeer snel ontregeld kan zijn. Tijdens onze ontmoeting met betrokkene herkennen wij de kwetsbaarheid van betrokkene.

In eerste instantie leek een TBS met voorwaarden een te zware maatregel en waren wij geneigd een verplicht reclasseringscontact te adviseren. Echter na het inlezen van de NIFP rapportages lijkt de impulscontrole, geen probleem- c.q. ziektebesef en verslavingsproblematiek dermate groot dat de befaamde stok achter de deur niet genoeg zal zijn voor betrokkene, waarbij de kans tot escapisme aanwezig is. Een TBS met voorwaarden lijkt in deze voldoende te kunnen fungeren om betrokkene te verplichten tot deelname aan behandeling en zich hieraan te houden.

Gelet op de adviezen die in de Pro Justitia rapportage geformuleerd zijn door mevrouw De Mon en de heer Van der Leeuwen willen wij hierbij de rechtbank adviseren om aan mevrouw Van Walsem TBS met voorwaarden op te leggen, waarbij onderstaand plan van aanpak als bijzondere voorwaarden zouden moeten gelden. In de TBS maatregel zullen wij hiertoe de Tender inzetten om betrokkene deel te laten nemen aan behandeling met eventuele medicamenteuze therapie, het RIBW zal betrokkene ondersteunen in wonen, werken, financiën en andere vraagstukken en Tactus zal betrokkene trachten te stabiliseren in haar middelengebruik waarbij gestreefd wordt naar abstinentie. Een duidelijke structuur voor betrokkene is van groot belang om behandeling en begeleiding te doen slagen in een TBS maatregel.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank rekening gehouden met voornoemde rapporten, van welke rapporten de rechtbank de inhoud en conclusie overneemt en tot de hare maakt. Uit de tekst van voornoemde rapporten volgt dat er bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waaruit de rechtbank concludeert dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Verder betreft het door verdachte begane feit een misdrijf waarop naar de wettelijk omschrijving een gevangenisstraf van negen jaar is gesteld, zijnde een misdrijf als bedoeld in artikel 37a lid 1 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, in aanmerking genomen de inhoud van voormelde rapporten en de ernst van het begane feit, het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling eisen, zodat de last daartoe zal worden gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat bij die last niet een bevel als bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht dient te worden gegeven. Wel dienen, ingevolge het bepaalde in artikel 38 van het Wetboek van strafrecht, ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, een aantal voorwaarden worden gesteld betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde, waarbij is uitgegaan van de voorwaarden zoals neergelegd in het maatregelrapport d.d. 07 april 2008 van mevr. I. Younsi, met opdracht aan na te melden instelling.

De verdachte heeft zich ter zitting tot naleving van die voorwaarden bereid verklaard.

Met name gelet op het karakter van verdachtes gedraging, waarmee zij haar plichten als verkeersdeelneemster in ernstige mate heeft veronachtzaamd, alsmede gelet op de ernstige gevolgen voor het slachtoffer, wiens jonge leven abrupt is afgebroken en het aangerichte onherstelbare leed bij de nabestaanden van dat slachtoffer, tevens gelet op de betrekkelijk jonge verdachte op wie het onderhavige delict begrijpelijkerwijze veel indruk heeft gemaakt, oordeelt de rechtbank dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur en een aanzienlijke en geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend is.

De rechtbank overweegt verder dat de onder verdachte inbeslaggenomen auto, vatbaar is voor verbeurdverklaring, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met behulp van welk voorwerp het feit is begaan.

Bij de verbeurdverklaring heeft de rechtbank op de voet van artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De na te melden straf en maatregelen zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 37a, 38, 38a, 91 van het Wetboek van Strafrecht

en op artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het primair tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van

15 maanden.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs overeenkomstig art. 179, lid 6 Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd is geweest.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen auto.

Gelast voorts dat verdachte ter beschikking wordt gesteld.

Verbindt aan deze maatregel de volgende voorwaarden:

- Betrokkene dient haar medewerking te verlenen aan eventuele medicamenteuze therapie, voorgeschreven door de behandelend arts/psychiater van De Tender of zonodig een andere door Tactus reclassering aan te wijzen arts/psychiater.

- Betrokkene zal zich ten uiterste inzetten geen verdovende middelen te gebruiken en geen alcohol te drinken.

- Betrokkene begaat geen justitiële regelovertreding.

- Betrokkene stelt zich bereid en meewerkend op voor hulpverlening van De Tender, of een andere door Tactus reclassering aan te wijzen instelling en houdt zich, als het tot een hulpaanbod van De Tender komt, aan de aanwijzingen en voorwaarden van De Tender. Daarbij geeft betrokkene De Tender toestemming informatie uit te wisselen met Tactus reclassering.

- Betrokkene verleent haar medewerking en stelt zich begeleidbaar op ten aanzien van het RIBW.

- Betrokkene zal met behulp van een arbeidsintegratietraject haar uiterste best doen om op zoek te gaan naar verantwoorde dagbesteding, ook als dat inhoudt betaalde arbeid.

- Betrokkene dient een volledig inzicht te geven in haar financiële huishouding aan Tactus reclassering. Indien noodzakelijk zal betrokkene ook haar medewerking geven aan andere budgetterende instanties, bijvoorbeeld een curator of de Stadsbank.

- Deelname aan de leefstijltrainingscursus om haar weedgebruik te reduceren.

- Zo nodig kan betrokkene worden aangemeld bij Tactus voor een middelengespreksgroep.

- Betrokkene houdt zich aan eventuele andere of aanvullende aanwijzingen en/of voorwaarden te geven door Tactus reclassering, ook als dat inhoudt drie maal per week gecontroleerd gebruik van Antabus bij de methadonpost te Enschede en ook als dat inhoudt meewerken aan urinecontroles of blaasproeven in verband met middelen/alcoholgebruik.

Geeft aan de Instelling voor verslavingszorg “Tactus” opdracht de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Wentink, voorzitter, mr. Derks en mr. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van Brockötter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 april 2008.