Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7293

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
07 / 884 WOB AZI A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is het vervolg van de uitspraak van 10 januari 2007 (LJN AZ5879), waarbij de rechtbank een besluit van de minister van justitie heeft vernietigd. Dit besluit betrof de weigering om het rijksrechercherapport over het functioneren van het team dat was belast met het (strafrechtelijk) onderzoek naar de vuurwerkramp op grond van de Wob openbaar te maken. Vervolgens heeft verweerder dit rapport in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt.

In beroep tegen het desbetreffende besluit is gesteld dat niet alleen het rapport, maar ook de onderliggende, uitgewerkte getuigenverklaringen openbaar hadden moeten worden gemaakt, omdat deze verklaringen onlosmakelijk onderdeel zouden uitmaken van het rapport. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister, door alleen het rijksrechercherapport - inclusief de daarin opgenomen bijlagen - openbaar te maken, geen onjuiste of onvolledige uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 10 januari 2007. Naar haar oordeel moet worden uitgegaan van het rapport zoals dat in juni 2004 is uitgebracht, omvattende het rapport zelf inclusief drie bijlagen (te weten de rapportages van het Bureau Interne Zaken van de regiopolitie Gelderland-Midden (BIZ)), maar exclusief de uitgewerkte getuigenverklaringen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eisers om ook de getuigenverklaringen openbaar te maken terecht heeft opgevat als nieuw openbaarmakingverzoek. Op dat verzoek heeft de minister inmiddels afwijzend beslist. Volgens de rechtbank kan dit besluit niet worden meegenomen in de beroepsprocedure waarin thans uitspraak is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 07 / 884 WOB AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiser 1] en [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort,

en

de Minister van Justitie, verweerder.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder van 27 juni 2007.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eisers hebben zich op 6 juli 2004 tot de Hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket gewend met het verzoek om toezending van het volledige onderzoek van de Rijksrecherche met de resultaten van het feitenonderzoek naar, kort gezegd, het functioneren van het zogenaamde Tolteam in het (strafrechtelijk) onderzoek naar de vuurwerkramp die op 13 mei 2000 te Enschede heeft plaatsgevonden (hierna aan te duiden als: rijksrechercherapport). Hierbij hebben eisers een beroep gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 28 juli 2004 heeft de (plaatsvervangend) Hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket dat verzoek afgewezen omdat de uitzonderingsgronden genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob zich tegen openbaarmaking van het rijksrechercherapport verzetten.

Het bezwaar van eisers tegen dit besluit is bij besluit van 4 maart 2005, namens verweerder genomen door het College van procureurs-generaal, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld, geregistreerd onder nummer 05/440 WOB N1 A. In deze beroepsprocedure heeft de rechtbank bij beslissing ex artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 juni 2005 bepaald dat kennisneming van het gedingstuk gemerkt A (rood) en dat op het voorblad is aangeduid met “Rijksrecherche” en “Rapportage feitenonderzoek” niet wordt toegestaan.

De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 10 januari 2007, nummer 05/440 WOB, gegrond verklaard, het besluit van 4 maart 2005 vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eisers dient te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij het bestreden besluit van 27 juni 2007 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij heeft verweerder het besluit van 28 juli 2004 herroepen en het verzoek van eisers om openbaarmaking van het rijksrechercherapport alsnog gehonoreerd, met dien verstande dat verweerder op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob de namen van de betrokken ambtenaren in het rapport, inclusief de rapportages van het Bureau Interne Zaken van de regiopolitie Gelderland-Midden (BIZ), weg zal lakken. Ook zal verweerder op grond van dezelfde bepalingen de op andere personen dan ambtenaren betrekking hebbende passages in de te verstrekken stukken weglakken.

Bij brief van 27 juli 2007 heeft de gemachtigde van eisers verweerder medegedeeld dat van meet af aan is verzocht om openbaarmaking van alle bijlagen behorende bij het rijksrechercheonderzoek, dat in hiervoor vermelde uitspraak van deze rechtbank van 10 januari 2007 wordt gesproken over het rijksrechercherapport met bijlagen en dat alle bijlagen die behoren bij de rapportages van het BIZ ook de bijlagen zijn die behoren bij het rijksrechercherapport, met het verzoek om binnen 5 dagen na dagtekening zorg te dragen voor afgifte van de door het BIZ en de Rijksrecherche afgenomen verklaringen.

Bij brief van 1 augustus 2007 heeft verweerder de gemachtigde van eisers laten weten dat gedurende de procedure naar aanleiding van het verzoek van eisers van 6 juli 2004 als uitgangspunt is genomen dat dit verzoek betrekking had op het rijksrechercherapport, inclusief bijlagen, dat de gemachtigde van eisers dit rapport met bijlagen heeft ontvangen bij het besluit van 27 juni 2007, dat de bijlagen bij de rapportages van het BIZ geen deel uitmaken van het rijksrechercherapport en dat het verzoek van 27 juli 2007 wordt aangemerkt als nieuw Wob-verzoek.

Op 3 augustus 2007 hebben eisers beroep ingesteld tegen het besluit van 27 juni 2007. Het beroep richt zich tegen het niet overleggen van de verklaringen van opsporingsambtenaren die deel uitmaken van het Tolteam en die gehoord zijn door het BIZ dan wel door de Rijksrecherche.

Verweerder heeft op 21 september 2007 een verweerschrift ingediend. Hierbij is nogmaals te kennen gegeven dat het verzoek van de gemachtigde van eisers van 27 juli 2007 om openbaarmaking van de verhoren die zijn afgenomen bij het BIZ en bij de rijksrecherche is opgevat als een nieuw verzoek in het kader van de Wob.

Bij brief van 13 november 2007 heeft verweerder enkele nadere stukken overgelegd, waaronder de geanonimiseerde versie van het rijksrechercherapport zoals deze bij het bestreden besluit aan eisers ter beschikking is gesteld.

Bij brief van 25 februari 2008 heeft het College van procureurs-generaal toegezonden zijn besluit van 22 februari 2008, waarbij is beslist op het als nieuw Wob-verzoek aangemerkte verzoek van de gemachtigde van eisers van 27 juli 2007.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 februari 2008, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. J. Peters en mr. K. Meijerink, terwijl verweerder zich met voorafgaand bericht niet heeft laten vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Kern van het geschil is de vraag of de brondocumenten, te weten de (uitgewerkte) verklaringen van gehoorde rechercheurs, politiefunctionarissen en medewerkers van andere overheidsinstanties, die zijn gehoord door het BIZ dan wel door de Rijksrecherche, deel uitmaken van het rijksrechercherapport, zodat verweerder deze documenten gelet op de uitspraak van de rechtbank van 10 januari 2007 eveneens, al dan niet in geanonimiseerde vorm, aan eisers had behoren te verstrekken.

Eisers zijn van mening dat evenbedoelde brondocumenten onlosmakelijk onderdeel uitmaken van het rijksrechercherapport, wat volgens hen ook blijkt uit de nummering in het rapport. Volgens eisers had hun verzoek tot toezending van het volledige onderzoek ook expliciet betrekking op alle bijlagen van dit rapport, waartoe behoren de rapportages van het BIZ inclusief alle volledig uitgewerkte verklaringen van de gehoorde personen. Zij wijzen hierbij op de inhoud van het verzoek van 6 juli 2004, het aanvullend bezwaarschrift van 15 oktober 2004 in de vorige Wob-procedure, een persbericht van het Landelijk Parket van 5 juli 2004 en een brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 27 oktober 2004. Volgens eisers blijkt ook uit de uitspraak van de rechtbank van 10 januari 2007 dat de verklaringen van de door het BIZ en de Rijksrecherche onlosmakelijk onderdeel uitmaken van het rijksrechercherapport. Zij wijzen er hierbij op dat in deze uitspraak zonder uitzondering wordt gesproken over ‘het rijksrechercherapport (met bijlagen)’ en dat de rechtbank in haar overwegingen diverse malen verwijst naar verklaringen van gehoorde getuigen die in het rijksrechercherapport zijn opgenomen. Eisers stellen zich op het standpunt dat er geen enkele andere betekenis aan ‘verklaringen’ in de door de rechtbank gebruikte zin kan worden toegekend dan dat het betreft de volledig opgenomen en uitgewerkte verklaringen van de gehoorde getuigen. Verweerder had in de visie van eisers dan ook niet kunnen volstaan met de openbaarmaking van het rijksrechercherapport, maar had tevens de uitgewerkte getuigenverklaringen waarop dit rapport steunt openbaar moeten maken. Daarnaast stellen eisers (subsidiair) dat hun beroep conform de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb mede gericht moet worden geacht tegen verweerders besluit van 22 februari 2008. Het beroep van eisers richt zich niet tegen het weglakken van namen van behandelende ambtenaren en/of andere personen in de verstrekte stukken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betreffende brondocumenten geen onderdeel vormen van het rijksrechercherapport, zoals dat aan de Twentse autoriteiten en aan de rechtbank is aangeboden. Volgens verweerder bestaat het volledige rijksrechercherapport uit acht hoofdstukken en drie bijlagen, te weten een lijst met gebruikte afkortingen (bijlage 1), een overzicht van getuigen (zowel ten behoeve van de rijksrecherche als het BIZ (bijlage 2) en de drie zogenaamde BIZ-rapporten (bijlage 3). Dat uit de nummering van het rapport valt op te maken dat de verklaringen in kwestie een onlosmakelijk deel vormen van het rijksrechercherapport wordt volgens verweerder ontkracht door de inhoudsopgave van dat rapport. Daarin is aangegeven dat het rapport bestaat uit 99 pagina’s. De laatst genummerde pagina is het voorblad van bijlage 3, te weten de drie BIZ-rapportages, welke als bijlage 3 deel uitmaken van het rapport maar een eigen nummering hebben, welke vermoedelijk is aangebracht door een BIZ-medewerker. De verklaringen van getuigen die zijn opgenomen door het bureau BIZ en de Rijksrecherche zijn, zoals blijkt uit de inhoudsopgave van het rapport, geen bijlagen van het rijksrechercherapport. Volgens verweerder bevinden deze verklaringen (in totaal acht ordners) zich momenteel in het archief van het College van procureurs-generaal. Op grond van het vorenstaande is verweerder van mening dat hij met het verstrekken van het rijksrechercherapport - in geanonimiseerde vorm - volledig gehoor heeft gegeven aan het verzoek van eisers om openbaarmaking van 6 juli 2004 en aan de uitspraak van de rechtbank van 10 januari 2007.

De rechtbank overweegt het volgende.

Gelet op de inhoudsopgave van het rijksrechercherapport en de paginanummering acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de volledige verklaringen van de door het BIZ en de Rijksrecherche gehoorde rechercheurs, politiefunctionarissen en medewerkers van andere overheidsinstanties geen (onlosmakelijk) onderdeel uitmaken van het rijksrechercherapport van 17 juni 2004. Het enkele feit dat deze verklaringen in het BIZ- en rijksrechercheonderzoek zijn betrokken en/of dat de uitgewerkte verklaringen van door het BIZ gehoorde getuigen deel uitmaken van de BIZ-rapportages maakt dat niet anders: uitgegaan moet worden van het rijksrechercherapport, zoals dat in juni 2004 is uitgebracht, omvattende het rapport zelf en drie bijlagen, inclusief de (drie) BIZ-rapportages maar exclusief de uitgewerkte getuigenverklaringen.

Daargelaten dat naar het oordeel van de rechtbank uit de bewoordingen van het Wob-verzoek van eisers van 6 juli 2004 niet kan worden afgeleid dat dit verzoek tevens ziet op verstrekking van alle brondocumenten, is voorts van belang dat in de (eerste) Wob-procedure zowel verweerder als de rechtbank er vanuit zijn gegaan dat het Wob-verzoek van eisers betrekking had op het volledige onderzoeksrapport, zoals hiervoor omschreven, dus inclusief de daarbij - volgens de inhoudsopgave - behorende bijlagen maar exclusief de brondocumenten. Dat de rechtbank daarvan is uitgegaan bij de beoordeling van het onder nummer 05/440 WOB geregistreerde beroep van eisers en in dat kader uitsluitend het rijksrechercherapport - zonder brondocumenten - bij verweerder heeft opgevraagd blijkt uit haar uitspraak van 10 januari 2007: bij de - ook in rubriek 2 van de onderhavige uitspraak vermelde - beslissing ex artikel 8:29, derde lid, van de Awb van 22 juni 2005 wordt gesproken over de beperkte kennisneming van ‘het gedingstuk’, en niet over gedingstukken, wat zou mogen verwacht als ook de brondocumenten in het geding zouden zijn, terwijl de rechtbank haar overwegingen in die uitspraak begint met: “Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van dit stuk [waarop artikel 8:29 van de Awb is toegepast], overweegt de rechtbank het volgende.” Ook de woorden ‘dit stuk’ duiden erop dat de rechtbank in de vorige beroepsprocedure slechts de beschikking heeft gehad over één document, te weten het rijksrechercherapport, inclusief de daarbij - volgens de inhoudsopgave - behorende bijlagen, ten aanzien waarvan zij (onder meer) heeft beoordeeld of verweerder openbaarmaking achterwege heeft kunnen laten op de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob neergelegde (uitzonderings)gronden. Het enkele feit dat de rechtbank in haar uitspraak van 10 januari 2007 diverse malen verwijst naar de in het rijksrechercherapport opgenomen getuigenverklaringen, maakt dit niet anders, omdat ook in het rijksrechercherapport (delen van) getuigenverklaringen verkort of samengevat zijn weergegeven. Deze uitspraak heeft derhalve, anders dan eisers veronderstellen, slechts betrekking op (de weigering tot het openbaar maken van) het rijksrechercherapport, inclusief de bijlagen die daarvan blijkens de inhoudsopgave deel uitmaken en zoals die bijlagen in het rijksrechercherapport zijn opgenomen, en dus niet mede op de (weigering tot het openbaar maken van de) brondocumenten.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen onjuiste of onvolledige uitvoering gegeven aan de uitspraak van 10 januari 2007 door bij het bestreden besluit alleen het rijksrechercherapport, inclusief de bijlagen zoals die in dat rapport zijn opgenomen, in geanonimiseerde vorm aan eisers te verstrekken. Hiervan uitgaande ziet de rechtbank niet in dat verweerder het in de brief van eisers van 27 juli 2007 en in het beroepschrift neergelegde verzoek om ook de volledige verklaringen van de door het BIZ en de Rijksrecherche gehoorde rechercheurs, politiefunctionarissen en medewerkers van andere overheidsinstanties (de brondocumenten) openbaar te maken ten onrechte heeft aangemerkt als nieuw Wob-verzoek.

Inmiddels heeft verweerder bij besluit van 22 februari 2008 op dat verzoek beslist. Nu dit besluit geen wijziging of intrekking van het besluit op bezwaar van 27 juni 2007 behelst, in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, ziet de rechtbank ook niet in dat het onderhavige beroep met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede geacht zou moeten worden te zijn gericht tegen het besluit van 22 februari 2008. Weliswaar bestaat er samenhang tussen de documenten waarop dat besluit betrekking heeft en het document waarop het besluit van 27 juni 2007 betrekking heeft, maar deze enkele samenhang is, anders dan eisers kennelijk menen, onvoldoende om het besluit van 22 februari 2008 met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb bij de beoordeling van het onderhavige beroep ‘mee te nemen’. Eisers zullen derhalve afzonderlijk bezwaar moeten maken tegen dat besluit als zij het daarmee niet eens zijn.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2008.

Afschrift verzonden op

AW