Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC9403

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
08/700145-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tbs’er met proefverlof schiet in uitgaansleven Enschede in op oud-werkgever, diens echtgenote en andere aawezigen. Echtgenote oud-werkgever overlijdt, vier anderen raken gewond. Rechtbank acht voorbedachte raad aanwezig en acht de man schuldig aan moord en poging tot moord, meermalen gepleegd en aan het voorhanden hebben van wapens en munitie. Gevangenisstraf van 24 jaar en tbs met dwangverpleging. Straf gaat uit boven de eis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/700145-07.

STRAFVONNIS

Uitspraak: 15 april 2008.

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

R.,

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te Arnhem-Zuid,

terechtstaande ter zake de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, dat:

1. hij op of omstreeks 4 maart 2007, te Enschede, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [Van G], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een pistool, althans een vuurwapen, ter hand genomen en/of dat pistool/vuurwapen op het lichaam van die [Van G] gericht (gehouden) en/of (vervolgens) met dat pistool/vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op, althans in de richting van het lichaam van voornoemde [Van G], waardoor voornoemde [Van G] door een kogel in de borst(streek), althans in het (boven)lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [Van G] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 4 maart 2007 te Enschede opzettelijk een persoon, genaamd [Van G], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet een pistool, althans een vuurwapen, ter hand genomen en/of dat pistool/vuurwapen op het lichaam van die [Van G] gericht (gehouden) en/of (vervolgens) met dat pistool/vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op, althans in de richting van het lichaam van voornoemde [Van G], waardoor voornoemde [Van G] door een kogel in de borst(streek), althans in het (boven)lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [Van G] is overleden;

2. hij op of omstreeks 4 maart 2007, te Enschede, meermalen althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer perso(o)n(en), genaamd [A] en/of [M] en/of [P] en/of [K] en/of [W] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een pistool, althans een vuurwapen, ter hand heeft genomen en/of dat pistool/vuurwapen (telkens) op het/de licha(a)m(en) van die perso(o)n(en) heeft gericht (gehouden) en/of (vervolgens) met dat pistool/vuurwapen (telkens) een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op, althans in de richting van, het/de licha(a)m(en) van die perso(o)n(en), waardoor een of meer van die perso(o)n(en) door een of meer kogel(s) in/op het lichaam is/zijn getroffen en/of geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 4 maart 2007, te Enschede, meermalen althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer perso(o)n(en), genaamd [A] en/of [M] en/of [P] en/of [K] en/of [W] van het leven te beroven, met dat opzet een pistool, althans een vuurwapen, ter hand heeft genomen en/of dat pistool/vuurwapen (telkens) op het/de licha(a)m(en) van die perso(o)n(en) heeft gericht (gehouden) en/of (vervolgens) met dat pistool/vuurwapen (telkens) een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op, althans in de richting van, het/de licha(a)m(en) van die perso(o)n(en), waardoor een of meer van die perso(o)n(en) door een of meer kogel(s) in/op het lichaam is/zijn getroffen en/of geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 4 maart 2007, te Enschede, meermalen althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer perso(o)n(en), genaamd [A] en/of [M] en/of [P] en/of [K] en/of [W], opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, een pistool, althans een vuurwapen, ter hand heeft genomen en/of dat pistool/vuurwapen (telkens) op het/de licha(a)m(en) van die perso(o)n(en) heeft gericht (gehouden) en/of (vervolgens) met dat pistool/vuurwapen (telkens) een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op, althans in de richting van, het/de licha(a)m(en) van die perso(o)n(en), waardoor een of meer van die perso(o)n(en) door een of meer kogel(s) in/op het lichaam is/zijn getroffen en/of geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 15 februari 2007 t/m 4 maart 2007, te Enschede, een (vuur)wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk FN, type 1910/1922, kaliber 7.65 mm), en/of voor dat wapen geschikte munitie van categorie III van genoemde wet, te weten een of meer kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2008;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De officier van justitie heeft aan verdachte onder sub 1 primair moord en subsidiair doodslag op [Van G] tenlaste gelegd en onder sub 2 primair poging tot moord en subsidiair poging tot doodslag op [A], [M], [P], [K] en [W].

De raadsman heeft betoogd, samengevat, dat het overtuigend bewijs van voorbedachte raad ontbreekt, zodat zijn cliënt van de onder sub 1 primair tenlastegelegde moord en van de onder sub 2 primair tenlastegelegde pogingen daartoe moet worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe het volgende.

Voor beantwoording van de vraag of sprake is geweest van voorbedachte raad dient de rechtbank te beoordelen of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Anders geformuleerd: of hij, om de bewoordingen van de tenlastelegging te gebruiken, heeft geschoten na kalm beraad en rustig overleg.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zich het volgende heeft voorgedaan.

In de vroege ochtend van 4 maart 2007 bevindt verdachte zich in café Peanuts in Enschede. In dat café bevindt zich ook zijn voormalige werkgever [A] die wordt vergezeld door meerdere personen, waaronder zijn echtgenote.

Vanuit dat café neemt verdachte per sms contact op met [S] en verzoekt hem zich met zijn vrienden bij hem, verdachte, te vervoegen in voornoemd café.

Vast staat dat verdachte in dat café de confrontatie zoekt met die [A], die echter niet ingaat op het provocerende gedrag van verdachte.

Dit blijkt uit de verklaring van onder meer [A] en [C], afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris in deze rechtbank.

Vast staat ook dat verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, in dat café aan de door hem opgetrommelde jongens, een doorgeladen pistool laat zien, dat hij even later, doorgeladen en wel, achter zijn broeksband stopt.

Kort nadat op 4 maart 2007 de groep [A] café Peanuts heeft verlaten, is ook de groep waar verdachte deel van uitmaakte, uit dat café vertrokken en is dezelfde kant uitgelopen als de groep [A].

Uit de verklaringen van [S] en [H] kan worden afgeleid dat bewust naar (de groep van) [A] is gezocht door (de groep van) verdachte.

Op het moment dat de groep van verdachte, [A] - die op krukken loopt - voor zich uit ziet lopen, zegt verdachte volgens de verklaring van [B]: “Kijk eens hoe snel hij er tussenuit gaat” en daarna: “Pak hem allemaal” en “Jullie blijven bij mij”. Ook [Aa] verklaart dat verdachte heeft gezegd: “Pak die man met de krukken”. Tussen het moment waarop verdachte Peanuts verliet en de schietpartij, neemt verdachte nog de tijd om tegen de etalage van een pand te plassen. Hij voegt zich daarna bij [De W] en [E] en vraagt aan de [De W]: “Wie staat daar?”, daarbij doelend op de groep [A] die zich voor hen bevond. [De W] antwoordt dat haar vriend daar stond waarop verdachte twee keer zegt “Haal hem op”. [De W] antwoordt: “Waarom, ik weet van niets.”

Ook de getuige [E] verklaart bij de politie dat verdachte aan [De W] vroeg of er nog iemand bij de groep [A] liep.

Verdachte trekt vervolgens zijn doorgeladen pistool, richt dat pistool - naar eigen zeggen - op [A] en schiet kort na elkaar tien keer met dat pistool in de richting van [A] en de personen in zijn directe nabijheid. Daarbij heeft hij vijf personen geraakt, waarvan één persoon, te weten [Van G], vrijwel direct het leven heeft verloren.

Direct daarna is verdachte - nog in het bezit van zijn pistool – weggerend.

Hoewel verdachte ter zitting heeft verklaard dat alles wat hij tegenover de politie heeft gezegd over zijn motieven om te schieten niet klopt, houdt de rechtbank hem aan zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen over wat hem die avond heeft bezield. Die verklaringen behelzen zakelijk weergegeven het volgende.

Verdachte stuurt zijn vriendin de bewuste avond rond 22.00 uur een SMS bericht met de inhoud: “Ik ga slapen, want anders ga ik iets of iemand slopen”.

Desondanks gaat hij naar verschillende cafés in de Enschedese binnenstad, alwaar hij een behoorlijke hoeveelheid alcohol nuttigt.

In Peanuts raakt verdachte geïrriteerd door [A] en wel zodanig dat hij zich ongeveer 20 minuten op een andere plek in het café ophoudt, omdat hij zich moest inhouden. Dat verdachte het vanaf dat moment gemunt heeft op [A] blijkt niet alleen uit zijn verklaring dat hij op dat moment denkt: “Ik ben er klaar voor”, maar ook uit zijn verklaring: “Als ik geen wapen had gehad, had ik [A] helemaal de tering geslagen”.

Hij trekt in Peanuts zijn doorgeladen pistool uit irritatie over [A].

Daarna, buiten lopend na het vertrek uit Peanuts, hoort hij alleen nog de, zoals verdachte zegt, “vieze” stem van [A] in zijn hoofd.

Tijdens het schieten richt hij op [A], kijkt hem daarbij aan, ziet dan het pistool en denkt: ik sta hier met een echt pistool te schieten. Hij schiet vervolgens zijn pistool leeg op de groep van [A], welke groep zich op ongeveer 20 meter afstand van verdachte bevindt.

Tussen het hiervoor beschreven moment van het in Peanuts tonen van het doorgeladen pistool en het daadwerkelijke tien keer schieten, zijn ongeveer 13 minuten verstreken. In die periode heeft verdachte gehandeld en gedacht zoals hiervoor vastgesteld. Tot het moment van het schieten droeg hij het pistool in die periode doorgeladen achter zijn broeksband en aldus binnen handbereik.

De rechtbank leidt uit dit alles af dat verdachte in elk geval dertien minuten de tijd heeft gehad om zich te beraden op het al dan niet schieten.

Hij heeft nog enige tijd staan plassen en op dat moment had hij gelegenheid zich te bezinnen. Hij heeft niet steeds de groep [A] in het oog kunnen houden en ook op die momenten kon hij zich beraden. Dat kon hij ook nog op het allerlaatste moment, toen hij [De W] vroeg wie zich bij de groep [A] bevond.

Ook uit het feit dat hij tegen [De W] tot twee keer toe heeft gezegd dat zij haar vriend uit die groep moest halen, leidt de rechtbank af dat hij toen nog de gelegenheid heeft gehad tot kalm beraad en rustig overleg.

Al deze feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Die voorbedachte raad strekt zich, naar vaste jurisprudentie, niet alleen uit over degene op wie verdachte het gemunt had, maar ook over de andere, zich in de groep [A], bevindende personen, waaronder (in elke geval) de getroffen personen.

De rechtbank acht daarom de tenlastegelegde moord en de meermalen gepleegde poging daartoe wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen – die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen – waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 primair, het sub 2 primair en het sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 4 maart 2007, te Enschede, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [Van G], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een pistool ter hand genomen en dat pistool op die [Van G] gericht en vervolgens met dat pistool kogels afgevuurd in de richting van voornoemde [Van G], waardoor voornoemde [Van G] door een kogel in de borststreek werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [Van G] is overleden;

2. hij op 4 maart 2007, te Enschede, meermalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade personen, genaamd [A] en [M] en [P] en [K] en [W] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een pistool ter hand heeft genomen en dat pistool telkens op die personen heeft gericht en vervolgens met dat pistool kogels heeft afgevuurd in de richting van die personen, waardoor meer van die personen door kogels in/op het lichaam zijn getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij in de periode van 15 februari 2007 tot en met 4 maart 2007, te Enschede, een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk FN, type 1910/1922, kaliber 7.65 mm) en voor dat wapen geschikte munitie van categorie III van genoemde wet, te weten kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 primair, sub 2 primair en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 primair en sub 2 primair de voortgezette handeling van de misdrijven: "moord" (1 primair) en “poging tot moord”, meermalen gepleegd (sub 2 primair), strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto de artikelen 45 en 56 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 3 het misdrijf:

"Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III", meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake 1 primair en 2 primair (als voortgezette handeling) en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging met daarbij de aanwijzing dat voornoemde maatregel pas ingaat na verloop van tweederde van de opgelegde gevangenisstraf en met toewijzing van de civiele vorderingen van [M] en [P] en telkens met oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel, en met onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen pistool en de munitie.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf en maatregelen behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald.

De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Feiten en omstandigheden

Verdachte is in de bewuste nacht met een doorgeladen pistool op stap gegaan in de binnenstad van Enschede. Hij heeft die nacht in elk geval een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank gebruikt. Hij droeg een doorgeladen pistool bij zich. Voor hem gold de maatregel van terbeschikkingstelling en hij wist na vele jaren behandeling dat hij zich bij opkomende gevoelens van agressie aan situaties die dergelijke gevoelens veroorzaken, diende te onttrekken.

Desondanks is hij, ook na een door hem als provocerend en beledigend ervaren treffen met zijn voormalige werkgever [A] de confrontatie blijven zoeken en alcohol blijven drinken. In deze opgewonden toestand heeft hij kennissen ingeseind om naar hem toe te komen en met deze personen volgt hij voornoemde [A] en diens vrouw en verder gezelschap na het verlaten van het café de stad in. Hij laat zich in zijn eigen groep dreigend over [A] uit en dit alles mondt uiteindelijk uit in een korte hevige schietpartij waarbij [Van G] gedood wordt en vier andere personen gewond raken.

Het doden van een mens is één van de zwaarste misdrijven die gepleegd kunnen worden en het is daarom dat de wetgever op dat feit, als moord gepleegd, de hoogste straf heeft gesteld die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent, namelijk een levenslange gevangenisstraf.

De moord op [Van G], die slechts 44 jaar mocht worden, heeft een bijna niet te bevatten verdriet en leed toegebracht aan haar man, haar kinderen, haar verdere familie, vrienden en kennissen. [A] zal moeten leven zonder zijn vrouw, haar kinderen zullen de zorg en liefde van hun moeder hun hele verdere leven moeten missen. Extra wrang is dat verdachte voor zijn handelen geen enkel motief heeft kunnen noemen zodat de nabestaanden nog steeds geen antwoord hebben op de vraag die hen sinds 4 maart 2007 bezighoudt: waarom?

[Naam dochter], de dochter van [Van G], heeft deze vraag ter terechtzitting nogmaals aan verdachte gesteld toen zij, gebruikmakend van haar spreekrecht, verwoordde wat de moord op haar moeder voor haar en haar familie voor een impact heeft gehad.

Ook toen is verdachte het antwoord schuldig gebleven.

Verdachte heeft slechts verklaard spijt te hebben maar deze verklaring heeft op de rechtbank een weinig doorleefde indruk gemaakt. Deze houding past overigens bij de koelbloedigheid en meedogenloosheid waarmee verdachte zijn pistool heeft leeggeschoten op een groep mensen.

Ook de poging tot moord op [A], [M], [P], [K] en [W] is een zeer ernstig feit. Dat het voor deze slachtoffers niet slechter is afgelopen, is een gelukkige omstandigheid die zeker niet de verdienste is geweest van verdachte, gelet op zijn gerichte schieten op een grote groep personen, waarvan ook deze slachtoffers deel uitmaakten.

Persoon van verdachte

Deze zaak is niet de eerste waarin verdachte met justitie in aanraking komt. Hij is meermalen veroordeeld, vaak voor geweldsdelicten, en zijn gewelddadig optreden heeft uiteindelijk geleid tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) waarbij in een later stadium een bevel tot verpleging is gegeven. De behandeling die hij in het kader van die TBS heeft ondergaan, is niet zodanig effectief geweest dat dit het plegen van de onderhavige feiten heeft kunnen voorkomen.

Over verdachte is op 22 februari 2008 gerapporteerd door de psychiater J.H. van Renesse en door de psycholoog A.J. de Groot, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht. Verdachte is in dat centrum daartoe onderzocht.

Ter terechtzitting hebben beide deskundigen de inhoud van hun rapport toegelicht, vragen beantwoord en kenbaar gemaakt de conclusies en adviezen zoals weergegeven in het rapport te handhaven.

Van het ter terechtzitting uitvoerig besproken onderzoek, vermeldt de rechtbank in het kader van de strafoplegging in het bijzonder de conclusie en het advies:

“Betrokkene (…) lijdt aan een ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. (…)geconcludeerd (kan) worden dat betrokkene in feite lijdt aan psychopathie, een karakterstoornis die in meer dynamische termen ook geformuleerd kan worden als agressief narcisme, een kwaadaardige vorm van narcisme waarbij agressie als het ware is geïntegreerd in het pathologisch opgeblazen zelf. Een psychische constellatie die het betrokkene mogelijk maakt om de eigen in het traumatisch verleden wortelende onbewuste angst en pijn te overwinnen door anderen angst en pijn te berokkenen.

(…)

In betrokkenes voorgeschiedenis is een aantal geweldsincidenten voorgevallen die veelal te maken hadden met betrokkenes antisociale hebzucht.

(…)

In het huidige tenlastegelegde staat veeleer de voor betrokkene langdurige en nooit vergeten narcistische krenking van betrokkene door diens voormalige werkgever op de voorgrond, die uiteindelijk tijdens een stapavond onverwacht na een zoveelste voor betrokkene ernstige narcistische krenking (hij – en in het verlengde daarvan zijn reputatie – wordt in zijn beleving ten overstaan van zijn “kameraden” bespot, getreiterd en racistisch bejegend) (…) tot uitbarsting komt in een levensdelict. Het overvloedige alcoholgebruik van betrokkene heeft daarbij een faciliterende invloed uitgeoefend (…).

(…) ook voor de toekomst (kan) weinig heil worden verwacht van het huidige behandelaanbod in de tbs-klinieken of elders.

In het bijzonder kunnen hier nog als negatieve therapiefactoren worden genoemd dat betrokkene op grond van zijn narcistische krenkbaarheid en de psychische noodzaak zich boven de ander te verheffen niet in staat is om in een vruchtbare werkrelatie met de therapeut diens confrontaties, hulp of gezag te aanvaarden en dat betrokkene door zijn geringe frustratietolerantie niet in staat is om een therapie ook bij tegenslag door te zetten.

De zelfcontrole van betrokkene is daarbij uiterst gering waardoor hij bij een geringe mate van stress snel zijn agressieve impulsen zal úitleven in plaats van béleven.

Als positieve factoren kunnen slechts worden genoemd: betrokkene’s intelligentie, zijn redelijke copingmechanismen en zijn, weliswaar oppervlakkige, sociaal-relationele vaardigheden die hij echter ook kan inzetten om de ander te manipuleren.

(…)

Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid- overeenkomstig een dergelijk besef – te bepalen.

(…) deze feiten (…) (kunnen) hem slechts in verminderde mate (…) worden toegerekend.

(…)

Wij achten op grond van het voorgaande slechts de oplegging van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging passend om de maatschappij afdoende te beschermen, waarbij deze maatregel in een gesloten setting restrictief ten uitvoer zou moeten worden gelegd, gezien het te verwachten uiterst geringe behandelresultaat en de ernst van het recidiverisico in geval van het verlenen van vrijheden. Wij adviseren dan ook om betrokkene in het kader van de tbs te plaatsen in een longstayvoorziening.”

De conclusie en het advies van de deskundigen neemt de rechtbank over en maakt zij tot de hare.

De straf en maatregel

De rechtbank heeft zich afgevraagd wat, al het voorgaande in aanmerking nemend, de meest passende sanctie voor deze verdachte is.

Gevangenisstraf

De ernst en het aantal bewezen verklaarde feiten, alsmede de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf een levenslange gevangenisstraf. Levenslange gevangenisstraf kan leiden tot adequate vergelding van de door verdachte begane strafbare feiten, tot vereffening van de schade die verdachte door de bewezen verklaarde feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht en tot optimale bescherming van de maatschappij tegen verdachte.

Ook de persoon van de verdachte geeft daartoe in beginsel aanleiding, nu zelfs een tbs met verpleging niet effectief is gebleken en verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd tijdens deze maatregel. Hoewel de rechtbank zich aldus nadrukkelijk heeft beraden over de vraag of in het onderhavige geval een levenslange gevangenisstraf dient te worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval redenen zijn om in plaats van een levenslange gevangenisstraf een zeer langdurige doch tijdelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat de feiten verdachte, die lijdt aan psychopathie, slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank heeft bovendien meegewogen dat verdachte pas 30 jaar is. De duur van de straf heeft de rechtbank als volgt bepaald. Het doden van een mens is een onomkeerbare daad en genoegdoening jegens de nabestaanden valt door het opleggen van een lange straf niet te bereiken. Leedtoevoeging jegens de dader als vergelding voor dit soort misdrijven is echter gerechtvaardigd en dient in casu te bestaan uit een zeer lange gevangenisstraf.

De rechtbank zal verdachte om die reden en uit het oogpunt van speciale preventie een gevangenisstraf van 24 jaren opleggen.

De rechtbank gaat daardoor uit boven de door de officier van justitie gevorderde straf en passeert eveneens hetgeen verdachtes raadsman naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft daartoe aanleiding gezien op grond van de overwegingen die tot de oplegging van de straf hebben geleid.

Maatregel van TBS met bevel verpleging van overheidswege

Omdat het gevaar op herhaling zonder behandeling groot is, kan met de oplegging van een gevangenisstraf, hoe langdurig ook, niet worden volstaan.

Gelet op verdachtes verleden en de vele behandelingen die hij heeft ondergaan, is de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging niet dadelijk de meest voor de hand liggende keuze.

Toch is de rechtbank van oordeel dat (ook) die maatregel opgelegd moet worden. Allereerst uiteraard omdat de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf met zich meebrengt dat verdachte op enig moment weer deel zal gaan uitmaken van de maatschappij. Een dergelijke terugkeer, zonder dat het gevaar dat verdachte thans vormt voor de veiligheid van anderen is weggenomen, is onverantwoord en onacceptabel. De rechtbank realiseert zich dat tenuitvoerlegging van de op te leggen maatregel bij de huidige stand van de wetenschap en tenuitvoerleggingspraktijk waarschijnlijk zal leiden tot plaatsing van verdachte in een zgn. longstayvoorziening. Hoewel de rechtbank dus ernstige bedenkingen heeft bij de mogelijkheid dat een behandeling voor de verdachte ooit zo effectief zou kunnen zijn dat hij op enig moment zonder gevaar weer in de maatschappij zou kunnen terugkeren, brengt zij door de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging tot uitdrukking die kans niet voor altijd uitgesloten te achten.

Daarbij baseert zij zich op de door psychiater Van Renesse ter terechtzitting gedane uitspraak dat de geneeskunde voortdurend verandert en men niet te snel mogelijke in de toekomst te ontwikkelen behandelingen dient op te geven of uit te sluiten.

Gelet op het bovenstaande adviseert de rechtbank om de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet eerder aan te laten vangen dan nadat tweederde van de op te leggen gevangenisstraf is ondergaan.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een pistool en acht patronen in een houder, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien, met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Civiele vorderingen:

De rechtbank overweegt verder, dat [M] en [P], ter zake van feit 2, zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier ter terechtzitting alsnog als benadeelde partij hebben gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave hebben gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van respectievelijk € 10.161,05 en € 8.214,90.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze niet door verdachte betwiste vorderingen van de benadeelde partijen geheel ([M]) en ten dele ([P]) gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht.

De schade bedraagt het door [M] gevorderde bedrag, zodat die vordering toewijsbaar is.

De schade bedraagt minder dan het door [P] gevorderde bedrag.

De rechtbank acht het redelijk en billijk dat beide benadeelde partijen een gelijk bedrag aan immateriële schade krijgen. Een bedrag van € 2.500,= als immateriële schadevergoeding acht de rechtbank ook redelijk en billijk, zodat de vordering van de benadeelde partij [P] tot een bedrag van € 2.714,90 toewijsbaar is, met niet-ontvankelijkheid van die benadeelde partij in het resterende deel van de vordering.

De rechtbank zal hierbij telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens beide slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 is toegebracht.

De na te melden straf en maatregel zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het sub 1 primair, het sub 2 primair en het sub 3 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van vierentwintig (24) jaren.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte terbeschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd, waarbij de rechtbank het advies opneemt dat na het ondergaan door verdachte van tweederde deel van de opgelegde gevangenisstraf wordt aangevangen met de verpleging van overheidswege.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen goederen, te weten het pistool en de munitie.

Veroordeelt verdachte, ter zake van het bewezen feit 2, tot betaling aan de benadeelde partij [M], [adres] van een bedrag groot: € 10.161,05.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door die benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot

€ 10.161,05 ten behoeve van de benadeelde [M], voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 80 dagen zal worden toegepast. Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte, ter zake van het bewezen feit 2, tot betaling aan de benadeelde partij [P], [adres] van een bedrag groot: € 2.714,90.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door die benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot

€ 2.714,90 ten behoeve van de benadeelde [P], voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 43 dagen zal worden toegepast. Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat voornoemde benadeelde partij: [P], voor een deel van

€ 5.500,= niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Bordenga, voorzitter, mr. Taalman en mr. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van Feijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 april 2008.