Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7019

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
74797 ha za 06-17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 74797 ha za 06-17

datum vonnis: 30 januari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X en Y,

echtelieden,

beiden wonende te Overdinkel,

eisers,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur: mr. J. Vestering,

advocaat: mr. H. Post te Helmond.

Procesverloop

X heeft gevorderd conform inleidende dagvaarding. Dexia heeft een akte van schorsing genomen, X een antwoordakte in het schorsingsincident en op 4 april 2007 een akte tot hervatting van de procedure.

Dexia heeft vervolgens een conclusie van antwoord, X een conclusie van repliek tevens houdende akte vermeerdering van eis en Dexia een conclusie van dupliek genomen, waarna partijen vonnis hebben verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

De vordering (kort samengevat)

1. Na in 1998 (telefonisch) benaderd te zijn door LegioLease heeft X op grond van een vervolgens ontvangen conceptcontracten een tweetal aandelenleaseovereenkomsten “Spaarleasen” d.d. 4 september nummer 37008495 (productie 2 dagvaarding) en nummer 37008494 (productie 3 dagvaarding) gesloten.

De looptijd van deze overeenkomsten bedroeg 180 maanden, de totaal overeengekomen leasesom op elke overeenkomst f 44.773,20 (€ 20.317,19) en de maandelijkse leasetermijnen f 248,74 (€ 112,87).

Daarvan voldeed X er 76 oftewel € 17.156,24 op beide overeenkomsten tezamen.

2. Per 31 januari 2005 zijn de overeenkomsten op verzoek van X beëindigd, heeft Dexia de onderliggende aandelen verkocht en de opbrengst van 2 x € 2.721,36 = € 5.442,72 aan X afgedragen, waarmede zijn verlies kwam op € 11.713,52.

3. Mede-eiseres Y, stellende tot half 2004 niet op de hoogte van deze aandelenleaseovereenkomsten te zijn geweest, heeft deze bij brief van 23 februari 2005 buitengerechtelijk vernietigd (productie 6 dagvaarding).

4. X heeft Dexia eveneens bij een brief van 23 februari 2005 aansprakelijk gesteld, die overeenkomsten buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot terugbetaling van zijn inleg (productie 5 dagvaarding).

X baseert zich op het niet door Dexia inachtnemen van de zorgplicht met name de

NR 1999 subsidiair het bepaalde in de Wet op het Consumentenkrediet (WCK) en bij vermeerdering van eis op basis van door Dexia geschonden normen van de WTE, zulks naast de nietigheid ingevolge het beroep op de vernietiging door Y, de echtgenote van X.

5. X vordert:

I. Verklaring voor recht dat de overeenkomsten nietig zijn althans deze te vernietigen c.q.

te verklaren dat deze buitengerechtelijk vernietigd zijn.

II. Dexia te veroordelen tot betaling van primair € 11.713,52 subsidiair € 8.992,16.

III. Deze bedragen met wettelijke rente vanaf de dag der betaling althans het verzuim van

Dexia (1 april 2005) dan wel de dag der dagvaarding.

IV. Dexia te veroordelen in de kosten van het geding.

V. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

6. Bij conclusie van repliek vermeerdert X de grondslag zijner vordering met een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft en deswege schadeplichtig is.

Het verweer van Dexia (kort samengevat)

7. X heeft in allebei de gevallen van het sluiten van de aandelenleaseovereenkomsten de concepten daarvan en het bijbehorende informatie- en/of foldermateriaal thuis geruime tijd voorhanden gehad en in alle rust kunnen beslissen tot het aangaan van die overeen-komsten.

8. X heeft de verschuldigde leasetermijnen (ineens of maandelijks) immer voldaan en ook na tussentijdse beëindiging van de overeenkomsten was de opbrengst van de verkoop van de onderliggende aandelen (meer dan) voldoende om de lening(en) af te lossen.

De bepalingen omtrent huurkoop en het beroep ex artikel 1:88 e.v. BW acht Dexia niet van toepassing en bovendien die mogelijkheid voor Y verjaard.

Dexia acht zich evenmin tekort geschoten in enige zorgplicht, zijnde volgens haar allereerst de NR 1999 niet van toepassing en voorts ten aanzien van X de BKR-toets uitgevoerd.

9. Daarenboven ontbreekt het causale verband met de schadevordering ten aanzien van het rentegedeelte van de geldlening en is alleen het verlies op de aandelen(lease) als zodanig te bezien en is te dien aanzien eigen schuld van X wegens onvoldoende oplettendheid in aanmerking te nemen.

Wettelijke rente is in voorkomend geval alleen na verzuim verschuldigd en tot slot laat X ten onrechte een niet nader genoemd bedrag van aan ontvangen dividend naast andere voordelen als het genot van het ter beschikking hebben gestaan van de hoofdsom en het eventuele genot van fiscale voordelen buiten beschouwing.

De beoordeling

10. De aandelenleaseovereenkomsten “Spaarlease”, hun looptijden, leasesommen, leasetermijnen als hierboven onder (1), (2) omschreven, staan tussen partijen vast alsmede dat X begin 2005 die overeenkomsten tussentijds (vervroegd) heeft beëindigd, zomede Dexia na verkoop van de aandelen de berekende slotuitkering van € 5.442,72 aan X heeft voldaan. Van enige dividendbetaling aan X is de rechtbank niet gebleken.

Huurkoop

11. De rechtbank blijft bij haar oordeel vervat in haar vonnis van 26 november 2003 (LJN: AN 9138) dat de onderhavige aandelenleaseovereenkomsten niet onder een overeenkomst van huurkoop (als species van koop op afbetaling) valt.

Verdere verweren als verjaring behoeven derhalve niet te worden bezien.

WCK

12. De rechtbank handhaaft haar eerder ingenomen standpunt dat aandelenlease-overeenkomsten als de onderhavige op zich onder de toepassing van de WCK vallen, waarbij in deze voor de toepassing van die wet deze twee overeenkomsten als gelijktijdig gesloten tezamen dienen worden te bezien om vervolgens vast te stellen dat Dexia terecht opmerkt dat de leasesommen zich boven het toen geldende beschermingsplafond van die wet bevonden (2000: € 22.652,--) en de WCK in deze dus toepassing mist.

Onrechtmatige daad/zorgplicht

13. Uit de stukken is in voldoende mate op te maken dat X wist dat er geld werd geleend en aandelen zouden worden gekocht.

Gesteld noch gebleken is dat Dexia middels bijvoorbeeld een op provisie beluste tussenpersoon druk op X heeft uitgeoefend de overeenkomsten aan te gaan.

Voorts acht de rechtbank de aan hem toegezonden informatie als geheel (inclusief de overeenkomsten) niet ondeugdelijk of misleidend.

Daarin wordt onder meer voldoende duidelijk gemaakt dat steeds rente moet worden betaald en dat bij tussentijdse beëindiging een hoofdsom resteert die moet worden afgelost (uit de opbrengst van de te verkopen aandelen). Overigens is door X ook niet gesteld dat het door hem ontvangen materiaal op zich ondeugdelijk is. Hij beperkt zijn kritiek tot het punt dat hij onvoldoende gewezen zou zijn op de risico’s die samenhangen met het beleggen in aandelen; namelijk dat in geval van tussentijdse beëindiging bij waardedaling van de onderliggende aandelen de hoofdsom niet kan worden voldaan en er dus verlies kan worden geleden of zelfs bij betaald moet worden.

14. Naar het oordeel van de rechtbank snijdt deze kritiek onvoldoende hout. Uit de in het geding gebrachte documentatie blijkt in voldoende duidelijke mate de mogelijkheid van minder goede afloop. Met name wordt gewezen op de mogelijkheid van een beleggingsrisico vergeleken met dat van een spaarbankboekje.

Waar het hier een z.g. aflossingsproduct betreft, kan allereerst aan het einde van de overeengekomen looptijd geen restschuld ontstaan, omdat alsdan de hoofdsom van de lening is afgelost en de opbrengst van de te verkopen onderliggende aandelen het al of niet voordelig zijn van de “Spaarlease”-constructie bepaalt; echter in geval van tussentijdse beëindiging, zoals in casu door X, is die hoofdsom nog niet afgelost en kan de opbrengst van de te verkopen aandelen onvoldoende zijn, zodanig dat een restschuld ontstaat.

In het onderhavige geval was een restschuld op het moment van de tussentijdse beëindiging niet aan de orde, omdat X toen (ruwweg) wist welk bedrag hij van Dexia zou gaan ontvangen (productie 4 dagvaarding) en hij vervolgens op dat moment gekozen heeft voor die tussentijdse beëindiging in plaats van de overeengekomen contractstermijn uit te dienen.

Evenmin heeft X voorafgaand of bij het tussentijdse beëindigingsverzoek aan Dexia in januari 2005 enig voorbehoud gemaakt op dit of enig ander punt en staat zulks naar het oordeel van de rechtbank haaks op die door X aan Dexia verweten onrechtmatige gedragingen van niet in acht genomen zorgplicht.

15. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot enig verder onderzoek naar de door X gestelde onrechtmatige daad of het honoreren van een bewijsaanbod omtrent feitelijkheden in dat kader.

Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat als hiervoor overwogen, hij gedurende de looptijd van de overeenkomsten alle leasetermijnen heeft voldaan, geen restschulden voor X zijn gebleven, maar uitkeringen aan hem zijn gedaan en hij in feite slechts klaagt over de verminderde opbrengst na door hem gevraagde tussentijdse beëindiging.

16. De vordering van X zal dienvolgens worden afgewezen en hij zal als in het ongelijk gesteld, in de proceskosten worden veroordeeld.

17. De overige geschilpunten van partijen behoeven geen bespreking meer.

De beslissing

De rechtbank rechtdoende:

I. Wijst af de vordering van X op Dexia.

II. Veroordeelt X in de proceskosten aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 294,-- aan griffierechten en € 904,-- aan salaris voor de procureur.

III. Verklaart het onder II. van dit dictum bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 30 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.