Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC9902

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
08/700176-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als leider deelgenomen aan een criminele organisatie die zich onder meer bezighield met de grootschalige uitvoer van softdrugs naar Duitsland. De rechtbank Almelo heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren en 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/700176-06

STRAFVONNIS

Uitspraak: 18 april 2008

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in het huis van bewaring Almere Binnen te Almere

terechtstaande -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting- terzake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 mei 2007 in de

gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, opzettelijk (als leider) heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van:

- het (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/althans/in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig hebben van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 140 lid 1/3 Wetboek van Strafrecht

art 11a lid 1/2 Opiumwet

art 3 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer (nader te noemen) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode

van 1 januari 2003 tot en met 8 mei 2007 in de gemeente Enschede en/althans

(elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland)

heeft gebracht en/of (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/althans/in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (een/nader te noemen) hoeveelheid/hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, en wel:

- in of omstreeks de periode van 29 september 2006 tot en met 25 november 2006, 24, althans een aantal keren (koerier [G]), een hoeveelheid/hoe¬veelheden (totaal ongeveer 480 kilogram) hennep (zakendossier 1), en/of

- in of omstreeks de periode van 12 augustus 2006 tot en met 24 november 2006, 36, althans een aantal keren (koerier [B]), een hoeveel¬heid/hoe¬veelheden (totaal ongeveer 720 kilogram) hennep (zakendossier 1), en/of

- in of omstreeks de periode van 3 oktober 2006 tot en met 20 november 2006, 14, althans een aantal keren (koeriers [M] en/of [P]), een hoe¬veel¬heid/hoe¬veelheden (totaal ongeveer 280 kilogram) hennep (zakendossier 2), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 5 april 2007, 27, althans een aantal keren (koeriers [G], [H] en [B]), een hoeveel¬heid/hoe¬veelheden (totaal ongeveer 540 kilogram) hennep (zakendossier 3), en/of

- in of omstreeks de periode van 15 mei 2006 tot en met 12 maart 2007, 14, althans een aantal keren, een hoeveelheid/hoeveelheden (totaal ongeveer 280 kilogram) hennep (zakendossier 4), en/of

- in of omstreeks de periode van 8 oktober 2005 tot en met 2 december 2005, 12, althans een aantal keren (koerier [C]), een hoeveelheid/hoeveelheden (totaal ongeveer 180 kilogram) hennep (zakendossier 5), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 oktober 2004, een aantal keren, een hoeveelheid/hoeveelheden (totaal ongeveer 578 kilogram) hennep (zakendossier 6), en/of

- in of omstreeks de periode van 29 augustus 2003 tot en met 15 mei 2004, 34, althans een aantal keren (koerier PK), een hoeveelheid/hoeveelheden (totaal ongeveer 510 kilogram) hennep (zakendossier 11), en/of

- in of omstreeks de periode van 7 januari 2004 tot en met 18 oktober 2004, 52, althans een aantal keren (koerier [LK]), een hoeveelheid/hoeveelheden (totaal ongeveer 780 kilogram) hennep (zakendossier 11), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 6 januari 2006, 17, althans een aantal keren (koerier [T]), een hoeveelheid/hoeveelheden (totaal ongeveer 425 kilogram) hennep (zakendossier 11),

- en/of/althans in die periode, op verschillende tijdstip(pen), met behulp van diverse koeriers, tenminste/totaal/ongeveer 4773 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid/heden, hasjiesj en/of hennep;

art 3 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meer (nader te noemen) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 mei 2007, in de gemeente Enschede en/althans/in elk geval (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, (telkens) (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, en wel:

- in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 14 november 2006 in een (winkel)pand aan de CJ Snuifstraat te Enschede (in totaal/ongeveer 1070, althans een groot aantal, hennepplanten), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 september 2005 tot en met 6 januari 2006 in een perceel/(bedrijfs)ruimte aan de Sumatrastraat te Enschede (in totaal/ongeveer 2100, althans een groot aantal, hennepplanten), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 februari 2006 in perceel/(bedrijfs)pand aan de Lenteweg te Enschede, (in totaal/ongeveer 2716, althans een groot aantal, hennepplanten) (zakendossier 12)

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 9 februari 2006, althans in of omstreeks de maand februari 2006, in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/althans/in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 3 kilogram, althans (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materia(a)l(en) bevattende cocaïne en/althans (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (zakendossier 7)

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2003 tot en met 31 januari 2007 in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijker¬wijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoet¬koming, te weten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt¬heidsverzekering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte toen daar nagelaten aan het UWV te melden of te berichten dat verdachte, in genoemd tijdvak inkomsten/verdiensten (al dan niet uit arbeid) genoot of ontving; (zakendossier 42)

art 227b Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 2, onder het 6e t/m 10e gedachtestreepje en sub 3, onder het 2e en 3e gedachtestreepje en sub 4 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met name is niet bewezen dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de uitvoer van hennep naar Duitsland in de gevallen als hiervoor aangegeven. Evenmin is de rechtbank gebleken van strafbare betrokkenheid van verdachte bij de op de percelen Sumatrastraat te Enschede en Lenteweg te Enschede aangetroffen hennepkwekerijen.

De rechtbank is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1, sub 2, onder het 1e t/m 5e gedachtestreepje en sub 3, onder het 1e gedachtestreepje en sub 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 8 mei 2007 in de gemeente Enschede en elders in Nederland, opzettelijk als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van:

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en opzettelijk telen en verkopen en afleveren en vervoeren van hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 8 mei 2007 in de gemeente Enschede en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland naar Duitsland heeft gebracht en telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en wel:

- in de periode van 29 september 2006 tot en met 25 november 2006, een aantal keren (koerier [G]), een hoeveelheid hennep, en

- in de periode van 12 augustus 2006 tot en met 24 november 2006, een aantal keren (koerier [B]), een hoeveelheid hennep, en

- in de periode van 3 oktober 2006 tot en met 20 november 2006 een aantal keren koerier [M]), een hoeveelheid hennep, en

- in de periode van 1 januari 2007 tot en met 5 april 2007, een aantal keren (koeriers [G], [H] en [B]), een hoeveelheid hennep en

- in de periode van 15 mei 2006 tot en met 12 maart 2007, een aantal keren, een hoeveelheid hennep.

3.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 november 2006, in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft geteeld een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, en wel:

- in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 14 november 2006 in een winkelpand aan de CJ Snuifstraat te Enschede 1070 hennepplanten.

5.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 januari 2007 in de gemeente Enschede en/of Hengelo (O), in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting te weten, artikel 80 van de Wet op de arbeids¬ongeschiktheidsverzekering (WAO), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vast¬stelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte toen daar nagelaten aan het UWV te melden of te berichten dat verdachte, in genoemd tijdvak inkomsten/verdiensten genoot of ontving

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1, sub 2, sub 3 en sub 5 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1, het misdrijf:

"Als leider deelnemen aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven", strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 2, het misdrijf:

"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", strafbaar gesteld bij de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet;

en wat betreft sub 3, het misdrijf:

“Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod”, strafbaar gesteld bij de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet,

en wat betreft sub 5, het misdrijf:

“In strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming”,

strafbaar gesteld bij artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het sub 1, sub 2 onder het 1e t/m 5e en 7e t/m 10e gedachtestreepje, sub 3, 1e en 2e gedachtestreepje en sub 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest, en met verbeurdverklaring van de voorwerpen als vermeld onder de nummers 1, 2, 26, 27, 29, 34, 36, 37, 38, 41, 46, 47, 48, 49, 70, 71, 72, 74, 75 en 76 op de lijst van de inbeslaggenomen voorwerpen en met teruggave van het inbeslaggenomen vrijwaringsbewijs (nr. 42 op de lijst van de inbeslaggenomen voorwerpen) aan de rechthebbende en onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen als vermeld met nummer 55 een 77 op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen. Terzake het sub 2 , 6e gedachtestreepje, sub 3, 2e gedachtestreepje en sub 4 tenlastgelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hetgeen voor drugsdelicten pleegt te worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank zich in zijn algemeenheid laten leiden door de rol die de verschillende verdachten in de criminele organisatie hebben gespeeld (onder meer leider, leidinggevende, koerier). Daarnaast heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken in hoeverre ieder van de verdachten betrokken is geweest bij de handel in en de export van softdrugs, alsmede de duur van de betrokkenheid bij de strafbare feiten.

Verdachte heeft zich gedurende meerdere jaren met zijn mededaders in georganiseerd verband bezig gehouden met de uitvoer vanuit Nederland naar Duitsland van grote hoeveelheden hennep waarbij de organisatie uit is geweest op geldelijk gewin. Verdachte vervulde binnen deze organisatie een leidende rol. De hennep vertegenwoordigde op de vrije markt een grote (illegale) geldwaarde. Bovendien werd de hennep geëxporteerd naar Duitsland. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan een klimaat van toenemende onveiligheid als gevolg van de vermogenscriminaliteit waarmee de uiteindelijke gebruikers de kosten van hun verslaving veelal bestrijden. Naast het voorgaande heeft de rechtbank eveneens rekening gehouden met het feit dat verdachte gedurende een langere periode dan zijn medeverdachte als leidinggevende bij de criminele organisatie betrokken is geweest en dat verdachte, terwijl hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering genoot, niet aan de op hem rustende verplichting heeft voldaan aan de uitkeringsinstantie te melden dat hij inkomsten/verdiensten genoot.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en ter normhandhaving is naar het oordeel van de rechtbank, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur thans de meest passende straf.

De rechtbank overweegt verder dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 1, 2, 26, 27, 29, 34, 36, 37, 38, 41, 46, 47, 48, 49, 70, 71, 72, 74, 75 en 76 op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan.

Bij de verbeurdverklaring heeft de rechtbank op de voet van artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 55 en 77 als vermeld op de lijst met de in beslag genomen voorwerpen, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Het inbeslaggenomen kentekenbewijs kan naar het oordeel van de rechtbank worden teruggegeven aan de rechthebbende

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen en, op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36b, 33c, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 3, 2e en 3e gedachtestreepje en sub 4, is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 1, sub 2, sub 3 en sub 5 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren en zes maanden.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen als vermeld onder de nummers 1, 2, 26, 27, 29, 34, 36, 37, 38, 41, 46, 47, 48, 49, 70, 71, 72, 74, 75 en 76 op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 55 en 77 als vermeld op de lijst met de inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen kentekenbewijs aan de rechthebbende.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1, 2, 3 en 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Stoové, voorzitter, mr. Teekman en mr. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van Wolbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 april 2008.