Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7029

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
08/700423-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van een eerste slachtoffer en poging tot zware mishandeling van een tweede slachtoffer op 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, alsmede aan vernieling van ruiten van de woning van laatstgenoemde persoon. Deze feiten zijn terug te leiden tot een steeds hoger oplopend conflict tussen verdachte en genoemde personen. Dit conflict heeft in de nacht van 15 op 16 september 2007 geleid tot het plegen van vernielingen over en weer en uiteindelijk is deze geweldsspiraal geëscaleerd in de bewezen geachte poging tot doodslag, respectievelijk poging tot zware mishandeling.

De rechtbank acht het kennelijke gemak waarmee verdachte er blijk van geeft andermans eigendommen niet te ontzien en snel zijn toevlucht te zoeken tot ernstige vormen van geweldpleging, waarbij het gebruik van een mes niet wordt geschuwd, uitermate zorgwekkend. Verdachte is dan ook veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, alsmede verplicht reclasseringstoezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/700423-07

STRAFVONNIS

Uitspraak: 18 maart 2008.

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting “De Karelskamp” te Almelo.

terechtstaande ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet deze [slachtoffer 1] meermalen

althans eenmaal (telkens) met een mes althans een scherp en/of puntig voorwerp

in de buik en/ of de borstkas en/of, althans elders in het lichaam heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat:

hij op of omstreeks 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, aan

een persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te

weten een klaplong en/ of een beschadigde milt en/of één of meerdere

steekwonden in de buik en/ of de borstkas en/ of het been en/ althans elders

in het lichaam), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen althans

eenmaal (telkens) met een mes althans een scherp en/of puntig voorwerp in de

buik en/ of de borstkas en/of, althans elders in het lichaam te steken

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, ter zake dat:

hij op of omstreeks 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp in de buik en/of de borstkas en/of, althans elders in het

lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

2.

hij op of omstreeks 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet deze [slachtoffer 2] meermalen althans

eenmaal telkens met een mes in de rug of althans (elders) in het lichaam te

steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat:

hij op of omstreeks 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door

deze opzettelijk meermalen althans eenmaal met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp in zijn rug althans elders in het lichaam te steken,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

3.

hij op of omstreeks 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand,

opzettelijk en wederrechtelijk twee althans een ruit(en), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en/of namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 2 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Uit de wijze waarop de verdachte het geweld tegen het slachtoffer heeft gepleegd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende van opzet -ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet- gericht op de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer weliswaar met het mes verwond, maar dat heeft geleid tot een oppervlakkige wond aan de linker onderzijde van de rug, waarbij geen organen zijn geraakt en die met enkele hechtingen kon worden gedicht. Niet is gebleken dat er enig levensgevaar voor het slachtoffer heeft bestaan.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 primair, sub 2 subsidiair en sub 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet deze [slachtoffer 1] meermalen

met een mes in de buik en borstkas en elders in het lichaam heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

deze opzettelijk met een mes in zijn rug heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij op 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand,

opzettelijk en wederrechtelijk twee ruiten, toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield ;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het ten laste gelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 primair, sub 2 subsidiair en sub 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 primair het misdrijf:

"Poging tot doodslag",

strafbaar gesteld bij artikel 287, juncto artikel 45,lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 2 subsidiair het misdrijf:

"Poging tot zware mishandeling",

strafbaar gesteld bij artikel 302, lid 1, juncto artikel 45, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 3, het misdrijf:

“Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”,

Strafbaar gesteld bij artikel 350, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1], waarbij verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden als gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, bestaande uit woede en angst als gevolg van het slaan door [slachtoffer 1] met een knuppel.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende:

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder hetgeen door de verdachte is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank het volgende komen vast te staan:

-Op zondag 16 september 2007, omstreeks 01.57 uur, komt er bij de politie een melding binnen betreffende een aanrijding tussen twee personenauto”s, waarbij enerzijds de latere slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en anderzijds verdachte betrokken zijn geweest;

-Op zondag 16 september 2007, omstreeks 04.45 uur, doet [aangever 1], zijnde de vriendin van verdachte, aangifte van vernieling van haar personenauto’s, welke vernielingen zouden zijn gepleegd door genoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1];

-Op zondag 16 september 2007, tussen 05.00 uur en 06.00 uur, doet aangeefster [aangever 2], zijnde de echtgenote van het latere slachtoffer [slachtoffer 2], aangifte van vernieling van de deur en ramen van haar woning, alsmede van een portier van haar auto;

-De hiervoor vermelde vernieling van de beide personenauto’s om 04.45 uur, maakt

verdachte zo kwaad, dat hij –zoals hij bij de politie verklaart- “helemaal door het

dolle heen was’;

-Verdachte belt daarop naar zijn zus [getuige 1] met de mededeling “dat hij

verhaal gaat halen”;

-Genoemde [getuige 1] probeert vervolgens samen met [getuige 2] en [getuige 3] om verdachte van zijn voornemen te weerhouden, maar ondanks verwoede pogingen daartoe door genoemde personen, besluit verdachte een mes bij zich te steken en zich naar de woningen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te begeven;

-Gekomen in de straat waar de desbetreffende woningen zijn gelegen, trapt verdachte

bij de woning van [slachtoffer 2] de ruiten van de voordeur stuk;

Op dat moment wordt verdachte verrast door de komst van [slachtoffer 1], die hem

vervolgens met een honkbalknuppel slaat;

-Verdachte steekt hierop met het mes, dat hij op dat moment al in zijn hand had,

[slachtoffer 1] meerdere keren in de buik, borst en de rug;

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank het volgende af.

De rechtbank acht, anders dan door de verdachte en diens raadsman betoogd, aannemelijk geworden dat verdachtes intentie was gericht op het aangaan van een confrontatie met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], dan wel met één van hen, waarbij het gebruik van een steekwapen niet zou worden geschuwd. Dit leidt de rechtbank onder meer af uit de kwaadheid van verdachte na de door hem veronderstelde vernieling van zijn auto’s door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], het door verdachte aan anderen aankondigen om verhaal te gaan halen bij genoemde personen, het daartoe bij zich steken van een mes en het zich niet laten afbrengen van zijn voornemen door anderen;

Verdachte heeft zich aldus willens en wetens in een situatie gebracht waarin de dreigende reactie van [slachtoffer 1] te verwachten was. Het feit dat deze zich inmiddels van een honkbalknuppel had voorzien, is een omstandigheid die gelet op het hiervoor overwogene, voor risico van verdachte dient te komen. Het gegeven dat de (wederrechtelijke) aanranding door [slachtoffer 1] jegens verdachte voor laatstgenoemde mogelijkerwijs op een onverwacht moment kwam, doet aan het vorenstaande niet af. Bij die stand van zaken strekt de bewezen geacht gedraging van de verdachte niet ter noodzakelijke verdediging in die zin, dat hij in noodweer handelde.

De hiervoor gemelde feitelijke vaststellingen op grond waarvan het beroep op noodweer is verworpen, staan naar het oordeel van de rechtbank ook in de weg aan een geslaagd beroep op noodweerexces. (vgl. HR 16 november 2004, LJN AR2443).

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen geacht uitsluit, zodat dit strafbaar is.

De verdachte is eveneens strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het sub 1 primair, sub 2 subsidiair en sub 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met daarbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, alsmede met toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 6171,96 en oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel.

De civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dient naar het oordeel van de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, enerzijds nu die vorderingen betrekking heeft op schadeposten welke niet in de tenlastelegging zijn opgenomen en anderzijds de schade onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] op 16 september 2007 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, alsmede aan vernieling van ruiten van de woning van laatstgenoemde persoon.

Deze feiten zijn terug te leiden tot een steeds hoger oplopend conflict tussen verdachte en genoemde personen. Dit conflict heeft in de nacht van 15 op 16 september 2007 geleid tot het plegen van vernielingen over en weer en uiteindelijk is deze geweldsspiraal geëscaleerd in de bewezen geachte poging tot doodslag, respectievelijk poging tot zware mishandeling.

De rechtbank acht het kennelijke gemak waarmee verdachte er blijk van geeft andermans eigendommen niet te ontzien en snel zijn toevlucht te zoeken tot ernstige vormen van geweldpleging, waarbij het gebruik van een mes niet wordt geschuwd, uitermate zorgwekkend. Delicten als de onderhavige, gepleegd op de openbare weg, zijn zo ernstig en voor de direct betrokkenen en voor de samenleving zo verontrustend, dat alleen een vrijheidsbenemende straf van langere duur in aanmerking komt. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 15 februari 2008 eerder ter zake van delicten met een gewelddadig karakter met politie en justitie in aanraking is geweest. Voorts heeft de rechtbank bij haar oordeel acht geslagen op het op 29 november 2007 door de psychiater M. Drost over verdachte uitgebrachte rapport, in die zin dat genoemde gedragsdeskundige concludeert dat bij verdachte geen psychiatrische problematiek aanwezig is die als ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling aangemerkt kan worden en dat er geen gronden zijn om de toerekeningsvatbaarheid als verminderd te beschouwen.

De rechtbank neemt die conclusie over.

Alles tezamen genomen is de rechtbank van oordeel dat bij deze stand van zaken -nu sprake is van een poging doodslag en een poging zware mishandeling onder de hiervoor uiteengezette omstandigheden, begaan door een volledig toerekenbare dader- een gecombineerde gevangenisstraf van na te melden duur, passend en geboden is. De rechtbank zal hieraan, gelet op de bij verdachte vastgestelde (antisociale) gedragsproblematiek en het daaruit voortvloeiende gevaar voor recidive, de bijzondere voorwaarde van een verplicht reclasseringstoezicht verbinden.

Voor het overige zijn in de onderhavige zaak geen strafverminderende omstandigheden gebleken.

Civiele vorderingen:

De rechtbank overweegt verder, dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], respectievelijk ter zake van feit 1 en feit 2, zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij hebben gevoegd in het strafproces en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave hebben gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van € 6.672,46 (slachtoffer 1) en € 395,= (slachtoffer 2), bestaande uit de posten, zoals in de vordering telkens nader omschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], met name voor wat betreft de gevorderde immateriële schade, niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor een behandeling in het strafgeding, nu de rol van dit slachtoffer bij het aan de vordering ten grondslag liggende gebeuren op

16 september 2007, niet precies definieerbaar is.

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat deze niet voldoende gegrond is, nu de in de vordering opgenomen schadeposten geen betrekking hebben op de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de vorderingen van genoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn en slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10,14a,14b,14c,14d,27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 2 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 1 primair, sub 2 subsidiair en sub 3 ten laste gelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van

vier jaren.

Beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte groot één jaar niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt,

of gedurende de proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

De veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, unit Almelo, met opdracht aan die instelling ingevolge artikel 14d Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet ontvankelijk.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 primair, sub 2 subsidiair en sub 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Geeve, voorzitter, mrs. Venekatte en Van Wees , rechters, in tegenwoordigheid van Ter Haar, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 maart 2008.