Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7023

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
77951 ha za 06-468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 77951 ha za 06-468

datum vonnis: 30 januari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. Y-K,

en

2. Y,

echtelieden,

beiden wonende te H,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

verder gezamenlijk te noemen: Y (enkelvoud),

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. J. Vestering.

Het procesverloop

In conventie en in reconventie:

1. Y heeft gevorderd conform de op 7 april 2006 uitgebrachte inleidende dagvaarding. Dexia heeft vervolgens een akte uitlating schorsing en Y een akte hervatting procedure in het geding gebracht. Nadien heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie genomen. Y heeft vervolgens een conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering van eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie (en antwoordakte vermeerdering van eis in conventie) tevens houdende conclusie van repliek in reconventie (en akte vermeerdering van eis in reconventie). Na een conclusie van dupliek in reconventie (tevens akte uitlating producties bij dupliek) zijdens Y hebben partijen vonnis verzocht.

Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:

2. Y heeft in de periode van juni 1997 tot november 2000 bij de naamloze vennootschap Labouchere N.V. (toen handelend onder de naam “Legio Lease B.V.”; rechtsvoorganger van Dexia), in totaal zes “Bank Labouchere-producten” afgenomen. Het betreft hier steeds een aandelenleaseproduct, en wel de volgende:

- Overeenkomst 1: een op 26 juni 1997 voor de duur van 60 maanden afgesloten overeenkomst Winstverdubbelaar met het nummer 73040602 (zie bijlage 5 bij de conclusie van eis in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt

Hfl. 22.023,40. De overeengekomen 60 maandelijks opeisbare rentetermijnen van

€ 68,29 zijn door Y betaald; te weten in totaal € 4.097,40. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankooptotaalbedrag van Hfl.12.993,40 aan Y aandelen ABN AMRO en KPN heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd van 60 maanden een restant hoofdsom overblijft van Hfl. 12.893,40, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Na ommekomst van de overeengekomen looptijd bleek aldus een restschuld van Y aan Dexia te bestaan van € 698,24, welk bedrag door Y (onder protest) is voldaan;

- Overeenkomst 2: een op 24 juli 1997 voor de duur van 60 maanden afgesloten overeenkomst Winstverdubbelaar met het nummer 73048406 (zie bijlage 8 bij de conclusie van eis in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt

Hfl. 36.744,40. De overeengekomen 60 maandelijks opeisbare rentetermijnen van

€ 113,94 zijn door Y betaald; te weten in totaal € 6.836,40. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankooptotaalbedrag van

Hfl. 21.678,40 aan Y aandelen ABN AMRO en KPN heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd van 60 maanden een restant hoofdsom overblijft van Hfl. 21.578,40, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Na ommekomst van de overeengekomen looptijd bleek aldus een restschuld van Y aan Dexia te bestaan.

- Overeenkomst 3: een op 3 oktober 1997 voor de duur van 120 maanden afgesloten overeenkomst Feestplan met het nummer 57013977 (zie bijlage 11 bij de conclusie van eis in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt Hfl. 50.560,05. De overeengekomen eerste 36 maandelijks opeisbare rentetermijnen van € 114,09 zijn door Y betaald; te weten in totaal € 4.107,60. Kornergoor behoeft op deze overeenkomst geen rentetermijnen meer te voldoen. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankooptotaalbedrag van Hfl. 20.387,25 aan Y aandelen Aegon heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd van 120 maanden een restant hoofdsom overblijft van

Hfl. 20.287,25, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Deze overeenkomst is inmiddels beëindigd met een restschuld;

- Overeenkomst 4: een eveneens op 3 oktober 1997 voor de duur van 120 maanden afgesloten overeenkomst Feestplan met het nummer 57014400 (zie bijlage 14 bij de conclusie van eis in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt Hfl. 10.275,75. De overeengekomen eerste 36 maandelijks opeisbare rentetermijnen van € 23,19 zijn door Y betaald; te weten in totaal € 834,84. Kornergoor behoeft op deze overeenkomst geen rentetermijnen meer te voldoen. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankooptotaalbedrag van Hfl. 4.143,75 aan Y aandelen Aegon heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd van 120 maanden een restant hoofdsom overblijft van Hfl. 4.043,75, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Deze overeenkomst is beëindigd met een restschuld;

- Overeenkomst 5: een op 25 oktober 2000 voor de duur van 120 maanden afgesloten overeenkomst Feestplan met het nummer 57102652 (zie bijlage 17 bij de conclusie van eis in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 22.911,33. In totaal 51 maandelijks opeisbare rentetermijnen van € 113,94 zijn door Y betaald alsmede 1 termijn van € 38,27; te weten in totaal € 5.849,21. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankooptotaalbedrag van € 9.238,53 aan Y aandelen Aegon heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd van 120 maanden een restant hoofdsom overblijft van € 9.193,15, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Deze overeenkomst is op 13 september 2005 beëindigd. Daarbij bleek aldus een restschuld van Y aan Dexia te bestaan;

- Overeenkomst 6: een eveneens op 25 oktober 2000 voor de duur van 120 maanden afgesloten overeenkomst Feestplan met het nummer 57102637 (zie bijlage 19 bij de conclusie van eis in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt

- € 4.514,40. In totaal 52 maandelijks opeisbare rentetermijnen van € 22,45 zijn door Y betaald; te weten in totaal € 1.167,40. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankooptotaalbedrag van € 1.820,40 aan Y aandelen Aegon heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd van 120 maanden een restant hoofdsom overblijft van € 3.911,63, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Deze overeenkomst is op 13 september 2005 beëindigd. Daarbij bleek een restschuld van Y aan Dexia te bestaan;

3. Bij brief van 10 mei 2005 heeft Y van de overeenkomsten de nietigheid ingeroepen c.q. deze buitengerechtelijk ontbonden dan wel vernietigd, zich ter zake baserende op een niet in acht genomen zorgplicht althans op strijd met de bepalingen van de WCK respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 van die wet.

4. Eerder, te weten bij brieven van 5 en 24 juni 2002, had eiseres sub 2 zich gemeld bij Dexia, stellende dat zij er achter was gekomen dat alleen haar echtgenoot deze aandelenleaseovereenkomsten had getekend, dat zij ervoer bevoegd te zijn die overeenkomsten te vernietigen en dat resultaat middels die brieven wenste te bereiken.

5. Y heeft een verklaring afgelegd zoals is bedoeld in artikel 7:908 BW en heeft daarmee te kennen gegeven dat hij niet aan de Duisenberg-regeling gebonden wil zijn.

De standpunten van partijen

In conventie:

6. Y vordert, de vermeerdering bij repliek inbegrepen:

I. Te verklaren voor recht dat de overeenkomsten:

a. buitengerechtelijk ontbonden zijn, of;

b. buitengerechtelijk vernietigd zijn althans die nietig zijn althans die te vernietigen, of;

c. Dexia onrechtmatig jegens Y heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is.

II. Dexia deswege te veroordelen aan Y te voldoen tegen bewijs van kwijting:

primair: € 22.892,35 en € 4.334,92 (betaalde restschuld); subsidiair: € 21.504,55 (aan

schadevergoeding) en meer subsidiair: € 20.333,71;

III. Voornoemd bedragen (steeds) vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen

dat de deelbetalingen zijn gedaan dan wel dat Dexia in verzuim verkeert (5 juni 2002) of vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de betaling;

IV. Te verklaren voor recht dat de restschuld(en) zijn vervallen verklaard;

V. Dexia op verbeurte van een dwangsom bevelen het BKR op te dragen de A-notering

op naam van Y ongedaan te maken;

VI. Dexia te veroordelen in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad

verklaren.

7. Het verweer van Dexia luidt kort samengevat en voor zover nog van belang als volgt:

- Voor de totstandkoming van alle overeenkomsten geldt dat Y steeds heeft gereageerd op een mailing van de rechtsvoorganger van Dexia, van welke mailing steeds deel uitmaakte een van de brochures, die als bijlage 14 of 15 of 16 zijn gevoegd bij de conclusie van antwoord in conventie. Y heeft op deze mailings gereageerd door het ondertekenen en het rechtstreeks aan de Bank retourneren van de aan die brochures bevestigde aanvraagformulieren (bijlagen 17 tot en met 22 bij diezelfde conclusie). Na ontvangst van die aanvraagformulieren heeft de rechtsvoorganger van Dexia de interne acceptatieprocedure steeds gevolgd. Tot slot is steeds de overeenkomst in tweevoud samen met de fiscale opinie en een rekenvoorbeeld naar Y ter ondertekening verzonden, waarna de overeenkomst door Y is ondertekend en aan de Bank geretourneerd. Aldus heeft Y naar zeggen van Dexia steeds in alle rust kunnen beslissen of hij deze overeenkomst wilde aangaan.

- Dexia bestrijdt de stelling dat hier een huurkoop-overeenkomst aan de orde is die eiseres sub 2 het recht zou geven wegens haar ontbrekende toestemming tot het aangaan ervan vernietiging in te roepen.

- Evenmin acht Dexia de WCK van toepassing op aandelenleaseovereenkomsten in het algemeen en de onderhavige. Aan haar zorgplicht in algemene zin acht Dexia te hebben voldaan onder meer middels de aan Y toegezonden documentatie, waaruit het nodige bleek respectievelijk de controle bij het BKR te Tiel omtrent diens (krediet-)positie en acht overigens -voor zover van belang- de NR 99 ter zake niet van toepassing.

- Dexia ontkent ook overigens enige (vorm van) onrechtmatige daad jegens Y te hebben gepleegd en voor zover daarover anders zou moeten worden gedacht, naast eerdergenoemd dividend ook de andere voordelen voor Y uit de overeenkomst verdisconteerd moeten worden. Betreffende de gestelde schade wijst Dexia erop dat Y niet door hem genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

Wettelijke rente kan Dexia eerst verschuldigd zijn ingaande de datum dat van verzuim harerzijds kan worden gesproken.

In reconventie:

8. In reconventie vordert Dexia - na vermeerdering van eis - betaling van de restschulden volgende uit de volgende overeenkomsten:

- 73048406 € 2.427,77 (na aftrek van de betaling van € 1.688,64)

- 57013977 € 2.633,93

- 57014400 € 535,35

- 57102637 € 2.433,26

- 57102652 € 11.976,63

Dit te vermeerderen met contractuele rente van 1,23% althans de wettelijke rente. Dit met veroordeling van Y in de kosten van dit geding. Een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

9. Dexia stelt daartoe dat Y voormeld totaalbedrag (€ 20.006,94) verschuldigd is geworden op basis van de meergenoemde twee eindafrekeningen.

10. Y heeft geconcludeerd tot afwijzing van het in reconventie gevorderde. Dit allereerst onder aanvoering van het volgende:

a. Het totaalbedrag van de restschulden lost zich op in de door de rechtbank in conventie toe te passen formule. De vervallenverklaring van de restschulden is immers onderdeel van wat in conventie wordt gevorderd.

b. Bij de eindafrekening van 57102652 is een doublure gemaakt in de bedragen die betaalbaar waren. Er wordt namelijk twee keer een hoofdsom contant gemaakt, respectievelijk € 6.142,98 en € 7.163,88. Het laatste bedrag weglatend, bedraagt de werkelijke restschuld aldus € 4.805,02.

c. Ook bij 57102637 is dezelfde fout gemaakt.

d. Op de restschuld van 73048406 is door Y geen € .688,64 voldaan maar veel meer, te weten “een bedrag tussen € 2.306,21 en € 2.155,42” en € 2.155,42 (31 termijnen van € 68,61).

De beoordeling

In conventie

artikel 1:88 e.v. BW

11. In een eerdere vergelijkbare zaak (rechtbank Almelo 26 november 2003 LJN: AN 9138) heeft deze rechtbank al uitgemaakt dat aandelenleaseovereenkomsten als de onderhavige niet als huurkoop in de zin van deze bepalingen zijn te kwalificeren en derhalve het toestemmingsvereiste van eiseres sub 2 niet geldt. De rechtbank blijft bij dit door haar ingenomen standpunt.

Wet Consumenten Krediet (WCK)

12. De rechtbank handhaaft voorts haar in eerdere uitspraken ingenomen standpunt dat de WCK op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is. De rechtbank constateert echter dat de WCK ten aanzien van de vier in 1997 (in een kort tijdsbestek) gesloten overeenkomsten toepassing mist. Dit omdat het totaal van de middels die vier overeenkomsten overeengekomen leasesommen ruimschoots het bedrag overstijgt van het het tot 1 februari 2001 geldende beschermingsplafond van die wet van

Hlf. 50.000,-/€ 22.652,-.

13. De overeenkomsten 5 en 6 zijn gelijktijdig gesloten en dienen in dit kader eveneens als een samenstel te worden beschouwd. Ook hier geldt dat het totaal van de overeengekomen leasesommen voormeld toen nog geldend beschermingsplafond overstijgt.

Het verweer van Dexia dat Y geen bescherming aan de WCK kan ontlenen, slaagt derhalve voor alle zes overeenkomsten.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Dexia

14. Daarmee komt de rechtbank toe aan de aansprakelijkheid van Dexia.

15. Over de totstandkoming van de overeenkomst is door Y (opnieuw) verklaard in diens - in de conclusie van repliek in conventie vervatte - statement, dat hij in 1997 is gebeld door een medewerker van de rechtsvoorganger van Dexia, met de vraag of hij de eerder toegezonden mailing had ontvangen. Dat gesprek heeft er toe geleid dat met goedvinden van Y die mailing nog een keer naar hem is verzonden. Na - naar eigen zeggen van Y - goede doorlezing van het toegezonden materiaal heeft weer telefonisch contact tussen partijen plaatsgevonden. Y heeft daarbij meer tijd geclaimd om zich te kunnen beraden wat te doen. Dit met name ook om af te wegen of de bij de SNS lopende spaarregeling niet ook moest worden beëindigd. Uiteindelijk zijn de aanvraagformulieren ingevuld door Y en zijn later de overeenkomsten ondertekend en teruggezonden. Later in 1997 zijn de andere twee overeenkomsten gesloten op basis van (weer) rechtstreeks door de rechtsvoorganger van Dexia toegezonden foldermateriaal.

16. In najaar 2000 – toen na drie jaren de betalingen op “het Feestplan” waren gestopt omdat vanwege de koerswinsten geen geld meer behoefde te worden ingelegd – is Y naar eigen zeggen weer gezwicht voor “een mooi voorstel in de bus”. Dit met als resultaat de - rechtstreeks en zonder tussenkomst van derden afgesloten - overeenkomsten 5 en 6.

17. Uit diens statement mag ook worden afgeleid dat Y tijdens het sluiten van alle zes de overeenkomsten, er mee op de hoogte was dat de overeenkomsten Winstverdubbelaar en Feestplan steeds inhielden dat aandelen werden aangeschaft en dat aldus sprake was van koersrisico.

18. Vervolgens is het steeds Y geweest die de hem toegezonden concept-overeenkomst heeft ingevuld/ondertekend en aan (de rechtsvoorganger van) Dexia heeft

teruggezonden. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van Dexia anderszins moeite is gedaan om Y te bewegen tot het aangaan van deze aandelenleaseovereenkomsten. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat Y in (redelijke) rust en niet onder druk van enige op provisie beluste tussenpersoon zelf tot het aangaan van deze overeenkomsten is gekomen.

19. De rechtbank is voorts van oordeel dat het aan Y ter informatie toegezonden schriftelijk materiaal als geheel (inclusief deze overeenkomsten), niet als ondeugdelijk en misleidend kan worden betiteld. Uitgaande van de inhoud van de door Y in het geding gebrachte brochure (bijlage 2 bij de conclusie van eis), moet worden geconstateerd dat daarin voldoende duidelijk wordt gemaakt dat steeds rente moet worden betaald en dat een hoofdsom resteert die moet worden afgelost uit de opbrengst van de te verkopen aandelen: “Als de koers na vijf jaar lager is dan de aankoopkoers, is de verkoopopbrengst minder dan de nog af te lossen hoofdsom. U hoeft uw aandelen dan niet met verlies te verkopen, maar u kunt bijvoorbeeld uw leasecontract in afwachting van betere tijden verlengen.” Overigens is door Y niet gesteld dat het door hem ontvangen informatiemateriaal op zich ondeugdelijk is. Immers beperkt Y zijn kritiek op die documentatie (in de conclusie van repliek in conventie onder “kern van de zaak”) tot het punt dat hij onvoldoende is gewezen op de risico’s die samenhangen met beleggen in aandelen; namelijk dat bij een waardedaling van de aandelen de restschuld niet geheel wordt voldaan en er dus bijbetaald moet worden.

20. De rechtbank is van oordeel dat deze kritiek onvoldoende hout snijdt. In de door Y – naar eigen zeggen – ontvangen documentatie wordt voldoende duidelijk gewezen op de mogelijkheid van een minder goede afloop. Ook wordt in de – naar onweersproken door Dexia is gesteld – steeds meegezonden “Fiscale opinie” uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van niet aftrekbare koersverliezen bij verkoop van de aandelenportefeuille, zo is de rechtbank ambtshalve bekend uit andere gelijksoortige zaken.

21. De rechtbank oordeelt op basis van het hiervoor overwogene dan ook geen aanleiding aanwezig tot enig verder onderzoek naar de door Y desondanks gestelde onrechtmatige daad vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van Y omtrent feitelijkheden in dat kader.

22. De overige geschilpunten van partijen behoeven geen beoordeling meer.

23. De (conventionele) vordering van Y ligt dan ook voor afwijzing gereed. Y zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De uitspraak hiervan zal tegelijk worden gedaan met het in reconventie te wijzen eindvonnis.

In reconventie:

24. Het door Y in reconventie aangevoerde verrekeningsverweer met het door hem in conventie gevorderde, heeft dus geen kans van slagen.

25. Wat resteert is de beoordeling van hiervoor bij 10. onder b tot en met d verwoorde verweren. Alvorens dat te doen zal de rechtbank Dexia in de gelegenheid stellen om bij akte een deugdelijke en inzichtelijke berekening in het geding te brengen van het in reconventie gevorderde - zoals gewijzigd - in relatie tot alle op de (rest)schulden gedane betalingen.

26. Voor zich spreekt dat Y daarop nog weer bij antwoordakte kan reageren.

27. Daartoe zal elke nader beslissing worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

In reconventie:

I. Stelt Dexia in de gelegenheid om bij akte de hiervoor onder 25. aangeduide informatie in het geding te brengen, en verwijst daartoe de zaak naar de rolzitting van deze rechtbank van woensdag 27 februari 2008.

In conventie en in reconventie:

II. Houdt elke (nadere) beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 30 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.