Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC8080

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
08-710750-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in de periode van 1 juni 2006 tot en met 17 augustus 2007 te Nijverdal zijn toenmalige levenspartner opzettelijk lichamelijk mishandeld door haar te schoppen en te slaan. Hierbij is het slachtoffer een keer zodanig in het gezicht geschopt of getrapt, dat zij als gevolg daarvan zwaar lichamlijk letsel, te weten een kaakfractuur, heeft bekomen. Daarnaast heeft verdachte seksuele gemeenschap gehad met zijn toenmalige levenspartner, terwijl deze in staat van bewusteloosheid verkeerde als gevolg van het gebruik van een grote hoeveelheid drugs, te weten GHB.

Bij de strafmaatoverwegingen legt de rechtbank in het nadeel van verdachte uit dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor de door hem gepleegde misdrijven en op geen enkele wijze berouw toont voor hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan. In het voordeel van verdachte strekt de omstandigheid dat er sprake is geweest van een problematische relatie tussen beiden, dat hij ter zake strafbare feiten niet eerder met justitie in aanraking is geweest en dat hij volgens het psychologisch rapport als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Strafrecht

parketnummer: 08/710750-08

datum vonnis: 28 maart 2008

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in het huis van bewaring te Almelo.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

14 maart 2008. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Gravendeel en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. J. Keupink, advocaat te Hengelo (O), naar voren is gebracht.

Het slachtoffer [naam] was op de zitting aanwezig. Zij heeft geen gebruik gemaakt van haar spreekrecht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in een periode van ruim anderhalf jaar meermalen schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige partner [slachtoffer], waarbij verdachte tijdens een van die mishandelingen het slachtoffer een gebroken kaak heeft geschopt. Verder wordt hem verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer], dan wel dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer], terwijl zij op dat moment buiten bewustzijn was tengevolge van overmatig gebruik van harddrugs, dan wel dat hij dit geprobeerd heeft.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met

17 augustus 2007 te Nijverdal, in de gemeente Hellendoorn (telkens) opzettelijk mishandelend zijn, verdachtes, levensgezel, te weten [slachtoffer], meermalen en/althans eenmaal in/op/tegen het gezicht en/of de schouderbladen en/of de benen, en/althans (elders) op/tegen het hoofd en/of lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen

tengevolge waarvan die [slachtoffer] (telkens) zwaar lichamelijk letsel (te weten een kaakfractuur) en/althans (telkens) pijn en/of letsel heeft bekomen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 20 augustus 2007 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) zijn toenmalige partner [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de anus en/ of de vagina althans in het lichaam geduwd/ gebracht

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] (heimelijk) een (grote) hoeveelheid drugs, te weten GHB en/of XTC en/of speed en of GBL en/althans een bedwelmende/bewustzijnsverminderende stof(fen) heeft/ hebben laten drinken/ nuttigen/gebruiken, en/of

- een deken van die [slachtoffer] heeft afgetrokken en haar op haar buik heeft gerold,en/of aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 augustus 2007 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, met zijn toenmalige partner [slachtoffer] van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil

daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- zijn penis in de anus en/of de vagina althans in het lichaam van die [slachtoffer]

gebracht, nadat hij die [slachtoffer] (heimelijk) een (grote) hoeveelheid drugs, te

weten GHB en/of speed en/of XTC en/of GBL en/althans een

bedwelmende/bewustzijnsverminderende stof had laten en/of zien

drinken/nuttigen/gebruiken.

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 augustus 2007 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer], van wie verdachte wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weestand te bieden, een of meer handeling(en) te plegen die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

zijn penis in de anus en/of de vagina, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gebracht, nadat hij die [slachtoffer] (heimelijk) een (grote) hoeveelheid drugs, te weten GHB en/of speed en/of XTC en/of GBL en/althans een bedwelmende/ bewustzijnsverminderende stof had laten en/of zien drinken/nuttigen/gebruiken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het sub 2 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Ter zake sub 1 en sub 2 subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en waarbij de tijd die door verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht wordt afgetrokken van de te ondergane gevangenisstraf. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 2.500,- en tevens dat hieraan de schadevergoedingsmaatregel wordt verbonden.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 feit 1

5.1.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen .

Verdachte woonde in de periode die op de tenlastelegging staat samen met zijn toenmalige levensgezellin [slachtoffer].

Op 17 augustus 2007 is er een ruzie geweest tussen verdachte en het slachtoffer [naam], waarbij [slachtoffer] letsel aan gezicht, bil en benen heeft opgelopen.

Op 7 januari 2007 is er opnieuw ruzie geweest tussen beiden. Verdachte heeft haar toen geslagen, waarna zij op de grond is gevallen. De volgende dag is bij haar een dubbele kaakfractuur geconstateerd.

5.1.2 De nadere bewijsoverwegingen van de rechtbank

De standpunten van verdachte en de officier van justitie

A)

Verdachte zegt dat hij nog wel weet dat hij op 17 augustus 2007 ruzie had met zijn toenmalige vriendin [slachtoffer], maar dat hij zich niet meer precies kan herinneren wat er toen gebeurd is. De raadsman refereert zich op dit punt.

De officier van justitie is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte op 17 augustus 2007 [slachtoffer] heeft mishandeld.

B)

Verdachte zegt over de ruzie die hij op 7 januari 2007 heeft gehad met [slachtoffer] dat zij hem heeft aangevallen, in eerste instantie met een ijzeren wijnrek en daarna heeft zij een bierfles tegen zijn hoofd gegooid. Hij heeft haar hierop een klap heeft gegeven waardoor zij is gevallen. Verdachte zegt dat hij het idee had dat zij op wilde staan en hem opnieuw wilde aanvallen. Verdachte heeft hierop zijn gestrekte been in haar richting gehouden om haar te beletten om op te staan. Tijdens het overeind komen is zij met haar hoofd tegen zijn schoen gekomen. De kaakfractuur kan mogelijk hierdoor zijn veroorzaakt.

De raadsman heeft aangevoerd dat de kaakbreuk bij [slachtoffer] ook kan zijn ontstaan door de val en niet door het feit dat zij in aanraking is gekomen met de schoen van verdachte.

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat dit letsel door de val is ontstaan, zoals de raadsman heeft aangevoerd, aangezien aangeefster verklaart dat zij achterover tegen de deur aanviel en vervolgens tegen de kin werd getrapt.

Bovendien heeft de verdachte zelf verklaard dat hij met zijn voet tegen haar kaak kwam, waardoor deze brak.

Het oordeel van de rechtbank

A)

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster [slachtoffer] waarin zij verklaart dat zij op 17 augustus 2007 in hun woning in [woonplaats] door verdachte is geschopt en geslagen tegen haar gezicht, schouder, benen en lichaam aannemelijk, nu die wordt ondersteund door de waarneming van de verbalisant dat zij letsel heeft.

Hieruit concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] op die datum door verdachte is mishandeld en hierdoor pijn en letsel heeft gekregen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zulks pijn oplevert.

B)

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster [slachtoffer] waarin zij verklaart dat zij in januari 2007 - nadat zij door verdachte ten val was gebracht - door hem tegen haar kin is getrapt aannemelijk.

De rechtbank concludeert dat er sprake moet zijn geweest van een trap, gelet op de aard en ernst van het letsel zoals door de medicus is vastgesteld. Het is volstrekt onaannemelijk dat [slachtoffers] kaak gebroken is doordat zij met haar hoofd zijn uitgestrekte been heeft geraakt.

5.2 feit 2

5.2.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen1.

Verdachte en zijn toenmalige partner [slachtoffer] hadden in april/mei 2007 in hun woning in [woonplaats] een samenkomst met [getuige 1] en [getuige 2].

[Slachtoffer] heeft tijdens dit samenzijn meerdere keren GHB gebruikt en is vervolgens bewusteloos geraakt. Verdachte was zowel van dit gebruik als van het bewusteloos raken op de hoogte.

5.2.2 De nadere bewijsoverwegingen van de rechtbank

De standpunten van verdachte en de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen.

Verdachte zegt dat hij [slachtoffer] alleen aan haar benen heeft getrokken om haar wakker te krijgen, zulks met de bedoeling om daarna seks met haar te hebben, maar dat hij niet met zijn penis in haar vagina of anus is geweest. [Getuige 1] - die verklaart dit gezien te hebben -

kan dit naar zijn mening niet gezien hebben.

De officier van justitie is van oordeel dat sprake is geweest van het seksueel binnendringen van een persoon die op dat moment bewusteloos was maar dat er geen sprake is geweest van verkrachting.

Het oordeel van de rechtbank

[Getuige 1] is zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris als getuige gehoord en zij heeft aldaar een verklaring afgelegd, die - zakelijk weergegeven - inhoudt dat er sprake is geweest van vaginale penetratie van [slachtoffer] door verdachte.

De rechtbank vindt die verklaring betrouwbaar. [Getuige 1] was van heel dichtbij getuige van het incident en er zijn geen redenen te vinden in het dossier waarom zij deze verklaring zou verzinnen.

Bovendien vindt haar verklaring ondersteuning in de verklaring van haar man, [getuige 2].

Gelet op het bovenstaande en gelet het feit dat [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris heeft gepersisteerd bij haar tegenover de politie afgelegde verklaring, is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat verdachte met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] is geweest.

5.3 De conclusie

Bewezenverklaring

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1 en sub 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 17 augustus 2007 te Nijverdal, in de gemeente Hellendoorn opzettelijk mishandelend zijn, verdachtes, levensgezellin, te weten [slachtoffer], tegen het gezicht en de schouderbladen en de benen en tegen het lichaam heeft geschopt en geslagen tengevolge waarvan die [slachtoffer] pijn en letsel heeft bekomen

en

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 17 augustus 2007 te Nijverdal, in de gemeente Hellendoorn opzettelijk mishandelend zijn, verdachtes, levensgezellin, te weten [slachtoffer], in het gezicht heeft geschopt of getrapt, tengevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een kaakfractuur) heeft bekomen;

2.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 augustus 2007 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, met zijn toenmalige partner [slachtoffer] van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht, nadat hij die [slachtoffer] een grote hoeveelheid drugs, te weten GHB had laten en/of zien drinken/nuttigen/gebruiken.

Vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 en sub 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 243 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

voor wat betreft sub 1 de misdrijven:

"Mishandeling"

en:

"Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft"

voor wat betreft sub 2 subsidiair het misdrijf:

"Met iemand van wie hij weet dat zij in staat van bewusteloosheid verkeert, handelingen

plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam".

7. De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat er voor wat betreft het voorval waarbij [slachtoffer] een kaakfractuur heeft opgelopen, sprake is van noodweer c.q. noodweerexces aan de zijde van verdachte, aangezien hij zich heeft moeten verdedigen tegen de aanvallen van Hofman.

Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen. Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan de gerechtvaardigde conclusie worden getrokken dat verdachte zich moest verdedigen. Wat er mogelijk ook zij van geweld door [slachtoffer], verdachte heeft hier excessief op gereageerd en hij heeft de grenzen van het toelaatbare in vergaande mate overschreden, nog los van het feit dat hij in de gelegenheid is geweest om de woning te verlaten en zodoende een (hernieuwd) treffen te voorkomen. Daarbij speelt een rol dat [slachtoffer] op de grond lag toen verdachte haar schopte in het gezicht. Verdachte is zelf de confrontatie met het slachtoffer [naam] aangegaan. Van een situatie van noodweer dan wel noodweerexces, zoals door de raadsman geschetst, is dan ook geen sprake.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

De rechtbank overweegt met betrekking tot de op te leggen straf als volgt:

Verdachte en het slachtoffer hebben elkaar ontmoet in een periode dat ze beiden onder behandeling stonden in verband met psychische problematiek. Uit het dossier en uit de behandeling ter terechtzitting komt naar voren dat de relatie een problematisch verloop heeft gekend, waarbij meerdere keren gewelddadigheden hebben plaatsgevonden. Het is niet onaannemelijk dat het slachtoffer zich hierbij ook niet geheel onbetuigd heeft gelaten.

Eén van de door verdachte gepleegde mishandelingen heeft geleid tot het bewezenverklaarde dubbele kaakfractuur, hetgeen als zwaar lichamelijk letsel wordt gekwalificeerd. De rechtbank houdt verdachte hiervoor volledig verantwoordelijk. Verdachte is ter terechtzitting niet aflatend bezig geweest zijn rol in het geheel te bagatelliseren en wel zodanig dat hij zich zelf de rol van slachtoffer heeft toebedeeld. Zijn lezing van het gebeuren staat naar het oordeel van de rechtbank haaks op hetgeen zich daadwerkelijk heeft afgespeeld en de rechtbank legt zijn verklaring dan ook in het nadeel van verdachte uit.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het hebben van seksuele gemeenschap met het slachtoffer [naam], terwijl zij op dat moment buiten bewustzijn was door overmatig drugsgebruik. In plaats van zich te bekommeren om het welzijn van zijn partner heeft verdachte zijn seksuele lusten op haar botgevierd. Dergelijk handelen getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een totale respectloosheid aan de zijde van verdachte.

Verdachte heeft hierdoor een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hij heeft het zelfbeschikkingsrecht op haar eigen lichaam in zeer vergaande mate geschonden, dit alles ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. De reële kans is aanwezig dat het slachtoffer [naam] door dit handelen nog gedurende lange tijd psychische en emotionele schade ondervindt. Ook hiervoor houdt de rechtbank verdachte verantwoordelijk.

Verdachte geeft ook hier weer een andere lezing van hetgeen zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. De zich in het dossier bevindende verklaringen omtrent de feitelijke toedracht zijn naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en consistent en laten geen enkele ruimte voor twijfel. De rechtbank zal ook in dit geval de door verdachte afgelegde verklaring in zijn nadeel uitleggen.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten hoeft het geen betoog dat aan verdachte een straf behoort te worden opgelegd die - deels - onvoorwaardelijke vrijheidsstraf inhoudt.

Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank bij haar overwegingen de oriëntatiepunten straftoemeting betrokken zoals deze voor de onderhavige feiten zijn vastgesteld. Deze geven aan als uitgangspunt voor de mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 8 maanden en voor de seksuele gemeenschap met een bewusteloze een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 16 maanden.

Bij de strafmaatoverwegingen legt de rechtbank in het nadeel van verdachte uit dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor de door hem gepleegde misdrijven en hij ook op geen enkele wijze berouw toont voor hetgeen hij het slachtoffer [naam] heeft aangedaan.

In het voordeel van verdachte strekt de omstandigheid dat er sprake is geweest van een problematische relatie tussen verdachte en het slachtoffer [naam] en de rol die het slachtoffer daarbij heeft gehad. Daarnaast is in het voordeel van de verdachte het feit dat hij ter zake strafbare feiten niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Over verdachte is een psychologisch rapport uitgebracht door de psycholoog drs. H. Scharft. De rechtbank heeft hiervan kennis genomen en zij maakt de inhoud en conclusie tot de hare. Verdachte moet ten tijde van de bewezenverklaarde feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot de conclusie dat aan verdachte een

- deels- onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd, zoals hierna zal worden bepaald.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

Het slachtoffer [naam] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.500,- ter zake immateriële schade, dit bij wege van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ook heeft het slachtoffer gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank behoort de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is weliswaar komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer, maar het vaststellen van de hoogte van de schade is niet van eenvoudige aard. De vordering leent zich dan ook niet voor een behandeling binnen deze strafprocedure. De benadeelde partij dient haar vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank,

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het sub 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 5.3 omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 en sub 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven onder 6 vermelde strafbare feiten oplevert;

straf

veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van twintig maanden.

beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte groot vijf maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

benadeelde partij

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke recht kan aanbrengen

Aldus gewezen door mr. K.J.C. Geeve, voorzitter, mr. H. Bloebaum en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 28 maart 2008.