Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7730

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
74658 ha za 06-9
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2008, 50
JE 2008, 260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 74658 ha za 06-9

datum vonnis: 27 februari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

en

van Y,

echtelieden

wonende te D,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. E.M.M. van de Loo,

advocaat: mr. G.P. Roth te Amsterdam.

Het procesverloop

1. Bij inleidende dagvaarding tegen 4 januari 2006 heeft X Dexia gedagvaard, heeft Dexia nadien een akte van schorsing genomen. X heeft vervolgens op 4 april 2007 een akte tot hervatting van de procedure genomen, Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie en X een conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie en akte vermeerdering van eis.

Na een conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie zijdens Dexia en een conclusie van dupliek in reconventie zijdens X hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

De vordering

2. Na in het najaar 1999/begin 2000 benaderd te zijn door Spaar Select B.V., een z.g. cliëntenremisier van Dexia omtrent spaarplannen, heeft X bewilligd in het sluiten van een tweetal aandelenleaseovereenkomsten.

3. X tekende op 27 januari 2000 een “Overwaarde Effect” met nummer 21780906 met een totaal overeengekomen leasesom van € 136.737,60 (productie 7 dagvaarding) en op 3 februari 2000 een “Allround Sparen met maanbetaling” met nummer 39480561 met een totaal overeengekomen leasesom van € 27.226,80 (productie 7 dagvaarding).

Op de Overwaarde Effect heeft X de eerste 60 termijnen van de looptijd van

240 maanden ineens met een bedrag van € 27.347,40 voldaan.

Op de Allround Sparen betaalde X 52 termijnen van € 113,44 derhalve in totaal een bedrag van € 5.898,88.

4. Verdere voorwaarden (voor zover van belang):

2. Deze lease-overeenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van

240 maanden, te rekenen vanaf de dagtekening der overeenkomst c.q. aankoopdag van de waarden.

3. Lessee kan deze lease-overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom.

(.....).

Overwaarde Effect:

De leasesom bedraagt van de 61ste t/m 240ste maand € 569,74 per maand.

Allround Sparen:

De lease-som bedraagt het totaal van 240 gelijke maandtermijnen van € 113,44.

7. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens

deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease

verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de

waarden geworden.

5. Dexia heeft volgens X na ommekomst van de eerste 60 maanden de aandelen verkocht en X aangeslagen voor respectieve restschulden van € 4.295,50 en

€ 3.676,34 (brieven Dexia van 19 april en 18 augustus 2005, producties 10 dagvaarding).

6. X is door Dexia bij het BKR te Tiel voor wat betreft het niet voldoen van de restschulden geregistreerd met een zgn A-codering.

7. X heeft de beide overeenkomsten buitengerechtelijk ontbonden

en vernietigd, Dexia aansprakelijk gesteld en baseert zulks op het tekortschieten van Dexia in de nakoming van haar zorgplicht tegenover X, de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet (WCK) zomede -als bij repliek nader gesteld- het onrechtmatig handelen van Spaar Select B.V., waarvoor Dexia tevens aansprakelijk is.

8. X vordert, de vermeerdering bij repliek inbegrepen:

I. Te verklaren voor recht dat de overeenkomsten AEXD Plus Effect en Capital Effect:

a. buitengerechtelijk ontbonden zijn althans die te ontbinden;

b. Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is.

II. Dexia deswege te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting:

€ 33.246,28 subsidiair op de overeenkomst Overwaarde Effect

€ 25.199,65 en op de overeenkomst Allround Sparen € 4.060,71,

oftewel totaal € 29.260,36.

III. Voornoemde bedragen vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de

onderscheiden deelbetalingen zijn verricht althans de dag der dagvaarding tot aan de dag

der betaling.

IV. Verklaring voor recht dat de restschulden van X vervallen is althans die

vervallen te verklaren.

V. Dexia op straffe ener dwangsom te bevelen om het BKR op te dragen de A-notering op

naam van X ongedaan te maken.

VI. Dexia te veroordelen in de proceskosten,

VII. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het verweer

9. Dexia stelt dat de overeenkomst Overwaarde Effect en Allround Sparen zijn afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select B.V. die X ter zake heeft geïnformeerd en geadviseerd. Na getoonde interesse van X, heeft Spaar Select B.V. aan haar aanvraagformulieren verschaft en de Bank heeft die door X ondertekend retour ontvangen. Vervolgens heeft de Bank de overeenkomsten aan Spaar Select B.V. verstuurd.

Dexia stelt daarmede aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

10. Voor deze overeenkomsten wordt voorzien in aflossing van de aankoopsom en diende X uit hoofde van deze overeenkomst gedurende de looptijd maandelijks bedragen, bestaande uit rente en aflossing, aan de Bank te voldoen.

Volledigheidshalve wijst de Bank erop dat hierbij na het verstrijken van de gehele looptijd van deze overeenkomsten, geen zogenaamde restschuld kan ontstaan. Slechts in het geval deze tussentijds wordt beëindigd, hetgeen in casu het geval is geweest, bestaat de mogelijkheid dat X nog een bedrag verschuldigd is.

11. Dexia doet voor alles een beroep op het niet inachtnemen door X in de dagvaarding van de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv.

12. Voorts stelt Dexia dat wettelijke rente in voorkomend geval eerst verschuldigd is vanaf het moment dat er verzuim aan de orde is, verzet zich tegen kostenveroordeling en concludeert tot afwijzing van de vordering van X.

13. Ten aanzien van het optreden van Spaar Select B.V. als effectenbemiddelaar, zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellingsregeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995 zulks vanwege de omstandigheid dat Spaar Select B.V. niet enkel X als klant bij de Bank heeft aangebracht, maar zich ook heeft beziggehouden met advisering en/of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de overeenkomst leidt: niet de overeenkomst zelf is strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens het handelen van de tussenpersoon.

14. Naar aanleiding van de door X nader gestelde grondslag van onrechtmatige daad stelt Dexia alleen al de tekst van de overeenkomsten duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van

NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden.

15. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door hem genoten dividenden ad € 7.804,60, fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vorderingen zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

In reconventie

16. Ingevolge de (tussentijdse)beëindiging zijn restschulden gebleven van

€ 4.295,50 respectievelijk € 3.76,34, in totaal € 7.971,84 (productie 10 dagvaarding), waarvan Dexia in reconventie voldoening vordert, zulks vermeerderd met de wettelijke rente.

De beoordeling

In conventie

17. De overeenkomsten “Overwaarde Effect”en “Allround Sparen” staan tussen partijen vast, evenals het feit dat X daarop € 27.347,40 respectievelijk € 5.898,88 heeft voldaan en € 7.804,60 aan dividend heeft ontvangen, die overeenkomsten inmiddels (tussentijds) zijn beëindigd en restschulden van € 4.295,50 resp. € 3.676,34 zijn gebleven, die niet door hem zijn betaald.

Wet op het consumentenkrediet (WCK)

18. De rechtbank handhaaft haar in eerdere uitspraken ingenomen standpunt dat op overeenkomsten als de onderhavige de bepalingen van de WCK van toepassing zijn.

De rechtbank constateert echter dat de totaal overeengekomen leasesom van elk der overeenkomsten hoger is dan het op het moment van sluiten van die overeenkomsten geldende beschermingsplafond van € 22.652,-- en dienvolgens de WCK niet toe te passen is.

Allround Sparen

19. Hoewel de overeenkomst Allround Sparen (productie 7 dagvaarding) de uitmonstering heeft/lijkt te hebben van een z.g. aandelenleaseovereenkomst, is zulks naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde.

De overeenkomst bestaat immers uit (het lenen c.q. sparen ter waarde van) een AEX-certificaat, waarvan een gezien op de einddatum gestegen AEX-koers, een navenante meerwaarde wordt uitgekeerd (c.q. bij gedaalde AEX wordt verloren), terwijl vanwege het feit dat het hier een aflossingsproduct betreft, op einddatum geen restschuld bestaat.

De rechtbank kwalificeert dit als een kansovereenkomst gericht op mogelijke stijging van de AEX, waaraan geen zelfstandig beleggingskarakter is toe te kennen.

Overwaarde Effect

20. Anders dan de overeenkomst Allround Sparen kent Overwaarde Effect (productie 7 dagvaarding) wel een zelfstandig beleggingskarakter. Ook hier ontstaat vanwege het feit dat het een aflossingsproduct betreft op einddatum geen restschuld.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Spaar Select B.V.

21. De rechtbank ziet geen aanleiding de bij conclusie van repliek vermeerderde eis buiten beschouwing te laten, een vermeerdering van eis vanwege de gronden daartoe is mogelijk.

22. Met betrekking tot de gedragingen van Spaar Select B.V. en de aansprakelijkheid van Spaar Select B.V. voor de schade van X overweegt de rechtbank het volgende:

a. Spaar Select B.V. is een zogenaamde cliëntenremisier en is als zodanig weliswaar aan te merken als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 sub b Wte, maar is op grond van artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht. De belangrijkste van die voorwaarden is dat zij haar activiteiten beperkt tot het aanbrengen van klanten bij de in dat artikel genoemde instellingen.

b. Dat Dexia een instelling als bedoeld in artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit is, staat niet ter discussie. Nagegaan moet derhalve slechts worden of Spaar Select B.V. zich beperkt heeft tot het aanbrengen van X als klant bij Dexia of dat Spaar Select B.V. verdere, voor een cliëntenremisier ontoelaatbare bemoeienis met de zaak gehad heeft. Daarvoor is het nodig om vast te stellen wat er onder aanbrengen wordt verstaan.

c. Een wettelijke definitie van het begrip aanbrengen in het kader van de Wte en de daarop gegronde regelgeving bestaat niet. Wel wordt er op haar website (www.afm.nl) een uiteenzetting van het begrip gegeven door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daar is, voor zover hier van belang, te lezen: Cliëntenremisiers mogen alleen cliënten aanbrengen bij effecteninstellingen die een vergunning hebben van de AFM. Cliëntenremisiers mogen bijvoorbeeld geen vermogensbeheer verrichten, orders van cliënten doorgeven of geld van cliënten onder zich houden. Daarnaast mogen zij geen cliënten aanbrengen bij andere cliëntenremisiers. Cliëntenremisiers mogen wel cliënten uitleggen wat een aandeel of een obligatie is. Echter zij mogen niet een specifiek aandeel, obligatie, effectenleaseproduct etc. beroeps- of bedrijfsmatig adviseren.

d. Uitgaande van deze uitleg -en de rechtbank gaat bij gebrek aan een andere gezaghebbende uitleg van deze uitleg, die zij ook onderschrijft, uit- was het aan

Spaar Select B.V. toegestaan om X te informeren mits die informatie beperkt was tot kenmerken van beleggingscategorieën en om haar door te verwijzen naar Dexia, maar niet om X te adviseren.

e. Een andere voorwaarde is dat de cliëntenremisier zich houdt aan enkele specifieke gedragsregels die voortvloeien uit het Bte en dan hoofdzakelijk uit artikel 24 daarvan en uit de NR, in dit geval de NR 99. Dat zijn, voor zover in deze specifieke zaak van belang, dat hij handelt in het belang van de cliënt en de adequate functionering van de effectenmarkten, in het belang van de cliënt kennis neemt van diens financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstelling voor zover dat redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van zijn diensten, de cliënt de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de door hem aangeboden diensten en de effecten waarop die diensten betrekking hebben en een verbod op het zogenaamde “cold calling” i.e. een verbod om hen die nog geen cliënt zijn, telefonisch of persoonlijk te benaderen anders dan in het geval de betrokkenen daar vooraf schriftelijk dan wel telefonisch mee heeft ingestemd dan wel in het contact slechts wordt aangeboden om schriftelijke of elektronische informatie te verschaffen.

f. Op grond van de op dit punt ongenoegzaam weersproken gebleven stellingen van X moet worden aangenomen dat Spaar Select B.V. het cold calling-verbod heeft overtreden.

g. Met betrekking tot het tot stand komen van het contact met Spaar Select B.V. is door X immers onweersproken gesteld, dat zij door Spaar Select B.V. ongevraagd is benaderd en haar vervolgens een beleggingsconstructie is gepresenteerd en geadviseerd waarmede het vermogen snel kon worden vergroot.

Dat is een ander eerste contact dan op grond van een schriftelijke of elektronische uitnodiging, dan wel een contact naar aanleiding van het verschaffen van schriftelijke of elektronische informatie aan X.

h. Met betrekking tot hetgeen verricht is door Spaar Select B.V. om zich een beeld te vormen van X, diens financiële positie, beleggingsdoelstellingen en beleggingservaring, is door X, naast hetgeen reeds onder g hierboven is weergegeven, onweersproken gesteld dat hij, X, aan de medewerker van Spaar Select B.V. naar aanleiding van diens vragen verteld heeft dat hij zijn huis wilde verbouwen en wilde sparen voor de studie van kinderen c.q. VUT-mogelijkheid. Schriftelijke productinformatie van Spaar Select B.V. heeft hij wel gekregen (productie 2 dagvaarding) en naar aanleiding van vragen bij het tekenen van de overeenkomsten werd uitsluitend verwezen naar de voordelen, dat hem nooit duidelijk is geweest dat hij met die lening risico’s heeft aangegaan, dat hij daar niet op gewezen is, dat hij dat uit de tekst van de overeenkomsten niet heeft kunnen opmaken, dat over koersdaling en over een restschuld nooit gesproken is, dat ook nooit aan de orde is geweest dat hij zoveel kon kwijtraken.

i. Deze onder h weergegeven stellingen van X zijn weliswaar, naar uit de overgelegde producties en dan met name de overeenkomsten Overwaarde Effect en

Allround Sparen, het aanvraagformulier (productie 1c CvA) moet worden afgeleid, niet allemaal juist maar niettemin kan er de conclusie uitgetrokken worden dat X niet begrepen heeft wat hem is voorgehouden alsmede dat ook de voorlichting tekortgeschoten is.

Onjuist is immers dat er niet over leasen gesproken is, want de door X ondertekende overeenkomsten zijn benoemd als leaseovereenkomsten. Voorts had X uit de overeenkomst Overwaarde Effect kunnen opmaken dat er sprake was van aandelen en beide overkomsten een looptijd van 20 jaar hadden.

Dat de voorlichting tekortgeschoten is, blijkt genoegzaam uit het feit dat door Spaar Select B.V., naar onweersproken gesteld is, in de vooraf aan X verstrekte informatie er kennelijk geen aandacht aan het break-evenrendement geschonken is en de omstandigheid dat X, die geen/onvoldoende beleggingservaring had, van de hele opzet kennelijk niets begrepen heeft zoals uit de persoonlijke statements die bij de stukken zijn gevoegd blijkt en gezien het opleidingsniveau (MBO) ook niet direct verwonderlijk is. Dat er voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten concreet gewezen is op de mogelijkheid van verlies is gesteld noch gebleken. In ieder geval blijkt daarvan niets uit enig stuk van Spaar Select B.V. (productie 2 dagvaarding) of de door Dexia overgelegde aanvraagformulier (productie 1c CvA).

j. Uit een overgelegde producties, met name het “Persoonlijk Financieel Plan” van

Spaar Select B.V. van 3 januari 2000 (productie 2 dagvaarding) dat voorafgegaan is aan de overeenkomsten Overwaarde Effect en Allround Sparen van 27 januari respectievelijk

3 februari 2000, blijkt dat er toen al een keuze is gemaakt voor deze constructies.

De rechtbank leidt daaruit en ook uit het feit dat er geen daaraan voorafgaande correspondentie tussen X en Labouchère is overgelegd af, dat Spaar Select B.V. degene is die geadviseerd heeft over de wijze van beleggen en tot welk bedrag. Dat levert een handelen in strijd met de Vrijstellingsregeling op, immers is meer dan aanbrengen en is als beroeps- of bedrijfsmatig adviseren aan te merken.

k. De conclusie tot zover is dat Spaar Select B.V. in haar relatie tot X niet alleen onrechtmatig gehandeld heeft door te handelen -met name betreffende de overeenkomst Overwaarde Effect- in strijd met de voorschriften van de Vrijstellingsregeling en daarmee in strijd met artikel 7 Wte, maar zich ook niet gedragen heeft als een goed opdrachtnemer overeenkomstig de bepalingen van titel 7 :7 BW, immers niet gehandeld heeft als een redelijk handelend bekwaam vakgenoot dient te handelen, hetgeen, naast een contractuele tekortkoming ook weer als onrechtmatig handelen is aan te merken.

Spaar Select B.V. is daarmee aansprakelijk voor de door X als gevolg van haar onrechtmatig handelen opgekomen schade.

23. Daarmee komt de rechtbank toe aan de aansprakelijkheid van Dexia, zowel voor zover die een gevolg is van haar eigen gedragingen als op grond van het bepaalde in

artikel 6:76 BW voor gedragingen van Spaar Select B.V. Dienaangaande wordt het volgende overwogen:

a. De rechtbank stelt voorop dat tussenpersonen -en dus ook cliëntenremisiers- een belangrijk instrument voor financiële instellingen zijn om hun producten in de markt te (kunnen) zetten. Dat legt op de instelling die van de diensten van een cliëntenremisier gebruik maakt en hem doorgaans -zoals dat ook in dit geval kennelijk is gebeurd nu op dit punt niets anders is gesteld of gebleken- ook middels de toekenning van provisie betaalt, een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot de selectie van de tussenpersoon van wie hij cliënten en opdrachten accepteert.

b. Een en ander blijkt ook uit het bepaalde in artikel 41 NR 99 dat de effecteninstelling onder andere gebiedt om zich met betrekking tot de onder i, ii en iii van dat artikel genoemde effecteninstellingen te onthouden van een aantal zaken waaronder het verrichten van effectentransacties voor deze instellingen. Spaar Select B.V. zou, indien zij zich aan de voor haar geldende regels had gehouden weliswaar niet tot één van die categorieën behoord hebben, maar nu zij zich niet aan die regels gehouden heeft behoort zij daar wel toe en is zij met name aan te merken als een effecteninstelling die niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte (categorie i).

c. De vraag is nu of Dexia voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het aanvaarden van X als klant, c.q. het contracteren met X op basis van wat door

Spaar Select B.V. aan haar omtrent X en hetgeen de inhoud van de door X gewenste overeenkomst(en) met haar geweest zou zijn is medegedeeld en die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend ten aanzien van de overeenkomst Overwaarde Effect.

De als productie 1 a+b+c overgelegde loonstrookje, kopie identiteitsbewijs en aanvraagformulier, waarop Dexia zich beroept, geven geen enkele informatie omtrent de financiële positie van X, noch omtrent diens beleggingservaring of beleggingsdoelstelling.

Op deze via Spaar Select B.V. binnengekomen stukken, in de tijd voorafgaand aan de overeenkomst Overwaarde Effect en tevens het eerste schriftelijke contact tussen X en Dexia, is keuze gemaakt voor die overeenkomst, belegging in aandelen Ahold, ING, Unilever en Koninklijke Olie en betaling ineens over 60 maanden van € 27.347,40.

Daaraan kan alleen verboden advisering door de medewerker van Spaar Select B.V., die het aanvraagformulier voorzien van haar firmastempel heeft ingevuld, ten grondslag gelegen hebben. Dexia had dat kunnen en moeten onderkennen en zich van contracteren met X op basis van die adviezen moeten onthouden. Door dat na te laten en aldus te handelen in strijd met artikel 41 NR 99 is de overeenkomst Capital Effect tussen X en Dexia nietig, immers ligt aan artikel 41 NR 99 dezelfde gedachte ten grondslag als aan artikel 7 Wte, namelijk een adequate werking van de financiële markten en de positie van de belegger.

Naar het oordeel van de rechtbank zien de consequenties van het voorgaande alleen op de overeenkomst Overwaarde Effect vanwege het daaraan verbonden beleggingskarakter, niet de overeenkomst Allround Sparen, die zulks ontbeert (overweging 19 en 20).

d. Los van bovenstaande kan tevens geconcludeerd worden dat Dexia door aldus te handelen -en naar mag worden aangenomen aan Spaar Select B.V. provisie te betalen- gebruik heeft gemaakt van de hulp van Spaar Select B.V. bij het tot stand brengen van de overeenkomst Overwaarde Effect met X en Dexia daarmee tevens voor de gedragingen van Spaar Select B.V. aansprakelijk is.

De vordering, voor zover toewijsbaar betreffende de overeenkomst Capital Effect, is derhalve ook op grond van onrechtmatige daad tegen Dexia toewijsbaar.

e. Ter zake van de overeenkomst Allround Sparen geldt dat laatste bij gebreke van zelfstandig beleggingskarakter van die overeenkomst, niet.

Gevolgen Overwaarde Effect

24. Gelet op de meest vergaande conclusie dat de overeenkomst Overwaarde Effect nietig is, is het gevolg daarvan dat de rechtsgrond(en) die ten grondslag lag(en) aan de wederzijds verrichte prestaties met terugwerkende kracht daaraan is (zijn) ontvallen. Beide partijen dienen financieel hersteld te worden in de toestand waarin zij zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bevonden. Dat betekent dat de aandelen voor rekening van Dexia blijven, Dexia in beginsel al niets meer te vorderen had van X en hetgeen door X aan haar betaald is in beginsel als onverschuldigd aan hem terug moet betalen. Het onderdeel I van de vordering van X is derhalve in principe toewijsbaar.

25. Met betrekking tot onderdeel II wordt daarbij overwogen dat het zoals door X zelf reeds in zijn dagvaarding subsidiair onder ogen gezien, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan omdat aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst niet door hem zou zijn ingeroepen als de waarde van de aandelen gestegen was. De rechtbank vindt daarin aanleiding om op de voet van het bepaalde in

artikel 6:278 lid 2 BW te bepalen dat de helft van het totaal van het door X aan Dexia betaalde, door Dexia onder aftrek van de gebleven restschulden, dit saldo verminderd met het door X ontvangen dividend, aan X moet worden terugbetaald. De rechtbank relateert dit speciaal aan deze (vorm van) overeenkomst die, indien uitgediend, niet tot een restschuld behoeft te leiden.

Toegewezen wordt: (€ 27.347,40 - € 4.295,50) : 2 = € 11.525,95 - € 7.804,60 = € 3.721,35.

26. Door Dexia is nog een beroep op eigen schuld van X gedaan. De rechtbank onderschrijft de stelling van Dexia dat de schade mede aan X moet worden toegerekend, immers heeft zij zich zonder enige beleggingservaring, zonder voldoende schriftelijke informatie vooraf en zonder voldoende onderzoek naar het aangeboden product te hebben gedaan, in een voor haar duister avontuur gestort.

27. Toch verbindt de rechtbank daar niet de door Dexia gewenste consequenties aan. Dexia is zo ernstig tekortgeschoten in haar de jegens X betamende zorg dat de rechtbank daarin aanleiding vindt om de schade met toepassing van de billijkheidscorrectie van

artikel 6:101, eerste lid BW over de partijen te verdelen als onder 25 hierboven overwogen .

28. De vordering van X tegen Dexia tot het geven van opdracht tot doorhaling van de A-codering van X bij het BKR te Tiel wordt afgewezen, waar in onvoldoende mate gesteld of gebleken is dat Dexia inzake die A-codering de nodige macht heeft respectievelijk die A-codering niet alleen van deze kwestie afhankelijk is/behoeft te zijn.

Gezien het hierna in reconventie overwogene ten aanzien van de restschuld voortvloeiend uit de Allround Sparen zal de gevorderde verklaring van het vervallen zijn van de restschuld niet worden toegewezen.

29. Hetgeen partijen verder verdeeld houdt, behoeft gelet op bovenstaande geen bespreking.

30. Als ieder gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, dient elke partij de eigen kosten van het geding te dragen.

In reconventie

31. Gezien het hiervoor in conventie overwogene ten aanzien van de (verrekening van de) restschulden, kan alleen de vordering ad € 3.676,34 van de Allround Sparen aan de orde komen en wordt die toegewezen met wettelijke rente en met compensatie van de proceskosten.

RECHTDOENDE

In conventie

I. Verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten Overwaarde Effect onder nummer 21780906 van 27 januari 2000 nietig is.

II. Veroordeelt Dexia om aan X te betalen een bedrag van € 3.721,35 (drieduizendzevenhonderdéénentwintig euro en vijfendertig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente hierover van 8 juli 2004 tot de dag van betaling.

III. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

IV. Verklaart het onderdeel II van het dictum van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

VI. Veroordeelt Dexia om aan X te voldoen een bedrag van € 3.676,34 (drieduizendzeshonderdzesenzeventig euro vierendertig eurocent) met wettelijke rente vanaf 29 april 2005 tot aan de dag van betaling.

VII. Compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de hare drage.

VIII. Verklaart onderdeel VI. van dit dictum uitvoerbaar bij voorraad.

IX. Wijst af enig meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Van der Veer en op 27 februari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.