Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7735

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
75848 ha za 06-83
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2008, 51
JE 2008, 261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 75848 ha za 06-83

datum vonnis: 27 februari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te Enschede,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. J. Vestering.

Het procesverloop

In conventie en in reconventie:

1. X heeft bij inleidende dagvaarding van 16 december 2005 gedagvaard. Na een akte van schorsing zijdens Dexia is de procedure middels een akte tot hervatting voortgezet en heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie genomen. X heeft vervolgens een conclusie van repliek (ook akte vermeerdering van eis) in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie (ook antwoordakte vermeerdering van eis) tevens houdende conclusie van repliek in reconventie. Na een conclusie van dupliek in reconventie zijdens X hebben partijen vonnis verzocht.

Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:

2. X is in maart 1998 benaderd door een medewerkster van Verzekerd Spaarplan Nederland (hierna: VSN), een cliëntenremisier van (de rechtsvoorganger van) Dexia, die X voorhield producten te verkopen, waarmede aan vermogensopbouw kon worden gedaan.

3. Op 20 maart 1998 sloot X een Capital Effect af, onder nummer

20006679 met maandbetaling van € 68,-/Hfl 149,86 (bijlage 1 bij conclusie van eis). Op deze overeenkomst heeft X 83 termijnen betaald, te weten in totaal € 5.644,-.

4. Het aankoopbedrag van de (achterliggende) aandelen bedroeg in totaal

Hfl. 11.972,84, de totaal te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomst bedroeg

Hfl. 13.201,96, zodat de totaal overeengekomen leasesom bedroeg Hfl. 26.974,80.

5. Verdere voorwaarden (voor zover van belang):

2. Deze lease-overeenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van

180 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdag van de waarden, behoudens tussentijdse opzegging.

3. Lessee kan deze lease-overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddelijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom op dat moment.

(“....”).

4. De lease-som bedraagt het totaal van 180 gelijke termijnen van Hfl. 149,86.

(“….”).

7. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze leaseovereenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.

6. Vanaf september 2005 is X opgehouden aan haar betalingsverplichting te voldoen. Dexia heeft vervolgens per 10 november 2005 de overeenkomst Capital Effect beëindigd. De opbrengst van de aandelen bleek echter niet toereikend om de lening te voldoen. Reden waarom Dexia de eindafrekening heeft opgemaakt die als bijlage 4 is gevoegd bij de conclusie van eis in conventie. De aldus berekende restschuld bedraagt

€ 671,93, welk bedrag niet door X aan Dexia is voldaan.

7 Aan X is € 739,03 aan dividend uitbetaald.

8. Bij brief van 10 oktober 2005 heeft X Dexia aansprakelijk gesteld, de Capital Effect buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot terugbetaling van de inleg met toepassing van een door deze rechtbank in enige andere zaken gehanteerde billijkheidsformule (bijlage 3 bij conclusie van eis). Het voorgaande baseert X onder meer op de bepalingen van de volgens haar ten deze toepasselijke Wet Consumenten Krediet respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 dezer wet zulks in de zin van de aandelenleasejurisprudentie dezer rechtbank (Dexia-Cosar LJN AS 4746 e.v.).

9. X heeft een verklaring afgelegd zoals is bedoeld in artikel 7:908 BW en heeft daarmee te kennen gegeven dat zij niet aan de Duisenberg-regeling gebonden wil zijn.

De standpunten van partijen

In conventie:

10. X vordert (na wijziging/vermeerdering van eis bij conclusie van repliek):

I. Voor recht te verklaren dat de overeenkomst Capital Effect nietig is;

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting: € 5.308,42;

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de

onderscheiden deelbetalingen zijn verricht althans de dag dat Dexia in verzuim is

(15 november 2005) althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der

betaling.

IV. Dexia op verbeurte van een dwangsom te bevelen het BKR op te dragen de

A-notering op naam van X ongedaan te maken.

V. Dexia te veroordelen in de proceskosten,

VI. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

11. Bij repliek vult X de grondslag van haar vordering aan met de stelling dat Dexia jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het feit dat het optreden van VSN als zodanig is te kwalificeren en Dexia in het verlengde daarvan eveneens, zulks in de zin van een viertal vergelijkbare uitspraken dezer rechtbank van 27 september en 4 oktober 2006 (punt 7 CvR) en vermeerdert de eis (onder I.) bij wijze van alternatief, met verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is.

Het verweer

12. Dexia stelt dat de aandelenleaseovereenkomst Capital Effect is afgesloten via de assurantietussenpersoon VSN die X ter zake heeft geïnformeerd en geadviseerd. Na getoonde interesse van X heeft VSN haar een aanvraagformulier verschaft en de Bank heeft dat door X ondertekend retour ontvangen. Vervolgens heeft de Bank de overeenkomst aan VSN verstuurd. Dexia stelt daarmede aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

13. Dexia wijst er in dit kader op dat partijen het jaar daarvoor, te weten op

23 september 1997, een gelijksoortige overeenkomst hadden gesloten. Die overeenkomst is beëindigd op de wijze dat X heeft ontvangen € 1.442,07. Deze overeenkomst is ook naar zeggen van Dexia geen onderwerp in deze procedure.

14. Voor wat betreft het hier aan de orde zijnde contract geldt, dat wordt voorzien in aflossing van de aankoopsom en diende X uit hoofde van deze overeenkomst gedurende de looptijd een maandelijks bedrag, bestaande uit rente en aflossing over de aankoopsom van de portefeuille, aan de Bank te voldoen. Volledigheidshalve wijst de Bank erop dat hierbij na het verstrijken van de looptijd van deze overeenkomst geen zogenaamde restschuld kan ontstaan. Slechts in het geval deze tussentijds wordt beëindigd, hetgeen in casu het geval is geweest, bestaat de mogelijkheid dat X nog een bedrag verschuldigd is.

15. Voorts betwist Dexia hier de toepasselijkheid van de Wet Consumenten Krediet, stelt dat wettelijke rente in voorkomend geval eerst verschuldigd is vanaf het moment dat er verzuim aan de orde is, verzet zich tegen kostenveroordeling en concludeert tot afwijzing van de vordering van X.

16. Ten aanzien van het optreden van VSN als effectenbemiddelaar zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellingsregeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995, zulks vanwege de omstandigheid dat VSN niet enkel X als klant bij de Bank heeft aangebracht maar, zich ook heeft beziggehouden met advisering en/of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de overeenkomst leidt: niet de overeenkomst zelf is strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens het handelen van de tussenpersoon.

17. Het ontbreken van een vergunning op basis van de Wck acht Dexia geheeld vanwege het feit dat Dexia ingaande 1 januari 2006 beschikt over een vergunning ex artikel 10 van de Wet financiële Dienstverlening, die blijkens artikel 102 Wfd de Wck-vergunning vervangt en mitsdien ex artikel 32:58 BW het eerder ontbreken van een vergunning repareert.

18. Naar aanleiding van de door X nader gestelde grondslag van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomst duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat, maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van

NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden.

19. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door haar genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in haar vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

In reconventie:

20. In reconventie vordert Dexia het na het aflopen van de overeenkomst nog openstaande bedrag van € 671,15 met daarover de wettelijke rente. Dit met veroordeling van X in de kosten van dit geding. Een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

21. Dexia stelt daartoe dat X voormeld totaalbedrag verschuldigd is geworden op basis van de eindafrekening van 6 oktober 2005 (bijlage 4 bij de conclusie van eis in reconventie).

22. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van het in reconventie gevorderde onder aanvoering van hetgeen van de zijde van X in conventie is aangevoerd. Het bedrag van de restschuld lost zich op in de door de rechtbank toe te passen formule.

De beoordeling

In conventie:

Wet Consumenten krediet

23. De rechtbank handhaaft haar standpunt dat de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is als na te melden. De rechtbank oordeelt de WCK op deze overeenkomst Capital Effect van toepassing nu geen sprake is van overschrijding (leasesom: € 21.864,00) van het hier voor de toepassing van de WCK geldende “beschermingsplafond” van € 22.652,--. De in het jaar daarvoor gesloten overeenkomst laat de rechtbank hierbij buiten beschouwing, omdat gesteld noch gebleken is dat de twee overeenkomsten in dit kader als een samenstel moeten worden aangemerkt.

23.1. In de WCK, die door de rechtbank ambtshalve is toe te passen, wordt onder krediettransactie onder meer verstaan elke overeenkomst en elk samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever één of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1 WCK).

23.2. De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia X een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover X periodiek rente diende te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

23.3. In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

23.4. Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van X, reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan X kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

23.5. De hiertegenover staande opvatting, die blijkt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrek-king aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

23.6. Hier verdient overweging dat ook richtlijnconforme interpretatie van art. 1 aanhef en sub a onder 1 WCK noopt tot toepasselijkheid van deze wet. Blijkens de tiende overweging van de considerans en artikel 14 leden 1 en 2 van richtlijn 87/102 (hierna: de richtlijn) dient het begrip “kredietovereenkomst” in art. 1 van de richtlijn ruim te worden geïnterpreteerd en dienen de beschermende bepalingen van de richtlijn strikt te worden toegepast. Het kan ook niet zo zijn dat de doelstelling van de richtlijn kan worden ontgaan met een beroep op de rechtszekerheid, omdat Dexia door de duidelijke bewoordingen van de richtlijn had kunnen en moeten weten dat de WCK-oud van toepassing is op de onderhavige overeenkomst. Zie Hof van Justitie 4 oktober 2007, C-429-05, Celex 62005J0429.

23.7. Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-Cosar (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomsten niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte, edoch deze eerst per 12 april 2003 verkregen heeft.

24. Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar is, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: “Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggensteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

25. Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

26. Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

27. De omstandigheid dat Dexia inmiddels per 1 januari 2006 een vergunning ex artikel 10 Wfd heeft verkregen repareert, anders dan Dexia stelt, niet de bij het afsluiten van de onderhavige overeenkomst ontbrekende vergunning ex artikel 9 WCK; de overgangsregeling van artikel 102 Wfd voorziet niet in de situatie dat die vergunning als zodanig ontbroken heeft.

28. Gelet op de conclusie dat de overeenkomst Capital Effect nietig is, is het gevolg daarvan dat de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties met terugwerkende kracht daaraan is ontvallen. Beide partijen dienen financieel hersteld te worden in de toestand waarin zij zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bevonden. Dat betekent dat de aandelen voor rekening van Dexia blijven, Dexia in beginsel al niets meer te vorderen had van X en hetgeen door X aan haar betaald is in beginsel als onverschuldigd aan haar terug moet betalen. Het onder I. gevorderde is derhalve in principe toewijsbaar.

29. Met betrekking tot onderdeel II wordt daarbij overwogen dat het zoals door X zelf reeds in haar dagvaarding onder ogen is gezien, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan omdat aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst niet door hem zou zijn ingeroepen als de waarde van de aandelen gestegen was. De rechtbank vindt daarin aanleiding om op de voet van het bepaalde in artikel 6:278 lid 2 BW te bepalen dat de helft van het door X aan Dexia betaalde onder aftrek van de helft van de restschuld en met aftrek van door hem daadwerkelijk ontvangen dividend door Dexia aan X moet worden terugbetaald. De rechtbank relateert dit speciaal aan deze (vorm van) overeenkomst die niet tot een restschuld behoeft te leiden, maar (alleen tot het moment van tussentijdse beëindiging) niet de verwachte opbrengst heeft gebracht. Toegewezen wordt derhalve;

(€ 5.644,- minus € 671,15) : 2 = € 2.486,43 minus € 739,03 (uitbetaald dividend) =

€ 1747,40.

30. Door Dexia is nog een beroep op eigen schuld van X gedaan. De rechtbank onderschrijft de stelling van Dexia dat de schade mede aan X moet worden toegerekend, immers heeft zij zich zonder enige beleggingservaring, zonder voldoende schriftelijke informatie vooraf en zonder voldoende onderzoek naar het aangeboden product te hebben gedaan, in een voor hem duister avontuur gestort.

31. Toch verbindt de rechtbank daar niet de door Dexia gewenste consequenties aan. Dexia is zo ernstig tekortgeschoten in haar de jegens X betamende zorg dat de rechtbank daarin aanleiding vindt om de schade met toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101, eerste lid BW over de partijen te verdelen als onder 30 hierboven overwogen .

32. Het van Dexia gevorderde bevel aan het BKR te Tiel acht de rechtbank onmogelijk en mitsdien niet toewijsbaar.

33. Hetgeen partijen verder verdeeld houdt, behoeft gelet op bovenstaande geen bespreking.

34. Als ieder gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, dient elke partij de eigen kosten van het geding te dragen.

In reconventie:

35. Gezien het hiervoor in conventie overwogene wordt aan de reconventionele vordering van Dexia niet meer toegekomen. Indachtig het hiervoor bij conventie verwoorde eindresultaat, zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld en dient ook in reconventie na te melden compensatie van kosten te worden uitgesproken.

RECHTDOENDE

In conventie:

I. Verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten Capital Effect

met nummer 20006679 nietig is.

II. Veroordeelt Dexia om aan X te betalen een bedrag van € 1.747,40 vermeerderd met de wettelijke rente hierover van 15 november 2005 tot de dag van betaling.

III. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

IV. Verklaart het onderdeel II van het dictum van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

VI. Wijst af de vordering van Dexia.

VII. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 27 februari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.