Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7026

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
76203 ha za 06-139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 76203 ha za 06-139

datum vonnis: 6 februari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de Y en X,

wonende te Hengelo (O),

eisers in conventie,

gedaagden in reconventie,

verder te noemen: De Y c.s.,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. J. Vestering,

advocaat: mr. H. Post te Helmond.

Het procesverloop

Bij dagvaarding tegen 5 april 2006 heeft De Y c.s. de procedure tegen Dexia ingeleid. Na een akte van schorsing van 5 april 2006 zijdens Dexia en een akte tot hervatting van de procedure van 4 april 2007 heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie genomen. De Y c.s. heeft vervolgens een conclusie van repliek en akte vermeerdering van eis en tevens akte vermindering van eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie.

Na een conclusie van dupliek in reconventie en akte uitlating producties bij dupliek hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie en in reconventie

De vordering (kort samengevat)

1. De Y c.s. is in 2000 benaderd door Verzekerd Spaarplan Nederland (VSN), een clientenremisier van Dexia, die De Y c.s. voorhield producten te verkopen, waarmede aan vermogensopbouw kon worden gedaan.

2. Op 14 november 2000 sloot De Y c.s. tegelijkertijd een tweetal Capital Effect’s af onder nummers 21694652 en 21694654 elk met een maandbetaling van

€ 68,32 (productie 2 en 3 dagvaarding).

Op elke overeenkomst betaalde De Y c.s. 56 termijnen, in totaal derhalve twee keer

€ 3.825,92.

3. Bij elk der contracten bedroeg de totale overeengekomen leasesom € 16.396,80, tezamen derhalve € 32.793,60.

4. Verdere voorwaarden (voor zover van belang):

2. Deze lease-overeenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van

240 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdag van de waarden.

3. Lessee kan deze lease-overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddelijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom.........

.....

6. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.

5. In de loop van 2004 heeft De Y c.s. vanwege het zich aftekenende Dexia-debacle de termijnbetalingen gestaakt en Dexia per brief van 26 januari 2005 aansprakelijk gesteld (productie 4 dagvaarding).

6. Bij brief van 27 juli 2005 heeft De Y c.s. Dexia nogmaals aansprakelijk doen stellen, de twee Capital Effect’s buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot terugbetaling van de inleg met toepassing van een door deze rechtbank in enige andere zaken gehanteerde billijkheidsformule (productie 6 en 7 dagvaarding).

7. Het voorgaande baseerde De Y c.s. onder meer op het niet-inachtnemen door Dexia van haar zorgplicht, zomede op de bepalingen van de volgens hem ten deze toepasselijke Wet op het Consumentenkrediet (WCK) respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 dezer wet, zulks in de zin van de aandelenleasejurisprudentie dezer rechtbank (Dexia-Cosar LJN AS 4746 e.v.).

In conventie

8. De Y c.s. vordert:

I. Voor recht te verklaren dat de twee overeenkomsten Capital Effect nietig zijn;.

II. Dexia te veroordelen aan De Y c.s. te voldoen tegen bewijs van kwijting:

tweemaal € 3.101,98, oftewel in totaal € 6.203,96.

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de onder-

scheiden deelbetalingen zijn verricht althans de dag der dagvaarding tot aan de dag

der betaling.

IV. Dexia te bevelen op straffe ener dwangsom het BKR te Tiel op te dragen de A-notering

van De Y c.s. ongedaan te maken

V. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VI. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

9. Bij repliek vult De Y c.s. middels vermeerdering van eis de grondslagen harer vordering aan met de stelling dat Dexia jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het feit dat het optreden van VSN als zodanig is te kwalificeren en Dexia in het verlengde daarvan eveneens, zulks in de zin van een viertal vergelijkbare uitspraken dezer rechtbank van 27 september en 4 oktober 2006 (punt 5 CvR). Naast een gevorderde verklaring voor recht dat de restschulden vervallen zijn, bepaalt De Y c.s. het bedrag der vordering nader op tweemaal € 2.887,14 = € 5.774,28.

Het verweer van Dexia (kort samengevat)

10. Dexia stelt dat de twee aandelenleaseovereenkomsten Capital Effect zijn afgesloten via de assurantietussenpersoon VSN, die De Y c.s. ter zake heeft geïnformeerd en geadviseerd.

Na getoonde interesse van De Y c.s. heeft VSN hem aanvraagformulieren verschaft en de Bank heeft die door De Y c.s. ondertekend retourontvangen. Vervolgens heeft de Bank de overeenkomsten aan VSN verstuurd.

Dexia stelt daarmede aan haar zorgplicht ten opzichte van De Y c.s. te hebben voldaan.

11. Voor deze contracten wordt voorzien in aflossing van de aankoopsommen en diende

De Y c.s. uit hoofde van deze overeenkomsten gedurende de looptijd een maandelijks bedrag, bestaande uit rente en aflossing over de aankoopsom van de portefeuille, aan de Bank te voldoen.

Volledigheidshalve wijst de Bank erop dat hierbij na het verstrijken van de looptijd van deze overeenkomsten, geen zogenaamde restschuld kan ontstaan. Slechts in het geval deze tussentijds worden beëindigd, hetgeen in casu het geval is geweest, bestaat de mogelijkheid dat De Y c.s. na dergelijke tussentijdse afloop nog een bedrag verschuldigd is geweest.

12. Dexia doet echter voor alles een beroep op het niet inachtnemen door De Y c.s. in de dagvaarding van de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv.

13. Voorts betwist Dexia de toepasselijkheid ten deze van de Wet Consumenten Krediet, alleen al vanwege het overschrijden van het beschermingsplafond van die wet, en stelt verder dat wettelijke rente in voorkomend geval eerst verschuldigd is vanaf het moment dat er verzuim aan de orde is, verzet zich tegen kostenveroordeling en concludeert tot afwijzing van de vordering van De Y c.s.

14. Ten aanzien van het optreden van VSN als effectenbemiddelaar zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellingsregeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995, zulks vanwege de omstandigheid dat VSN niet enkel

De Y c.s. als klant bij de Bank heeft aangebracht, maar zich ook heeft beziggehouden met advisering en/of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de overeenkomst leidt: niet de overeenkomst zelf is strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens het handelen van de tussenpersoon.

15. Het ontbreken van een vergunning op basis van de Wck acht Dexia geheeld vanwege het feit dat Dexia ingaande 1 januari 2006 beschikt over een vergunning ex artikel 10 van de Wet financiële Dienstverlening, die blijkens artikel 102 Wfd de Wck-vergunning vervangt en mitsdien ex artikel 32:58 BW het eerder ontbreken van een vergunning repareert.

16. Naar aanleiding van de door De Y c.s. nader gestelde grondslag van onrechtmatige daad, stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomsten duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat maar over een geldlening, de door De Y c.s. ingeroepen bepalingen van NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden.

Overigens betwist Dexia uitdrukkelijk de macht te hebben de A-codering van De Y c.s. bij het BKR te Tiel ongedaan te kunnen maken.

17. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat De Y c.s. niet door hen genoten fiscale of andere voordelen als € 595,42 per overeenkomst aan ontvangen dividenden verdisconteert in zijn vorderingen, zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

Reconventie

18. Dexia vordert in reconventie de aan De Y c.s. gebleven restschuld van in totaal

€ 3.755,10 op beide overeenkomsten tezamen, zulks met contractuele rente althans wettelijke rente.

Volgens De Y c.s. stuit deze vordering van Dexia af op het gestelde in conventie en lossen de bedragen van de restschulden zich op in een toe te passen restitutieformule.

De beoordeling

19. De twee door De Y c.s. aan de vordering ten grondslag gelegde overeenkomsten “Capital Effect” staan tussen partijen vast, evenals het feit dat De Y c.s. daarop in totaal

twee maal € 3.825,92 = € 7.651,84 heeft voldaan, die overeenkomsten inmiddels (tussentijds) zijn beëindigd en dat de restschulden van totaal € 3.755,10 aan Dexia onbetaald zijn gebleven c.q. een bedrag van twee maal € 595,42 = € 1.190,84 door De Y c.s. aan dividend is ontvangen.

Wet op het Consumentenkrediet

20. De rechtbank handhaaft haar in eerdere uitspraken ingenomen standpunt dat de WCK op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is.

De rechtbank constateert echter dat de WCK ten deze toepassing mist omdat de in aanmerking te nemen kredietsommen het in 2000 geldende plafond ingevolge artikel 3 dezer wet van € 22.652,-- overtrof, waarbij de rechtbank de twee door De Y c.s. op hetzelfde moment tezamen gesloten overeenkomsten Capital Effect als één geheel beschouwt.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/VSN

21. Gezien de bestaande mogelijkheid van vermeerdering van eis ook betreffende de gronden, ziet de rechtbank aanleiding ook de nader bij repliek gestelde onrechtmatige daad als grondslag voor de vordering van De Y c.s. te bezien.

22. Met betrekking tot de gedragingen van VSN en de aansprakelijkheid van VSN voor de schade van De Y c.s., overweegt de rechtbank het volgende:

a. VSN is een zogenaamde cliëntenremisier en is als zodanig weliswaar aan te merken als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 sub b Wte, maar is op grond van artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht. De belangrijkste van die voorwaarden is dat zij haar activiteiten beperkt tot het aanbrengen van klanten bij de in dat artikel genoemde instellingen.

b. Dat Dexia een instelling als bedoeld in artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit is, staat niet ter discussie. Nagegaan moet derhalve slechts worden of VSN zich beperkt heeft tot het aanbrengen van De Y c.s. als klanten bij Dexia of dat VSN verdere, voor een cliëntenremisier ontoelaatbare bemoeienis met de zaak gehad heeft. Daarvoor is het nodig om vast te stellen wat er onder aanbrengen wordt verstaan.

c. Een wettelijke definitie van het begrip aanbrengen in het kader van de Wte en de daarop gegronde regelgeving bestaat niet. Wel wordt er op haar website (www.afm.nl) een uiteenzetting van het begrip gegeven door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daar is, voor zover hier van belang, te lezen: Cliëntenremisiers mogen alleen cliënten aanbrengen bij effecteninstellingen die een vergunning hebben van de AFM. Cliëntenremisiers mogen bijvoorbeeld geen vermogensbeheer verrichten, orders van cliënten doorgeven of geld van cliënten onder zich houden. Daarnaast mogen zij geen cliënten aanbrengen bij andere cliëntenremisiers. Cliëntenremisiers mogen wel cliënten uitleggen wat een aandeel of een obligatie is. Echter zij mogen niet een specifiek aandeel, obligatie, effectenleaseproduct etc. beroeps- of bedrijfsmatig adviseren.

d. Uitgaande van deze uitleg -en de rechtbank gaat bij gebrek aan een andere gezaghebbende uitleg van deze uitleg, die zij ook onderschrijft, uit- was het aan VSN toegestaan om De Y c.s. te informeren mits die informatie beperkt was tot kenmerken van beleggingscategorieën en om hem door te verwijzen naar Dexia, maar niet om

De Y c.s. te adviseren.

e. Een andere voorwaarde is dat de cliëntenremisier zich houdt aan enkele specifieke gedragsregels die voortvloeien uit het Bte en dan hoofdzakelijk uit artikel 24 daarvan en uit de NR, in dit geval de NR 99. Dat zijn, voor zover in deze specifieke zaak van belang, dat hij handelt in het belang van de cliënt en de adequate functionering van de effectenmarkten, in het belang van de cliënt kennis neemt van diens financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstelling, voor zover dat redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van zijn diensten, de cliënt de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de door hem aangeboden diensten en de effecten waarop die diensten betrekking hebben en een verbod op het zogenaamde “cold calling” i.e. een verbod om hen die nog geen cliënt zijn, telefonisch of persoonlijk te benaderen anders dan in het geval de betrokkenen daar vooraf schriftelijk dan wel telefonisch mee heeft ingestemd dan wel in het contact slechts wordt aangeboden om schriftelijke of elektronische informatie te verschaffen.

f. Op grond van de stellingen van De Y c.s. moet worden aangenomen dat VSN het cold calling-verbod als zodanig niet heeft overtreden maar zich niet, althans volstrekt onvoldoende, verdiept heeft in de beleggingsdoelstellingen van De Y c.s., zijn financiële positie, beleggingsdoelstelling(en) en beleggingservaring en aldus ook niet in diens belang gehandeld heeft.

g. Met betrekking tot het tot stand komen van het contact met VSN is door De Y c.s. immers onweersproken gesteld, dat hij door VSN na het inzenden van een bon is benaderd en hem vervolgens een beleggingsconstructie is gepresenteerd en geadviseerd waarmede het vermogen snel kon worden vergroot.

h. Met betrekking tot hetgeen verricht is door VSN om zich een beeld te vormen van

De Y c.s., diens financiële positie, beleggingsdoelstellingen en beleggingservaring, is door De Y c.s., naast hetgeen reeds onder g hierboven is weergegeven, onweersproken gesteld dat hij, De Y c.s., aan de medewerkster van VSN naar aanleiding van diens vragen verteld heeft, dat hij wilde sparen voor de toekomst.

Behoudens de brochure zegt hij schriftelijke productinformatie van VSN niet gekregen te hebben en naar aanleiding van vragen bij het tekenen van de overeenkomst werd verwezen naar de looptijd van 60 maanden, dat hem nooit duidelijk is geweest dat hij een lening is aangegaan, dat daar niet op gewezen is, dat hij dat uit de tekst van de overeenkomst niet heeft kunnen opmaken, dat weliswaar over een maandbedrag, maar niet over leasen, koersdaling en over een restschuld nooit gesproken is, dat ook nooit aan de orde is geweest dat hij alles kon kwijtraken.

i. Deze onder h weergegeven stellingen van De Y c.s. zijn weliswaar, naar uit de overgelegde producties en dan met name de overeenkomsten Capital Effect en de daaraan voorafgaande aanvraagformulieren moet worden afgeleid, niet allemaal juist, maar niettemin kan er de conclusie uitgetrokken worden dat De Y c.s. niet begrepen heeft wat hem is voorgehouden alsmede dat ook de voorlichting tekortgeschoten is.

Voorts is onjuist dat er niet over leasen gesproken is, want de door De Y c.s. ondertekende overeenkomsten zijn lease-overeenkomsten, evenals dat De Y c.s. niet uit de overeenkomst had kunnen opmaken dat er sprake van een lening was, want er is immers sprake van rente in die overeenkomsten, dat over een maandbedrag anders dan een spaarbedrag, niet gesproken is, want dat maandbedrag is in de overeenkomst vermeld.

Dat de voorlichting tekortgeschoten is, blijkt genoegzaam uit het feit dat door VSN, naar onweersproken gesteld is, in de vooraf mondelinge aan De Y c.s. verstrekte informatie er kennelijk geen aandacht aan het break-evenrendement geschonken is en de omstandigheid dat De Y c.s., die geen/onvoldoende beleggingservaring had, van de hele opzet kennelijk niets begrepen heeft zoals uit de persoonlijke statements die bij de stukken zijn gevoegd blijkt en gezien het opleidingsniveau (LO c.q. Mavo) en inkomensniveau op minimumloonniveau ook niet verwonderlijk is. Dat er voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst concreet gewezen is op de mogelijkheid van verlies, is gesteld noch gebleken. In ieder geval blijkt daarvan niets uit enig overgelegd stuk van VSN of de door Dexia overgelegde aanvraagformulieren (producties 10 en 11 CvD).

j. Uit de overgelegde producties, de overigens ongedateerde aanvraagformulieren van VSN die voorafgegaan zijn aan de overeenkomsten Capital Effect van

14 november 2000, blijkt dat er toen al een keuze is gemaakt voor deze beleggingsconstructie.

Op die formulieren, afkomstig van VSN met de naam van haar adviseur Bianca Meyer en de kennelijk per order gezette handtekening van De Y c.s., is namelijk vermeld dat

De Y c.s. van de acht mogelijke de daarop genoemde constructie Capital Effect met maandbetaling van f 150,-- (per contract) heeft gekozen.

De rechtbank leidt ook daaruit en uit het feit dat er geen daaraan voorafgaande correspondentie is overgelegd af, dat VSN degene is die geadviseerd heeft over de wijze van beleggen en tot welk bedrag.

Dat levert een handelen in strijd met de Vrijstellingsregeling op, immers is meer dan aanbrengen en is als beroeps- of bedrijfsmatig adviseren aan te merken.

k. De conclusie tot zover is dat VSN in haar relatie tot De Y c.s. niet alleen onrechtmatig gehandeld heeft door te handelen in strijd met de voorschriften van de Vrijstellingsregeling en daarmee in strijd met artikel 7 Wte, maar zich ook niet gedragen heeft als een goed opdrachtnemer overeenkomstig de bepalingen van titel 7 :7 BW, immers niet gehandeld heeft als een redelijk handelend bekwaam vakgenoot dient te handelen, hetgeen, naast een contractuele tekortkoming ook weer als onrechtmatig handelen is aan te merken.

VSN is daarmee aansprakelijk voor de door De Y c.s. als gevolg van het onrechtmatig handelen opgekomen schade.

23. Daarmee komt de rechtbank toe aan de aansprakelijkheid van Dexia, zowel voor zover die een gevolg is van haar eigen gedragingen als op grond van het bepaalde in artikel 6:76 BW voor gedragingen van VSN.

24. Dienaangaande wordt het volgende overwogen:

a. De rechtbank stelt voorop dat tussenpersonen -en dus ook cliëntenremisiers- een belangrijke instrument voor financiële instellingen zijn om hun producten in de markt te (kunnen) zetten. Dat legt op de instelling die van de diensten van een cliëntenremisier gebruik maakt en hem doorgaans -zoals dat ook in dit geval kennelijk is gebeurd nu op dit punt niets anders is gesteld of gebleken- ook middels de toekenning van provisie betaalt, een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot de selectie van de tussenpersoon van wie hij cliënten en opdrachten accepteert.

b. Een en ander blijkt ook uit het bepaalde in artikel 41 NR 99 dat de effecteninstelling onder andere gebiedt om zich met betrekking tot de onder i, ii en iii van dat artikel genoemde effecteninstellingen te onthouden van een aantal zaken, waaronder het verrichten van effectentransacties voor deze instellingen. VSN zou, indien zij zich aan de voor haar geldende regels had gehouden, weliswaar niet tot één van die categorieën behoord hebben, maar nu zij zich niet aan die regels gehouden heeft, behoort zij daar wel toe en is zij met name aan te merken als een effecteninstelling die niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte (categorie i).

c. De vraag is nu of Dexia voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het aanvaarden van De Y c.s. als klant, c.q. het contracteren met De Y c.s. op basis van wat door VSN aan haar omtrent De Y c.s. en hetgeen de inhoud van de door De Y c.s. gewenste overeenkomst(en) met haar geweest zou zijn is medegedeeld en die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De aanvraagformulieren voorafgaand aan de aandelenleaseovereenkomsten, waarop Dexia zich beroept, geven geen informatie omtrent de financiële positie van De Y c.s., noch omtrent diens beleggingservaring of beleggingsdoelstelling.

Op deze van VSN afkomstige aanvraagformulieren, in de tijd voorafgaand aan de overeenkomsten Capital Effect en tevens het eerste schriftelijke contact tussen De Y c.s. en Dexia, is uit de acht mogelijkheden keuze gemaakt voor Capital Effect met maandbetaling van f 150,-- per contract. Daaraan kan alleen verboden advisering door de medewerker van VSN, die beide formulieren heeft ingevuld, ondertekend en beiden van het adviseursnummer (037) voorzien heeft, ten grondslag gelegen hebben.

Dexia had dat kunnen en moeten onderkennen en zich van contracteren met De Y c.s. op basis van die adviezen moeten onthouden.

Door dat na te laten en aldus te handelen in strijd met artikel 41 NR 99 is de overeenkomst tussen De Y c.s. en Dexia nietig, immers ligt aan artikel 41 NR 99 dezelfde gedachte ten grondslag als aan artikel 7 Wte, namelijk een adequate werking van de financiële markten en de positie van de belegger.

Daarnaast heeft Dexia ook onrechtmatig jegens De Y c.s. gehandeld en is zij daardoor ook aansprakelijk voor de door De Y c.s. als gevolg van het complex van onrechtmatige handelingen geleden schade.

d. Los van bovenstaande kan tevens geconcludeerd worden dat Dexia, door aldus te handelen -en naar mag worden aangenomen aan VSN provisie te betalen- gebruik heeft gemaakt van de hulp van VSN bij het tot stand brengen van de overeenkomst met

De Y c.s. en daarmee tevens voor de gedragingen van VSN aansprakelijk is.

De vordering, voor zover toewijsbaar is derhalve ook tegen Dexia toewijsbaar.

25. Gelet op de conclusies dat de beide overeenkomsten Capital Effect nietig zijn, is het gevolg daarvan dat de rechtsgrond(en) die ten grondslag lag(en) aan de wederzijds verrichte prestaties met terugwerkende kracht daaraan is (zijn) ontvallen. Beide partijen dienen financieel hersteld te worden in de toestand waarin zij zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten bevonden. Dat betekent dat de aandelen voor rekening van Dexia blijven, Dexia in beginsel al niets meer te vorderen had van De Y c.s. en hetgeen door

De Y c.s. aan haar betaald is, in beginsel als onverschuldigd aan hem terug moet betalen. Het onderdeel I van de vordering van De Y c.s. in conventie is derhalve in principe toewijsbaar, zij het met verrekening van de door De Y c.s. ontvangen dividenden.

26. Met betrekking tot onderdeel II wordt daarbij overwogen, dat het zoals door

De Y c.s. zelf reeds in de dagvaarding onder ogen gezien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dat de overeenkomsten met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan, omdat aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomsten niet door hem zou zijn ingeroepen als de waarde van de aandelen gestegen was.

De rechtbank vindt daarin aanleiding om op de voet van het bepaalde in artikel 6:278 lid 2 BW te bepalen dat de helft van de som van het door De Y c.s. aan Dexia betaalde, minus bij de afloop gebleven restschulden, zulks verminderd met de door De Y c.s. ontvangen dividenden door Dexia aan hem moet worden terugbetaald.

De rechtbank relateert dit speciaal aan deze (vorm van) overeenkomst die niet tot een restschuld behoeft te leiden, maar (alleen tot het moment van tussentijdse beëindiging) niet de verwachte opbrengst heeft gebracht, integendeel tot een restschuld heeft geleid.

Toegewezen wordt derhalve:

(€ 7.651,84 - € 3.755,10) : 2 = € 1.948,37 minus € 1.190,84 = € 757,53.

27. Door Dexia is nog een beroep op eigen schuld van De Y c.s. gedaan. De rechtbank onderschrijft de stelling van Dexia dat de schade mede aan De Y c.s. moet worden toegerekend, immers heeft hij zich zonder enige beleggingservaring, zonder voldoende schriftelijke informatie vooraf en zonder voldoende onderzoek naar het aangeboden product te hebben gedaan, in een voor hem kennelijk duister avontuur gestort.

28. Toch verbindt de rechtbank daar niet de door Dexia gewenste consequenties aan. Dexia is zo ernstig tekortgeschoten in haar de jegens De Y c.s. betamende zorg, dat de rechtbank daarin aanleiding vindt om de schade met toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101, eerste lid BW over de partijen te verdelen als onder 26 hierboven overwogen .

29. Het door De Y c.s. gevorderde bevel op straffe ener dwangsom Dexia de A-notering van De Y c.s. bij het BKR door te halen, wordt afgewezen, nu De Y c.s. in onvoldoende mate heeft weersproken de stelling van Dexia daartoe niet bij machte te zijn.

Wel ziet de rechtbank aanleiding de gevorderde verklaring dat de restschulden van

De Y c.s. vervallen zijn, toe te wijzen.

30. Hetgeen partijen verder verdeeld houdt, waaronder de reconventionele vordering, behoeft gelet op bovenstaande geen bespreking.

31. Als ieder gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, dient elke partij de eigen kosten van het geding zowel in conventie als reconventie te dragen.

RECHTDOENDE

In conventie

I. Verklaart voor recht dat de twee tussen partijen gesloten overeenkomsten Capital Effect

met nummers 21694652 en 21694654 d.d. 14 november 2000 nietig zijn.

II. Veroordeelt Dexia om aan De Y c.s. te betalen een bedrag van € 757,53

(zevenhonderdzevenenvijftig euro en drieënvijftig eurocent) vermeerderd met de

wettelijke rente hierover van 15 februari 2005 tot de dag van betaling.

III. Verklaart voor recht dat de ten processe bedoelde restschulden van De Y c.s. aan

Dexia vervallen zijn.

IV. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

V. Verklaart het onderdeel II van het dictum van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

VII. Wijst af de vordering van Dexia.

VIII. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de hare draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Van der Veer en op 6 februari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.